VAKnieuws

Geen noodzaak voor beƫindiging gezag

Nr: 26032 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 03-03-2026 ECLI:NL:GHARL:2026:1264 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Jeugdrecht
Gezag en omgang
1:266 en 1:267 BW

Rechtsvraag

Is er een grond voor de beëindiging van het gezag van de moeder?

Overweging

De minderjarige is onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. Hij woont in een gezinshuis, maar verbljft in de weekende en vakanties bij de moeder. De GI heeft in eerste aanleg de beëindiging van het gezag van de moeder verzocht, en verzocht de GI te belasten met de voogdij over de minderjarige. De rechtbank heeft dit toegewezen. De raad was het destijds niet eens met het verzoek van de GI, maar in hoger beroep vindt de raad dat de rechtbank een juiste beslissing heeft genomen. 

Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank. De moeder draagt nog steeds een groot deel van de zorg over de minderjarige, accepteert dat de minderjarige in het gezinshuis woont en werkt goed samen met de gezinshuisouder. Een beëindiging van het gezag vormt een grote inbreuk op de rechten en plichten van de moeder en de belangen van de minderjarige. Op grond van de huidige omstandigheden is het hof van oordeel dat een beëindiging van het gezag van de moeder geen recht doet aan de feitelijke situatie en dat van de noodzaak voor een dergelijke maatregel onvoldoende is gebleken. 

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Verhuizing lopende de procedure over het gezag en contactherstel

Nr: 26026 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 05-03-2026 ECLI:NL:GHSHE:2026:619 Jurisprudentie Rechtseenheid Gezag en omgang 1:253a BW; 1:247 lid 3 BW

Rechtsvraag

Mocht de moeder toen zij nog belast was met het eenhoofdig gezag met het kind verhuizen?

Overweging

De moeder is tijdens een procedure over het contact tussen de vader en het kind, en over het ouderlijk gezag, met het kind verhuisd naar een locatie 150 km bij de vader vandaan. Een half jaar later heeft de rechtbank bepaald dat de ouders gezamenlijk belast worden met het ouderlijk gezag. In hoger beroep beslist het hof dat de moeder moet terug verhuizen. Het hof overweegt als volgt:

Uit Hoge Raad 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1513 volgt dat in geval van gezamenlijk gezag de rechter op grond van artikel 1:253a BW de mogelijkheid heeft om de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft, te verbieden op grote afstand van de andere ouder te gaan wonen, dan wel eerstgenoemde ouder te gelasten om terug te verhuizen, of zich te vestigen op zodanige afstand van de andere ouder dat omgang tussen het kind en die ouder kan plaatsvinden. Ook bij eenhoofdig gezag bestaat een grondslag om de keuzevrijheid van de met het gezag belaste ouder ten aanzien van de woonplaats van het kind te beperken indien deze ouder niet voldoet aan de verplichting omgang tussen het kind en de andere ouder te bevorderen (artikel 1:247 lid 3 BW). [..] Het hof stelt vast dat in dit geval de rechtbank bij de (bestreden) beschikking van 13 augustus 2025 de ouders gezamenlijk, uitvoerbaar bij voorraad, heeft belast met het gezag over het kind en dat geen van partijen van deze beslissing in beroep is gekomen. Er is derhalve sprake van gezamenlijk gezag over het kind. Dit rechtsfeit dat zich heeft voorgedaan dient het hof thans bij de afweging ex nunc te betrekken. Het hof wijst in dit verband naar r.o. 3.1.3. van genoemde uitspraak waarin de Hoge Raad oordeelde dat in het geval de vader ten tijde van de beslissing van het hof inmiddels gezamenlijk met de moeder met het gezag is belast, artikel 1:253a BW voor het hof een grondslag biedt om de moeder te gelasten terug te verhuizen.

Het hof is van oordeel dat de moeder niet in het belang van het kind heeft gehandeld door te verhuizen, en ziet geen belemmeringen voor een terugverhuizing.

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder

Al onze cursussen

Centrum Permanente Educatie biedt hoogwaardige juridische cursussen, afgestemd op de praktijk en verzorgd met enthousiasme en expertise.

Bekijken
 

Gevolgen borgstelling voor huwelijksgemeenschap

Nr: 26025 Hoge Raad der Nederlanden, 06-03-2026 ECLI:NL:HR:2026:347 Jurisprudentie Rechtseenheid Huwelijksvermogensrecht 1:88 BW; 1:94 (oud) BW, 7:850 BW

Rechtsvraag

Gelden de schulden waar een van de echtgenoten zich als medeschuldenaar aan heeft verbonden of zich borg voor heeft gesteld als gemeenschapsschulden?

Overweging

De Hoge Raad oordeelt dat de schulden waar een van de echtgenoten zich als medeschuldenaar voor heeft verbonden of zich borg voor heeft gesteld in de huwelijksgemeenschap vallen. 

Een borg verbindt zich op grond van art. 7:850 lid 1 BW tot nakoming van de verbintenis die de hoofdschuldenaar tegenover zijn schuldeiser heeft of zal krijgen. De borg is daarmee (op grond van art. 7:850 lid 3 BW in beginsel hoofdelijk) aansprakelijk voor de schuld van de hoofdschuldenaar jegens de schuldeiser. Op grond van art. 1:94 lid 5 (oud) BW, dat bepaalt dat de huwelijksgoederengemeenschap in beginsel alle schulden van ieder van de echtgenoten omvat, valt ook een uit borgtocht voortvloeiende schuld van de echtgenoot in de gemeenschap. 

De (hoofdelijke) aansprakelijkheid van één van de echtgenoten jegens een schuldeiser bepaalt of en voor welke omvang de schuld in de huwelijksgoederengemeenschap valt. Indien een echtgenoot zich als medeschuldenaar (hoofdelijk) heeft verbonden tot nakoming van de gehele schuld (art. 6:7 BW), valt deze schuld krachtens art. 1:94 lid 5 (oud) BW in de gemeenschap.

Lees verder
 

Prejudiciƫle vragen

Nr: 26036 Rechtbank Midden-Nederland, 12-03-2026 ECLI:NL:RBMNE:2026:1024 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Jeugdrecht 392 Rv

Rechtsvraag

Prejudiciële vragen over de procedures met betrekking tot minderjarige asielzoekers.

Overweging

1. Welke onderbouwing van het verzoekschrift, al dan niet gestaafd met (officiële) documenten, mag de rechter in deze fase van het (recente) verblijf van de minderjarige in Nederland van Nidos verwachten afgezet tegen het belang om snel te beslissen? En welke moeite moet Nidos zich hebben getroost om aan de documenten te komen?
2. Is een verzoek van Nidos om met voogdij op grond van artikel 1:253q en r BW over een alleenstaande minderjarige asielzoeker van buiten de Europese Unie benoemd te worden een verzoek als bedoeld in artikel 800 lid 1 Rv dat voor onmiddellijke toewijzing, dus zonder zitting, gereed is.
3.  Maakt het bij de beantwoording van vraag 2) uit of van ouders verblijfs- of contactgegevens bekend zijn buiten Europa? Wanneer brengt de beschikbaarheid van contactgegevens met zich mee dat ouders in de mogelijkheid zijn om hun gezag uit te oefenen? Indien het antwoord op vraag 2 ontkennend is, wat kan dan precies van de rechtspraak worden verwacht waar het de oproep van de ouders voor een mondelinge behandeling betreft als er:
4.Indien het antwoord op vraag 2 ontkennend is, wat kan dan precies van de rechtspraak worden verwacht waar het de oproep van de ouders voor een mondelinge behandeling betreft als er:
a. (nog) geen contactgegevens bekend zijn, moet er dan toch een oproeping via de Staatscourant plaatsvinden (met een oproeptermijn van drie maanden)?
b. contactgegevens van (de) ouder(s) bekend zijn in een land buiten de Europese Unie, moet er dan op reguliere wijze betekening plaatsvinden in het buitenland (hetgeen een tijdrovende aangelegenheid kan zijn)?
5. Moeten de minderjarigen in bedoelde zaken (in alle gevallen) in de gelegenheid worden gesteld hun mening kenbaar te maken door middel van een oproep voor een kindgesprek?
6. Luidt het antwoord op vraag 5 anders indien de minderjarige – bijgestaan door een tolk – een verklaring heeft getekend waaruit blijkt dat hij/zij geïnformeerd is over de mogelijkheid op een kindgesprek te komen en van dat kindgesprek afziet?

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Verval machtiging van rechtswege door verloop termijn

Nr: 26031 Hoge Raad der Nederlanden, 13-03-2026 ECLI:NL:HR:2026:398 Jurisprudentie Rechtseenheid GGZ 6:2 Wvggz, 6:5 Wvggz en 6:6 Wvggz

Rechtsvraag

Kan de rechter de zorgmachtiging verlengen met twaalf maanden, als op het moment waarop de beslissing wordt genomen de zorgmachtiging al is verlopen?

Overweging

De Hoge Raad oordeelt dat de zorgmachtiging niet verlengd kan worden als de beslissing wordt genomen op een datum waarop de zorgmachtiging reeds is verlopen. Er kan slechts een nieuwe zorgmachtiging van zes maanden worden afgegeven. 

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder