personen-, familie- en erfrecht

VAKnieuws

Hoofdverblijfplaats en inschrijving BRP

Nr: 25003 Hoge Raad der Nederlanden, 13-12-2024 ECLI:NL:HR:2024:1872 Jurisprudentie Rechtseenheid Gezag en omgang
Procesrecht
1:253a BW; 1:1, aanhef en onder o, onder 1, Wet basisregistratie personen

Rechtsvraag

Heeft het hof door afwijzing van het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats tevens beslist op het verzoek vervangende toestemming inschrijving in het BRP en zo ja, is die beslissing voldoende gemotiveerd?

Overweging

Het hof heeft de zorgregeling zo gewijzigd dat het kind nog maar een nacht per week bij de moeder verblijft. Het hof heeft het verzoek van de vader om tevens de hoofdverblijfplaats van het kind te wijzigen, naar een hoofdverblijfplaats bij de vader, afgewezen. Daarbij heeft het hof geoordeeld dat het hof de wijziging in de zorgregeling als een tijdelijke situatie ziet, en dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats grote financiële gevolgen voor de moeder zal hebben en zal leiden tot nieuwe alimentatieprocedures. 

In cassatie ligt de klacht voor dat het hof niet heeft beslist op het verzoek van de vader om aan hem vervangende toestemming te geven om het kind op zijn adres in te laten schrijven in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) en/of dat het hof de afwijzing van dit verzoek onvoldoende heeft gemotiveerd. 

De Hoge Raad oordeelt dat niet duidelijk is of het hof op het verzoek over de inschrijving heeft beslist, maar als het hof bedoeld heeft dat met de afwijzing van het verzoek over de hoofdverblijfplaats ook het verzoek over de inschrijving in de BRP is beslist, dan heeft het hof die beslissing onvoldoende gemotiveerd. De Hoge Raad verwijst naar artikel 1.1 van de Wet basisregistratie personen, waaruit volgt dat iemand moet staan ingeschreven op het adres waar hij/zij gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten. Gelet op de wijziging van de zorgregeling, had het hof de afwijzing van het verzoek betreffende de inschrijving in de BRP moeten motiveren.  

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Vader kan niet gehouden worden aan afspraak over de gecombineerde geslachtsnaam voor het kind

Nr: 25011 Gerechtshof Den Haag, 17-12-2024 ECLI:NL:GHDHA:2024:2535 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Algemeen 1:5 BW; IIIB lid 1 WIGG; 1:253a BW

Rechtsvraag

Is de vader gehouden de afspraak om op grond van de overgangsregeling een gecombineerde geslachtsnaam voor het kind te kiezen, na te komen?

Overweging

De ouders hebben op Whatsapp met elkaar afgesproken dat zij de geslachtsnaam van de moeder aan de geslachtsnaam van hun kind zullen toevoegen. Dit is mogelijk op grond van artikel IIIB lid 1 WIGG en artikel 1:5 BW. De vader heeft zich bedacht en wil hier niet meer aan meewerken. De moeder heeft in kort geding gevorderd de vader te veroordelen de gemaakte afspraak na te komen, op straffe van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen. Het hof bekrachtigt de beslissing van de voorzieningenrechter. Het hof verwijst naar de overweging van de voorzieningenrechter, luidende dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat er gevallen blijven bestaan waaruit de naamskeuze tot onenigheid of ongemak leidt maar dat een rechter daarover laten beslissen de verantwoordelijkheid van ouders voor de naamskeuze van het kind miskent. De voorzieningenrechter overweegt dat daarom de ouders alleen de mogelijkheid om te kiezen voor een gecombineerde geslachtsnaam kunnen benutten als zij daar beiden nog steeds achter staan en dat zij daarmee vrijwillig moeten instemmen. 

Het hof overweegt dat een veroordeling tot nakoming zou inhouden dat de vader een verklaring moet ondertekenen waar hij niet (langer) achter staat. Dat strookt niet met het karakter van een eensluidende verklaring. Het hof benadrukt dat voor de rechter in dezen geen taak is weggelegd, omdat de wetgever dat uitdrukkelijk niet heeft gewild, en dat de wet een vangnetbepaling kent voor het geval de ouders het niet eens zijn over de geslachtsnaam van hun kind.

Lees verder

Al onze cursussen

Centrum Permanente Educatie biedt hoogwaardige juridische cursussen, afgestemd op de praktijk en verzorgd met enthousiasme en expertise.

Bekijken
 

Partneralimentatie: Geen behoeftigheid door eigen inkomen én vermogen

Nr: 25008 Gerechtshof Den Haag, 18-12-2024 ECLI:NL:GHDHA:2024:2536 Jurisprudentie Geschilbeslechting Alimentatie 1:156 lid 1 BW

Rechtsvraag

Kan de vrouw met haar vermogen in haar eigen behoefte voorzien?

Overweging

De rechtbank heeft bepaald dat de man € 14.153,- per maand partneralimentatie aan de vrouw moet betalen. De man verzoekt in het incidenteel hoger beroep om de partneralimentatie op nihil te stellen, omdat de vrouw volledig in haar eigen behoefte kan voorzien. Het hof wijst dit verzoek van de man toe. Het hof oordeelt dat de vrouw, gelet op het inkomen dat zij kan verwerven met haar onderneming en gelet op de omvang van haar vermogen, volledig in haar eigen behoefte kan voorzien. 

De vrouw heeft naar voren gebracht dat zij wel vermogen heeft, maar dat zij daar niet over kan beschikken en daarom geen inkomsten uit haar vermogen heeft.  Het hof overweegt:

" Het hof begrijpt uit het verweer van de vrouw dat het resultaat/de opbrengst uit het onroerend goed afhankelijk is van het beleid dat haar vader voert. Het hof heeft geen gegevens met betrekking tot het box 3 vermogen van de vrouw per peildatum 2023 noch gegevens over 2024. Ook heeft het hof geen gegevens met betrekking tot de inkomsten box 3 over 2023 en 2024, dan wel een prognose van de inkomsten uit box 3. Wel stelt het hof vast dat door de fiscale constructie het vermogen van de vrouw jaarlijks toeneemt. Het hof is van oordeel dat de vrouw over aanzienlijk box 3 vermogen beschikt en dat zij daarmee tenminste netto inkomsten kan genereren van € 10.000,- netto per maand ."

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Gecombineerde geslachtsnaam alleen mogelijk als beide juridische ouders instemmen

Nr: 25010 Gerechtshof Den Haag, 18-12-2024 ECLI:NL:GHDHA:2024:2535 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Gezag en omgang
Algemeen
1:5 BW; IIIB lid 1 WIGG; 1:253a BW

Rechtsvraag

Kan de rechter vervangende toestemming verlenen voor het aanvragen van een gecombineerde geslachtsnaam ex artikel IIIB lid 1 WIGG en 1:5 BW?

Overweging

Op grond van de WIGG kunnen ouders hun kinderen tegenwoordig een gecombineerde geslachtsnaam geven. Op grond van artikel IIIB lid 1 WIGG konden kinderen van dezelfde (juridische) ouders tot 1 januari 2025 onder bepaalde voorwaarden alsnog een gecombineerde geslachtsnaam verkrijgen. Een van die voorwaarden is dat beide ouders gezamenlijk verklaren dat hun kind een gecombineerde geslachtsnaam behoort te krijgen en hoe die gecombineerde geslachtsnaam zal luiden. 

Een dergelijke verklaring ontbreekt, omdat de vader er niet mee instemt. De moeder heeft vervangende toestemming verzocht ex 1:253a BW. 

Het hof overweegt dat het in deze niet om een gezagsbeslissing gaat, omdat de voorwaarde is dat beide juridische ouders moeten verklaren dat het kind een gecombineerde geslachtsnaam behoort te krijgen. Het gaat niet om het ontbreken of vervangen van de toestemming van een ouder met gezag.  De wet voorziet zelf in een oplossing voor het geval de ouders geen gezamenlijke naamskeuze kunnen maken. Die vangnetnorm houdt op hoofdlijnen in dat een kind de geslachtsnaam van de vader krijgt wanneer de ouders getrouwd zijn en dat een kind de geslachtsnaam van de moeder krijgt wanneer de ouders niet getrouwd zijn. Daarnaast heeft de wetgever uitdrukkelijk afgezien van de mogelijkheid om een geschil hierover aan de rechter voor te leggen. 


Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Verrassingsbeslissing

Nr: 25004 Hoge Raad der Nederlanden, 20-12-2024 ECLI:NL:HR:2024:1888 Jurisprudentie Rechtseenheid Huwelijksvermogensrecht
Procesrecht
25 rv

Rechtsvraag

Moet de rechter partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over een ambtshalve aanvulling van de rechtsgrond?

Overweging

Partijen hebben bij hun echtscheiding een echtscheidingsconvenant opgesteld waarin zij de verdeling van de huwelijkse gemeenschap hebben geregeld, met uitzondering van de woningen en onderneming van de man. Met betrekking tot de woningen en de onderneming hebben zij vaststellingsovereenkomsten gesloten. Bij verkoop van de aan de vrouw toebedeelde woning, heeft de Rabobank een zakelijke schuld van de man op de verkoopopbrengst verhaald. De vrouw wil dat de man dit aan haar vergoedt. 

De vrouw heeft haar vorderingen gebaseerd o p nakoming uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst, schadevergoeding door tekortkoming in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst en (na wijziging) ongerechtvaardigde verrijking. De man heeft zich daarop verweerd. Het hof heeft de rechtsgrond ambtshalve aangevuld, en zijn beslissing erop gebaseerd dat  partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schuld, dat de schuld aan de man is toebedeeld en dat de man daarom in de onderlinge verhouding tussen partijen volledig voor rekening van de man komt. 

De Hoge Raad oordeelt dat in deze casus, gelet op het partijdebat, de man er niet van uit hoefde te gaan dat het hof zijn beslissing hier op zou baseren, en dat het hof de man ter voorkoming van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing in de gelegenheid had moeten stellen om zich hier over uit te laten.

Lees verder
 

Alle belanghebbenden oproepen bij curatele, onderbewindstelling en mentorschap. En de band met de betrokkene meenemen in de beoordeling.

Nr: 25005 Hoge Raad der Nederlanden, 20-12-2024 ECLI:NL:HR:2024:1892 Jurisprudentie Rechtseenheid Curatele, bewind en mentorschap
Procesrecht
798 lid 2 Rv; 800 Rv; 282 Rv; 361 Rv; 362 Rv; 1:435 lid 3 BW en 1:452 lid 4 BW

Rechtsvraag

Is het erg als niet alle belanghebbenden zijn betrokken in de procedure over curatele, onderbewindstelling en/of mentorschap? En is bij de vraag of een kind als bewindvoerder of mentor moet worden benoemd, de eerdere verstandhouding met de betrokkene van belang?

Overweging

De klacht luidt dat de beslissing in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor tot stand is gekomen. Het hof heeft in deze zaak in eerste instantie niet alle kinderen van de betrokkene in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen en opgeroepen voor de mondelinge behandeling. Het hof kwam er tijdens de mondelinge behandeling pas achter dat de betrokkene nog meer kinderen had, en heeft die kinderen na de mondelinge behandeling wel in de gelegenheid gesteld om te reageren op het proces verbaal. De Hoge Raad oordeelt dat het hof een nieuwe mondelinge behandeling had moeten plannen, en daar alle belanghebbenden voor had moeten uitnodigen. 

Daarnaast overweegt de Hoge Raad dat bij de beoordeling van de vraag of een familielid als bewindvoerder of mentor moet worden benoemd, mee kan worden gewogen hoe de verstandhouding tussen de betrokkene en het kind is/was. De wettelijke voorkeursregeling van art. 1:435 lid 3 BW en art. 1:452 lid 4 BW berust erop dat de betrokkene vaak het meest vertrouwd is met mensen uit zijn naaste omgeving en dat die geacht worden het beste in staat te zijn de wil van betrokkene te vertolken en de belangen van betrokkene te behartigen. Bij de beoordeling van de geschiktheid van een familielid dat bereid is op te treden als bewindvoerder of mentor, kan de rechter betrekken of, gelet op de band en verstandhouding tussen het familielid en de betrokkene, de veronderstelling waarop de wettelijke voorkeursregeling is gebaseerd, ook in het concrete geval juist is.

 

Lees verder
 

Ouder zonder gezag die kind verzorgt is ook 'een ander dan zijn voogd' in de zin van artikel 1:336a BW. Spoedbeslissing ex 800 Rv mogelijk.

Nr: 25006 Hoge Raad der Nederlanden, 20-12-2024 ECLI:NL:HR:2024:1895 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Jeugdrecht
Procesrecht
1:336a BW; 807 aanhef en onder c Rv; 800 Rv

Rechtsvraag

Kan de GI (zijnde de voogd) een verzoek doen ex 1:336a BW in het geval de kinderen met toestemming van de GI bij de moeder zonder gezag wonen? En kan op zo'n verzoek worden beslist zonder voorafgaande mondelinge behandeling? En geldt het rechtsmiddelenverbod ex 807 Rv dan ook?

Overweging

De Hoge Raad oordeelt dat 1:336a BW ook van toepassing is wanneer de kinderen met toestemming van de GI (zijnde de voogd) verblijven bij de moeder zonder gezag. In dit geval is de moeder gelijk te stellen aan 'een ander dan zijn voogd' en bestaan er voor de moeder zonder gezag dezelfde waarborgen in de wet als voor de pleegouder. Het rechtsmiddelenverbod ex 807 Rv geldt daarom ook in het geval 'een ander dan zijn voogd' in kwestie de ouder zonder gezag is. 

Het hof mocht deze beslissing nemen zonder voorafgaande mondelinge behandeling. De moeder is niet in haar belangen geschaad, want het hof heeft haar daarna alsnog gehoord. Wel merkt de Hoge Raad daarbij op dat de rechter in een procedure waarin over een kinderbeschermingsmaatregel wordt beslist die inbreuk maakt op het door art. 8 EVRM beschermde familie- en gezinsleven van een ouder met het kind, de rechter het standputn van de ouder ten volle in de beoordeling dient te betrekken. Dat betekent dat de rechter die ex 800 lid 3 Rv een beschikking heeft gegeven zonder oproeping van de ouder, het inleidend verzoek volledig opnieuw dient te beoordelen nadat de ouder alsnog is gehoord.

Lees verder
 

In verplichte zorg zaken moet de rechter onderzoeken of de betrokkene gehoord wil worden

Nr: 25007 Hoge Raad der Nederlanden, 20-12-2024 ECLI:NL:HR:2024:1890 Jurisprudentie Rechtseenheid Wvggz 6:1 Wvggz

Rechtsvraag

Mag de rechter op basis van de mededeling van de advocaat dat betrokkene niet bij de mondelinge behandeling aanwezig wil zijn, concluderen dat de betrokkene niet bereid is om door de rechter gehoord te worden?

Overweging

In eerste aanleg lag er een verzoek ex 6:1 Wvggz voor. Betrokkene is niet ter zitting verschenen en de advocaat van betrokkene heeft verklaard dat betrokkene niet aanwezig wenste te zijn bij de mondelinge behandeling. De rechter heeft de mondelinge behandeling zonder betrokkene voortgezet en een zorgmachtiging van 12 maanden verleend. 

De Hoge Raad overweegt dat uit artikel 6:1 lid 1 Wvggz volgt dat de rechter de betrokkene na ontvangst van het verzoekschrift moet horen, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet bereid is of niet in staat is om zich te doen horen. De rechter heeft een onderzoeksplicht naar de bereidheid van de betrokkene om gehoord te worden, en moet motiveren op grond waarvan hij vaststelt dat die bereidheid ontbreekt. De Hoge Raad oordeelt dat de rechter heeft miskend dat betrokkene weliswaar heeft aangegeven niet bij de mondelinge behandeling aanwezig te willen zijn, maar dat daaruit nog niet kan worden afgeleid dat de bereidheid om gehoord te worden - bijvoorbeeld in de eigen woonplaats - bij betrokkene ontbrak.

Lees verder
 

Niet-wijzigingsbeding partneralimentatie

Nr: 25009 Gerechtshof Amsterdam, 07-01-2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:34 Jurisprudentie Rechtseenheid Alimentatie 1:159 BW

Rechtsvraag

Is er sprake van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding kan worden gehouden?

Overweging

De man en de vrouw zijn in het echtscheidingsconvenant overeengekomen dat de vrouw een bedrag van € 1.253,- bruto per maand partneralimentatie aan de man zal betalen. Zij zijn een niet-wijzigingsbeding in de zin van artikel 1:159 BW overeengekomen, en hebben daarin ook omschreven in welke gevallen er sprake zou zijn van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding kan worden gehouden. Een van de genoemde situaties, is de situatie waarin de man zijn inkomen is gestegen. 

De vrouw verzoekt een wijziging van de partneralimentatie. Zij beroept zich er op dat de man bij haar de indruk had gewekt dat hij in ongeveer drie jaar zijn inkomen zou kunnen verhogen, zodat hij in zijn eigen onderhoud zou kunnen voorzien. De vrouw vindt dat de man onvoldoende aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan om zijn inkomen te verhogen, en dat zij daarom niet meer aan het niet-wijzigingsbeding kan worden gehouden. 

Het hof overweegt dat een zodanige wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:159 lid 3 BW slechts in uitzonderingsgevallen wordt aangenomen. Er dient sprake te zijn van een situatie waarin een volkomen wanverhouding is ontstaan tussen wat de man en de vrouw bij het sluiten van het convenant voor ogen stond (aan mogelijke toekomstige omstandigheden), en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en wel zo, dat het in hoge mate onbillijk zou zijn als de man de vrouw aan het beding zou houden.

Tevens overweegt het hof dat volgens vaste rechtspraak zware eisen dienen te worden gesteld, zowel aan de stelplicht van de partij die de wijziging verzoekt, als aan de motivering door de rechter die de ingrijpende beslissing neemt dat een partij niet langer aan de overeenkomst kan worden gehouden waarvan nu juist uitdrukkelijk is overeengekomen dat die niet voor wijziging vatbaar was.

Het hof concludeert dat de vrouw niet heeft voldaan aan haar verzwaarde stelplicht.

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

De geboorte van een kind of wijziging van de zorgregeling is niet zonder meer een rechtens relevante wijziging van omstandigheden voor de kinderalimentatie

Nr: 25016 Rechtbank Den Haag, 08-01-2025 ECLI:NL:GHDHA:2025:93 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Alimentatie 1:401 BW; 1:404 BW.

Rechtsvraag

Moet de rechter zonder meer een nieuwe draagkrachtvergelijking maken bij een wijziging in de inkomens- of gezinssituatie van partijen?

Overweging

In deze zaak zijn partijen in 2020 overeengekomen welk bedrag aan kinderalimentatie de man aan de vrouw moet betalen voor de kosten van de kinderen van partijen. De man heeft een wijziging verzocht omdat hij met zijn nieuwe partner een kind heeft gekregen en omdat de zorgregeling is uitgebreid. De vrouw vindt dat de man de overeengekomen bijdrage moet blijven betalen.

Het hof oordeelt dat een redelijke wetstoepassing met zich mee brengt dat bij voldoende draagkracht, een wijziging in de inkomens- of gezinssituatie van partijen nog geen relevante wijziging van omstandigheden vormt die noopt tot herberekening en aanpassing van de overeengekomen onderhoudsbijdrage en een andere onderlinge verdeling van de kosten van de kinderen.  Uit de wet volgt niet dat het hof dan zonder meer een draagkrachtvergelijking zou moeten maken. In deze zaak doet het hof dit ook niet omdat die vergelijking alleen tot gevolg zou hebben dat de ene ouder in een gunstiger situatie ten opzichte van de andere ouder wordt gebracht. Het hof meent dat een wijziging van de alimentatie onder die omstandigheden niet alleen in strijd met de strekking van artikel 1:401 jo 1:404 BW, maar ook in strijd met de gerechtvaardigde belangen van de minderjarigen. 

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Machtiging tot uithuisplaatsing na deeltijdmachtiging

Nr: 25035 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16-01-2025 ECLI:NL:GHSHE:2025:89 Jurisprudentie Geschilbeslechting Jeugdrecht 1:265b BW; 1:265c BW.

Rechtsvraag

Heeft de rechtbank miskend dat de moeder in de jaren waarin er sprake was van een deeltijdmachtiging, een constante factor is geweest als mede-opvoeder van de minderjarige?

Overweging

De minderjarige (van vier jaar oud) staat bijna drie jaar onder toezicht gesteld, en is steeds met een deeltijdmachtiging voor minimaal de helft van de week uit huis geplaatst. Tijdens de laatste machtiging is de tijd dat de minderjarige bij de moeder verblijft afgebouwd, en de tijd dat de minderjarige elders verblijft opgebouwd. Nu heeft de rechtbank een (voltijd) machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin gegeven. De GI heeft een perspectiefbesluit genomen, luidende dat het perspectief van de minderjarige niet meer bij een van de ouders ligt. De moeder voert in hoger beroep aan dat de rechtbank heeft miskend dat de moeder steeds mede-opvoeder is geweest, en dat het perspectiefbesluit onzorgvuldig is genomen. 

Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking. Ondanks de deeltijdmachtiging en de vele hulpverlening die is ingezet, is het niet gelukt om een 'goed genoeg' situatie te bereiken, zodat de minderjarige bij de moeder kan wonen. Het hof oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van de minderjarige noodzakelijk is, en dat het niet nodig is om een nader onderzoek te laten doen naar het perspectief van de minderjarig.

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Beroep op artikel 3:178 BW na verdeling niet meer mogelijk

Nr: 25012 Gerechtshof Amsterdam, 21-01-2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:120 Jurisprudentie Geschilbeslechting Huwelijksvermogensrecht 3:178 BW

Rechtsvraag

Kan de man (jaren) nadat de wijze van verdeling onherroepelijk is vastgesteld in kort geding nog wijziging van de wijze van verdeling of uitstel van de uitvoering daarvan vorderen?

Overweging

Partijen zijn gescheiden en in de echtscheidingsprocedure is de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap in 2016 onherroepelijk vastgesteld. Partijen hebben gezamenlijk drie woningen in eigendom, en daarnaast maakt een aandeel in de nalatenschap van de vrouw onderdeel uit van de huwelijksgemeenschap. Het aandeel in de nalatenschap is aan de vrouw toebedeeld, onder vergoeding van de helft van de waarde daarvan aan de man. Daarnaast is beslist dat alledrie de woningen verkocht moeten worden, onder verdeling van de opbrengst bij helfte. 

Partijen zijn niet overgegaan tot verdeling. In oktober 2023 geeft de vrouw aan dat zij alsnog wil overgaan tot verdeling, omdat de lasten van de echtelijke woning (waar zij nog woont) te hoog zijn geworden. De man wil wachten met de verdeling totdat er duidelijkheid is over de omvang van het aandeel in de nalatenschap. De vrouw vordert in kort geding een machtiging om over te gaan tot de verkoop van de woningen zonder de medewerking van de man. Deze machtiging wordt door de voorzieningenrechter toegewezen. De man is tegen dat vonnis in hoger beroep gegaan. Hij vordert dat het kort geding vonnis wordt vernietigd, en dat het hof alsnog zal bepalen dat het erfdeel van de vrouw in de nalatenschap van haar vader zonder nadere verrekening toekomt aan de vrouw en dat de woningen zonder nadere verrekening toekomen aan de man. Subsidiair vordert hij dat de verdeling met drie jaar wordt uitgesteld, onder bepaling dat de vrouw binnen twee maanden duidelijkheid moet geven over haar aandeel in de nalatenschap. 

Het hof oordeelt dat de man niet een nieuwe verdeling kan vorderen. Er ligt al een onherroepelijke beslissing van het hof over de wijze van verdeling. Het hof kan in het kader van dit kort geding geen andere wijze van verdeling gelasten dan bij de eerdere onherroepelijke beschikking is gedaan. 

Het hof oordeelt dat de man ook geen beroep kan doen op uitstel van de verdeling ex artikel 3:178 leden 3 en 4 BW, omdat de wijze van verdeling al onherroepelijk is vastgesteld. Er ligt geen vordering tot verdeling meer voor en die kan ook niet meer aanhangig worden gemaakt. In het kort geding kan enkel nog beslist worden over de feitelijke uitvoering aan een al in rechte gelaste wijze van verdeling.

Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter. De vrouw heeft een spoedeisend belang, en niet gezegd kan worden dat er sprake is van rechtsverwerking doordat zij tot voor kort niet heeft aangegeven uitvoering te willen geven aan de verdeling. Ook kan het hof niet vaststellen dat de man een zwaarder belang heeft bij het niet uitvoeren van de verdeling. 

 

 


Lees verder