VAKnieuws

Verval machtiging van rechtswege door verloop termijn

Nr: 26031 Hoge Raad der Nederlanden, 13-03-2026 ECLI:NL:HR:2026:398 Jurisprudentie Rechtseenheid GGZ 6:2 Wvggz, 6:5 Wvggz en 6:6 Wvggz

Rechtsvraag

Kan de rechter de zorgmachtiging verlengen met twaalf maanden, als op het moment waarop de beslissing wordt genomen de zorgmachtiging al is verlopen?

Overweging

De Hoge Raad oordeelt dat de zorgmachtiging niet verlengd kan worden als de beslissing wordt genomen op een datum waarop de zorgmachtiging reeds is verlopen. Er kan slechts een nieuwe zorgmachtiging van zes maanden worden afgegeven. 

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Gevolgen borgstelling voor huwelijksgemeenschap

Nr: 26025 Hoge Raad der Nederlanden, 06-03-2026 ECLI:NL:HR:2026:347 Jurisprudentie Rechtseenheid Huwelijksvermogensrecht 1:88 BW; 1:94 (oud) BW, 7:850 BW

Rechtsvraag

Gelden de schulden waar een van de echtgenoten zich als medeschuldenaar aan heeft verbonden of zich borg voor heeft gesteld als gemeenschapsschulden?

Overweging

De Hoge Raad oordeelt dat de schulden waar een van de echtgenoten zich als medeschuldenaar voor heeft verbonden of zich borg voor heeft gesteld in de huwelijksgemeenschap vallen. 

Een borg verbindt zich op grond van art. 7:850 lid 1 BW tot nakoming van de verbintenis die de hoofdschuldenaar tegenover zijn schuldeiser heeft of zal krijgen. De borg is daarmee (op grond van art. 7:850 lid 3 BW in beginsel hoofdelijk) aansprakelijk voor de schuld van de hoofdschuldenaar jegens de schuldeiser. Op grond van art. 1:94 lid 5 (oud) BW, dat bepaalt dat de huwelijksgoederengemeenschap in beginsel alle schulden van ieder van de echtgenoten omvat, valt ook een uit borgtocht voortvloeiende schuld van de echtgenoot in de gemeenschap. 

De (hoofdelijke) aansprakelijkheid van één van de echtgenoten jegens een schuldeiser bepaalt of en voor welke omvang de schuld in de huwelijksgoederengemeenschap valt. Indien een echtgenoot zich als medeschuldenaar (hoofdelijk) heeft verbonden tot nakoming van de gehele schuld (art. 6:7 BW), valt deze schuld krachtens art. 1:94 lid 5 (oud) BW in de gemeenschap.

Lees verder

Al onze cursussen

Centrum Permanente Educatie biedt hoogwaardige juridische cursussen, afgestemd op de praktijk en verzorgd met enthousiasme en expertise.

Bekijken
 

Wijziging beslissing voortzetting crisismaatregel

Nr: 26028 Hoge Raad der Nederlanden, 27-02-2026 ECLI:NL:HR:2026:323 Jurisprudentie Rechtseenheid GGZ
Jeugdrecht
8:11 en 8:12 Wvggz; 2:1 lid 9 Wvggz

Rechtsvraag

Moet bij een wijziging van de voortzetting van de crisismaatregel opnieuw getoetst worden of aan de voorwaarden voor een crisismaatregel wordt voldaan?

Overweging

De Hoge Raad oordeelt dat bij de beoordeling van een verzoek tot wijziging van de voortzetting van een crisismaatregel opnieuw moet worden beoordeeld of op dat moment aan de voorwaarden voor een crisismaatregel wordt voldaan.

In dit geval was eerst een crisismaatregel uitgesproken met de vorm van verplichte zorg 'insluiten'. De verlenging van de crisismaatregel is uitgesproken zonder deze vorm van verplichte zorg. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de voortzetting van de crisismaatregel te wijzigen, met dien verstande dat de vorm van verplichte zorg 'insluiten' er aan wordt toegevoegd. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat psychiatrische problematiek bij de minderjarige niet voorliggend lijkt te zijn, en dat gesloten jeugdhulp passender is. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer dat niet langer aan de voorwaarden voor een crisismaatregel wordt voldaan, omdat de voortzetting van de crisismaatregel an sich volgens de rechtbank niet voorligt. De rechtbank heeft de voortzetting van de crisismaatregel gewijzigd en daar de vorm van verplichte zorg 'insluiten' aan toegevoegd. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank had moeten toetsen of op dat moment nog aan de voorwaarden voor een crisismaatregel wordt voldaan. Daarnaast had de rechtbank zich rekenschap moeten geven van de aanvullende zorgvuldigheidseisen met betrekking tot minderjarigen, zoals opgenomen in artikel 2:1 lid 1 Wvggz.

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Wagonstelsel, openbare orde exceptie en uitleg Iraans recht

Nr: 26014 Hoge Raad der Nederlanden, 30-01-2026 ECLI:NL:HR:2026:126 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Huwelijksvermogensrecht
IPR
art. 13 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 juncto art. 1:115 lid 1 BW

Rechtsvraag

Welk huwelijksvermogensrecht is van toepassing op het huwelijksvermogen van partijen? En hoe moet dat worden uitgelegd?

Overweging

Partijen zijn gehuwd in Iran en op dat moment had de vrouw enkel de Iraanse nationaliteit. De man had de Nederlandse nationaliteit. In de huwelijksakte is een voorwaarde opgenomen luidende dat de vrouw bij echtscheiding op initiatief van de man, aanspraak maakt op de helft van zijn vermogen mits zij zich goed en niet onzedelijk heeft gedragen. Het hof heeft geoordeeld dat paritjen dus zijn gehuwd met huwelijkse voorwaarden en dat het wagonstelsel daarom niet van toepassing is. Het Iraans huwelijksvermogensrecht geldt voor het tijdens het hele huwelijk opgebouwde vermogen.

Partijen hebben ter zitting bij de rechtbank een rechtskeuze gemaakt voor het Nederlands recht. De Hoge Raad oordeelt dat deze rechtskeuze niet aan het vormvereiste van een notariële akte voldoet. Het hof is daar terecht aan voorbij gegaan.

Het hof heeft geoordeeld dat de voorwaarde dat de vrouw zich goed en niet onzedelijk heeft gedragen, in strijd is met de Nederlandse openbare orde. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft getoetst aan de openbare orde exceptie, ook al hebben partijen daar geen grieven over aangevoerd. De openbare orde exceptie is van openbare orde.

Het hof laat wat er overblijft van de huwelijkse voorwaarden, dat de vrouw in dat geval zonder voorwaarden aanspraak maakt op de helft van het vermogen van de man, verder buiten toepassing omdat  de ratio van de oorspronkelijk door partijen gesloten huwelijkse voorwaarden is gelegen in de beschermingsgedachte en de bedoeling dat de vrouw bij het einde van het huwelijk door echtscheiding voldoende financieel verzorgd moet achterblijven, en dat het in strijd is met deze ratio indien de vrouw nu een onvoorwaardelijk recht zou hebben (gekregen) op het vermogen van de man; hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat een onvoorwaardelijke verdeling bij helfte van het vermogen in Iran in de praktijk bijna nooit voorkomt. Ten slotte heeft het hof overwogen dat, nu de huwelijkse voorwaarden van partijen voor het overige geen bepalingen ten aanzien van verrekening van vermogen inhouden, het Iraans wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen geldt.

De Hoge Raad oordeelt dat deze uitleg van het Iraans recht, mede in het licht bezien van het IJI-advies, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. De Hoge Raad verwijst de zaak naar een ander hof met de opdracht aan het hof  om aan de hand van het toepasselijke Iraanse recht te bepalen in hoeverre de vrouw een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak kan ontlenen aan de huwelijkse voorwaarden in het geval dat de gewraakte bepaling wegens strijd met de Nederlandse openbare orde buiten toepassing blijft. Dit betekent dat het hof moet onderzoeken op welke wijze naar Iraans recht moet worden omgegaan met de omstandigheid dat een gedeelte van een tussen partijen overeengekomen clausule in de huwelijkse voorwaarden (bijvoorbeeld wegens partiële nietigheid van die clausule) buiten toepassing blijft.

Lees verder
 

Terugbetalingsverplichting bij wijziging partneralimentatie

Nr: 26013 Hoge Raad der Nederlanden, 30-01-2026 ECLI:NL:HR:2026:132 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Alimentatie 1:401 BW; 1:402 BW

Rechtsvraag

Moet de alimentatieplichtige die terugbetaling wil, inzichtelijk maken wat hij aan partneralimentatie heeft betaald?

Overweging

De Hoge Raad herhaalt de eerder door de Hoge Raad geformuleerde regels met betrekking tot het wijzigen van alimentatie met ingang van een datum die is gelegen voor de datum van de beschikking. De Hoge Raad vult daar nu op aan:

Indien de rechter een eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage verlaagt met ingang van een tijdstip dat is gelegen vóór de datum van zijn uitspraak en de onderhoudsplichtige in verband daarmee verzoekt om terugbetaling van hetgeen de onderhoudsgerechtigde in de voorafgaande periode te veel heeft ontvangen, moet de rechter aan de hand van de hiervoor in 3.3 weergegeven regels beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen laatstgenoemde in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds heeft uitgegeven. Aan die beoordeling staat niet in de weg dat de onderhoudsplichtige geen of onvoldoende inzicht heeft gegeven in hetgeen hij in de voorafgaande periode daadwerkelijk heeft betaald.

Lees verder
 

Met erflater getrouwde verzorgende kan geen erfgenaam zijn

Nr: 26008 Hoge Raad der Nederlanden, 16-01-2026 ECLI:NL:HR:2026:62 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Erfrecht 4:59 BW; 4:60 BW

Rechtsvraag

Maakt voor de vraag of de echtgenote  als beroepsbeoefenaar op het gebied van de individuele gezondheidszorg in de zin van art. 4:59 BW moet worden aangemerkt, nog uit of zij al dan niet BIG-geregistreerd was?

Overweging

De Hoge Raad oordeelt dat het voor de vraag of de echtgenote een beroepsbeoefenaar in de zin van artikel 4:59 BW was, niet uit maakt of zij BIG-geregistreerd was. De Wet BIG geeft aan dat een BIG-registratie voorwaarde is voor het voeren van bepaalde titels en het uitoefenen van bepaalde zorgtaken, maar het is niet zo dat een BIG-registratie een voorwaarde is voor het mogen uitoefenen van een beroep in de individuele gezondheidszorg.

De echtgenote kan niet van de erflater erven omdat zij de erflater heeft verzorgd gedurende de ziekte waaraan hij overleden is.

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Zware motiveringsplicht bij ontzegging omgang

Nr: 26007 Hoge Raad der Nederlanden, 16-01-2026 ECLI:NL:HR:2026:61 Jurisprudentie Rechtseenheid Gezag en omgang 1:377a BW

Rechtsvraag

Heeft het hof de ontzegging van de omgang voldoende gemotiveerd?

Overweging

De Hoge Raad overweegt dat aan de ontzegging van het recht op omgang ex 1:377a BW een zware motiveringsplicht kleeft. In eerste aanleg was het uitgangspunt dat er omgang moest zijn tussen de moeder en het kind. In hoger beroep hebben de pleegouders hun verzoek vermeerderd en ontzegging van de omgang verzocht. Het hof heeft dit toegewezen maar heeft niet onderzocht en gemotiveerd waarom niet volstaan kon worden met een verdere beperking van de omgangsregeling. Dat had het hof wel moeten doen.

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

X-registratie

Nr: 26001 Hoge Raad der Nederlanden, 19-12-2025 ECLI:NL:HR:2025:1959 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Algemeen 392 Rv; 8 EVRM; 393 lid 8 Rv

Rechtsvraag

De rechtbank Noord-Nederland heeft prejudiciële vragen gesteld over de mogelijkheid van wijziging en/of aanvulling van de geslachtsregistratie naar een non-binaire geslachtsregistratie, onder verwijzing naar de eerdere prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van  4 maart 2022 (ECLI:NL:HR:2022:336).

Overweging

Wederom ziet de Hoge Raad af van beantwoording van de prejudiciële vragen, omdat er nog geen wetgeving over non-binaire en/of geslachtsneutrale geslachtsregistratie bestaat en de Hoge Raad in de ontwikkelingen sinds de prejudiciële beslissing van 4 maart 2022 geen aanleiding ziet om nu anders te beslissen. 

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Screening pleeggezin

Nr: 26002 Hoge Raad der Nederlanden, 19-12-2025 ECLI:NL:HR:2025:1948 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Jeugdrecht 392 Rv; 5.1 Jeugdwet; 1:247 BW en 1:248 BW

Rechtsvraag

Vraag 1 

Is het, gelet op het in de tussenbeschikking van 16 juli 2024 ten aanzien van het toepasselijke verdragsrecht en het wettelijk kader overwogene, mogelijk om een kind toch in een pleeggezin te plaatsen als geen pleegzorgscreening heeft plaatsgevonden, die screening niet positief is of wanneer de pleegzorgaanbieder tot de slotsom komt dat de plaatsing grote veiligheidsrisico's voor een kind met zich brengt en daarom geen verantwoordelijkheid voor die plaatsing wil dragen?

Vraag 2 

De rechter constateert dat in de huidige voogdijregeling een effectief rechtsmiddel om geschillen over de uitvoering van de voogdij aan de rechter voor te leggen, ontbreekt. Moet in geval van een zodanig geschil de rechter naar analogie art. 1:253a dan wel 1:377a BW toepassen, of is sprake van een zodanig hiaat in de huidige voogdijregeling dat dit de rechtsvormende taak van de rechter overstijgt en de wetgever in dit hiaat moet voorzien?

Overweging

Beantwoording vraag 1: De Hoge Raad oordeelt kort gezegd dat een negatieve uitkomst van de screening van het pleeggezin door de pleegzorgaanbieder niet als zodanig in de weg staat aan plaatsing van het kind bij dat gezin. De uitkomst van de screening zal voor de gecertificeerde instelling bij de bepaling van de verblijfplaats van het kind en voor de rechter bij het beslissen op het verzoek tot het verlenen of verlengen van een machtiging uithuisplaatsing wel een rol spelen maar ook andere informatie kan een rol spelen. De GI en de rechter moeten de veiligheid van het kind voorop stellen. 

Beantwoording vraag 2: De wet biedt voor de ouders zonder gezag geen regeling met betrekking tot geschillen over de uitvoering van de voogdij. Dat is geen hiaat in de wet waar de rechter in zou moeten voorzien.

 

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Gezamenlijk gezag gelijktijdig met vervangende toestemming erkenning

Nr: 25121 Hoge Raad der Nederlanden, 05-12-2025 ECLI:NL:HR:2025:1853 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Erkenning
Gezag en omgang
1:204 BW; 1:253c BW

Rechtsvraag

Kan de rechter bij de verlening van vervangende toestemming tot erkenning van een kind, gelijktijdig het gezamenlijk gezag over dat kind toekennen?

Overweging

Het hof heeft aan de man vervangende toestemming verleend tot erkenning van het kind, en daarbij direct ook onder opschortende voorwaarde van inschrijving van die erkenning in de registers van de burgerlijke stand, bepaald dat de man samen met de moeder van het kind het ouderlijk gezag zal uitoefenen. 

De moeder klaagt in cassatie dat het hof niet had kunnen beslissen over het gezag, omdat op grond van  artikel 1:253c lid 1 BW een verzoek tot toekenning van al dan niet gezamenlijk gezag over een kind alleen kan worden gedaan door de tot het gezag bevoegde ouder van het kind. De moeder betoogt dat zolang het kind niet is erkend, er geen tot gezag bevoegde ouder is, en het verzoek tot toekenning van al dan niet gezamenlijk gezag niet kan worden gedaan en niet inhoudelijk kan worden behandeld.

De Hoge Raad oordeelt dat de wet er niet aan in de weg staat dat een ouder die vervangende toestemming tot erkenning verzoekt, gelijktijdig een verzoek doet over het ouderlijk gezag. De rechter zal wel eerst het verzoek betreffende de erkenning moeten beoordelen. Daarnaast moet bij toewijzing van beide verzoeken voorkomen worden dat er gezamenlijk gezag tot stand komt terwijl de erkenning niet daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dat kan door de vervangende toestemming tot erkenning in een tu ssenbeschikking toe te wijzen, of zoals het hof heeft gedaan met een opschortende voorwaarde.

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Motiveringsplicht Wvggz zaken

Nr: 25123 Hoge Raad der Nederlanden, 28-11-2025 ECLI:NL:HR:2025:1798 Jurisprudentie Rechtseenheid Wvggz 6:4 lid 1 Wvggz

Rechtsvraag

Moet een kortdurende verlenging, onder aanhouding van de beslissing voor het overige uitgebreid worden gemotiveerd?

Overweging

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank bij het verlen(g)en van een machtiging tot verplichte zorg altijd moet motiveren  dat voor de vormen van verplichte zorg waarvoor de machtiging wordt verleend, is voldaan aan de criteria voor en het doel van verplichte zorg. Daarbij geldt dat de rechter mag volstaan met een verwijzing naar de medische verklaring en de overige aan het verzoek ten grondslag liggende stukken indien daaruit voldoende duidelijk blijkt dat is voldaan aan de criteria voor en het doel van de verplichte zorg. Dit geldt ook als de machtiging slechts voor korte duur wordt verlengd onder aanhouding van de beslissing over de verdere verzochte duur.

Lees verder
 

Betrokkene gehoord in onjuiste taal

Nr: 25122 Hoge Raad der Nederlanden, 28-11-2025 ECLI:NL:HR:2025:1809 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Wvggz Art. 5:8 lid 1 Wvggz; art. 5:17 lid 3 Wvggz; art. 6:4 Wvggz; art. 5 EVRM

Rechtsvraag

Voldoet het onderzoek van de psychiater aan de wettelijke maatstaven?

Overweging

Uit het systeem van de Wvggz, in het bijzonder uit art. 5:8 lid 1 Wvggz in verbinding met art. 5:17 lid 3 Wvggz en art. 6:4 Wvggz, volgt, mede gelet op art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM, dat geen zorgmachtiging mag worden verleend indien de medische verklaring die ten grondslag ligt aan het daartoe strekkende verzoek niet voldoet aan de uit de wet voortvloeiende eisen. De rechtbank moet ambtshalve onderzoeken of aan de wettelijke vereisten is voldaan.

De psychiater heeft betrokkene tijdens het onderzoek laten bijstaan door een Somalische tolk. Betrokkene zou daar zelf om gevraagd hebben. Betrokkene spreekt echter Dari en komt niet uit Somalië. Daardoor staat onvoldoende vast of betrokkene is gehoord in een taal die hij begrijpt. De Hoge Raad vernietigt de beschikking.

Lees verder