VAKnieuws
Andere machtiging uithuisplaatsing dan verzochtRechtsvraagMag de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor een andere categorie (accommodatie jeugdhulpaanbieder) dan door de raad is verzocht (pleeggezin)? OverwegingDe raad heeft verzocht een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een pleeggezin. De minderjarige is een pasgeboren baby. De kinderrechter heeft een machtiging verleend tot uithuisplaatsing in een accomodatie jeugdhulpaanbieder, zodat de GI de minderjarige samen met de moeder in een moeder-kindhuis kon plaatsen. Dat is zo geschied en dat gaat goed. Het hof oordeelt als volgt. Mocht een uithuisplaatsing in het belang van een minderjarige noodzakelijk zijn, dan heeft de overheid op grond van art 8 lid 2 EVRM een positieve verplichting tot het treffen van maatregelen om te bevorderen dat het gezin, zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk, wordt herenigd. Wel dient deze verplichting steeds afgewogen te worden tegen de verplichting om rekening te houden met het belang van het kind, en het grote gewicht van dat belang. De inspanningen moeten erop zijn gericht om persoonlijke banden tussen ouder en kind zoveel mogelijk in stand te houden. Aan de kinderrechter komt tegen deze achtergrond een zekere beoordelingsruimte toe met betrekking tot de vraag binnen welke categorie of setting van jeugdhulp de uithuisplaatsing van een minderjarige moet worden gerealiseerd. Dit geldt temeer als een minderverstrekkende setting dan verzocht volstaat om het boogde doel - door de raad omschreven als: het waarborgen van de veiligheid, het welzijn en de ontwikkeling van de minderjarige – te realiseren. Een plaatsing van een pasgeboren baby bij een jeugdhulpaanbieder, samen met de moeder, is minder verstrekkend dan plaatsing in een pleeggezin, zonder de moeder. Cursussen binnenkort: |
