VAKnieuws

Ga terug naar het VAKnieuws overzicht

Tweetrapsmaking

Nr: 26057 Hoge Raad der Nederlanden, 29-05-2026 ECLI:NL:HR:2026:813 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Erfrecht 4:71 BW; 4:137 e.v. BW

Rechtsvraag

Wie is de erfgenaam als de voorwaarde van de tweetrapsmaking op het moment van overlijden al in vervulling is gegaan? En heeft de tweetrapsmaking een waardedrukkend effect bij de bepaling van de legitieme portie?

Overweging

De erflater heeft zijn zoon en dochter als erfgenaam benoemd, maar voor beiden met de ontbindende en aansluitend opschortende voorwaarde dat in het geval hij/zij in staat van faillissement wordt verklaard of wordt toegelaten tot de WSNP, het aan hem/haar toekomende deel van de nalatenschap aan diens kinderen toekomt. 

De zoon was op het moment waarop erflater overleed al failliet verklaard. Vervolgens is hij toegelaten tot de WSNP. De bewindvoerder doet een beroep op de legtieme portie van de zoon. In geschil is of de zoon wel erfgenaam is geworden.

De Hoge Raad oordeelt van niet. Een tweetrapsmaking veronderstelt dat op het moment van overlijden de vervulling van de ontbindende en opschortende voorwaarde toekomstig en onzeker is. Als de voorwaarde op dat moment is vervuld, wordt niet de bezwaarde erfgenaam, maar uitsluitend de verwachter. De zoon was toen erflater overleed al failliet dus zijn zijn kinderen in zijn plaats erfgenaam geworden.

Ten overvloede (omdat het geschil door het voorgaande niet meer voorligt) legt de Hoge Raad nog u it dat uit de strekking van art. 4:71 BW volgt dat de invloed op de waarde van een erfrechtelijke verkrijging van een voorwaarde in een geval als dit in aanmerking moet worden genomen bij de vaststelling van de feitelijke waarde die in mindering komt op de legitieme portie. Indien het waardedrukkende effect van de voorwaarde genegeerd zou worden, zou afbreuk worden gedaan aan de aanspraak van de legitimaris op de legitieme portie.

Cursussen binnenkort:

Lees verder