VAKnieuws
Draagkracht gedetineerdeRechtsvraagHeeft de vader draagkracht om kinderalimentatie te betalen? OverwegingDe vader heeft in hoger beroep aangetoond dat hij een WIA-uitkering ontvangt en dat hij daardoor een minimale draagkracht heeft van € 50,- per maand. Daarnaast is het hof er ambtshalve mee bekend dat de vader sinds 14 januari 2026 in voorlopige hechtenis is genomen op verdenking van een niet nader genoemd - maar volgens zijn advocaat ernstig - strafbaar feit. Het is het hof bekend dat de WIA-uitkering na één maand hechtenis automatisch wordt stop gezet. Het hof gaat er daarom vanuit dat de vader vanaf 1 februari 2026 geen draagkracht meer heeft. Voor zover de vader in de afgelopen maanden meer kinderalimentatie heeft betaald dan het hof vastlegt, hoeft de moeder dat niet aan hem terug te betalen. Cursussen binnenkort: |
|
Dwangsom en proceskostenveroordelingRechtsvraagZijn er redenen om de vrouw een dwangsom en proceskostenveroordeling op te leggen? OverwegingDe vrouw heeft zich in de vaststellingsovereenkomst verplicht tot het overdragen en leveren van haar aandeel in de woning in Marokko aan de man. Vervolgens heeft zij zich jarenlang onthouden van meewerking aan die levering. De rechtbank heeft haar verplicht om mee te werken aan de overdracht en levering en heeft bepaald dat de beschikking in de plaats komt van de handeling van de vrouw. Het hof voegt daar op verzoek van de man een dwangsom aan toe omdat de man in Marokko op problemen stuit bij de tenuitvoerlegging. Het hof veroordeelt de vrouw ook in de proceskosten. Hoewel in personen- en familierechtelijke procedures op grond van artikel 237 Rv de proceskosten tussen ex-echtgenoten doorgaans worden gecompenseerd, is het hof van oordeel dat de jarenlange hardnekkige weigering van de vrouw om over te gaan tot overdracht en levering van de woning terwijl zij hiertoe meermaals in gerechtelijke procedures verplicht is geoordeeld, een forfaitaire proceskostenveroordeling in beide instanties rechtvaardigt. Al onze cursussenCentrum Permanente Educatie biedt hoogwaardige juridische cursussen, afgestemd op de praktijk en verzorgd met enthousiasme en expertise. Bekijken |
|
Minderjarige maakt gemotiveerd bezwaar tegen contactherstel met zijn vaderRechtsvraagIs contact(herstel) met de vader in het belang van de minderjarige? OverwegingHet hof oordeelt dat contact(herstel) niet in het belang van de minderjarige is. De minderjarige heeft gemotiveerd en consequent aangegeven dat hij op dit moment geen contact wil met zijn vader. Het hof overweegt dat gelet op de leeftijd van de minderjarige, er belang moet worden gehecht aan zijn mening. Het hof stelt vast dat de vader herhaaldelijk handelt op een manier die niet in het belang van de minderjarige is, onder meer door onverwachts bij zijn school te staan en zich bedreigend uit te laten over de hond, de moeder en de stiefvader van de minderjarige. De vader moet inzicht krijgen in de gevolgen van zijn handelen en uitlatingen voor de minderjarige. Cursussen binnenkort: |
|
Bruidsgave naar Iraans rechtRechtsvraagMoet de man de bruidsgave betalen aan de vrouw? OverwegingPartijen zijn in Iran gehuwd. Inmiddels wonen zij beiden in Nederland en hebben zij de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft in Nederland de echtscheiding verzocht, en die is ook uitgesproken. De vrouw doet een beroep op de bruidsgave, zoals overeengekomen in de Iraanse huwelijksakte. Het hof oordeelt dat het Iraans recht van toepassing is op de vraag of de man de bruidsgave aan de vrouw moet betalen. Of de man de bruidsgave moet betalen, is afhankelijk van de gronden van de religieuze echtscheiding naar Iraans recht. De man heeft aangegeven dat een religieuze echtscheiding in Iran voor hem van belang is. Er loopt daarover nog geen procedure. Het hof concludeert dat, hoewel de Nederlandse rechter bevoegd is hierover te oordelen, het hof het verzoek nu niet kan toewijzen omdat een Iraanse rechter bij een Iraanse echtscheidingsprocedure hier over zal oordelen en dat beter kan dan de Nederlandse rechter. Het hof overweegt als volgt: "Op grond van deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat, alhoewel de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om over het verzoek tot betaling van de bruidsgave te oordelen, het verzoek van de vrouw dienaangaande op dit moment niet kan worden toegewezen. Binnen de hiervoor beschreven context, waarbij de omvang van de eventuele aanspraak van de vrouw naar het toepasselijke recht van Iran pas wordt vastgesteld als partijen zich hebben ingespannen (of hebben kunnen inspannen) om een (religieuze) echtscheiding naar Iraans recht te verkrijgen (met de daarbij behorende kwalificatie van die echtscheiding), komt het verwijzingshof (op dit moment) niet toe aan toe- of afwijzing van het verzoek van de vrouw tot betaling van de bruidsgave. Omdat de omvang van de vordering van de vrouw geenszins vast staat, terwijl de mogelijkheid om deze omvang vastgesteld te krijgen door geen van partijen wordt benut, komt haar verzoek op dit moment dus niet voor toewijzing in aanmerking." Cursussen binnenkort: |
|
Opzettelijk verzwegen goederenRechtsvraagKan artikel 1:394 lid 2 BW van toepassing zijn als de andere deelgenoot wel op de hoogte was van het bestaan van het verborgen goed? OverwegingHet hof overweegt als volgt. Uit artikel 3:194 lid 2 vloeit niet voort dat de deelgenoot aan wie het aandeel van de andere deelgenoot wordt verbeurd met het bestaan van het verzwegen goed compleet onbekend moet zijn. Naar het oordeel van het hof geldt artikel 3:194 lid 2 BW juist onder omstandigheden als hier gegeven, ten aanzien van goederen waarvan de andere deelgenoot -in dit geval de man- het bestaan tot op zekere hoogte kent, maar het goed niet in zijn macht heeft en de precieze omvang niet kan kennen. In de onderhavige zaak vormt het door de vrouw meerdere keren ontkennen van de aanwezigheid van contant geld in de kluis in combinatie met haar passieve houding als deelgenoot bij het verkrijgen van openheid over de inhoud van de kluis omstandigheden die maken dat artikel 3:194 lid 2 BW van toepassing is, ook nu de man wist van aanwezigheid van contant geld in de kluis. Cursussen binnenkort: |
|
Peildatum waarde woningRechtsvraagNaar welke peildatum moet in de verdeling de waarde van de woning bepaald worden? OverwegingPartijen hebben in 2018 bij het hof een schikking bereikt over de wijze van verdeling van de woning. Die hebben zij niet volledig uitgevoerd. In 2024 is de woning nog steeds niet verdeeld. De man heeft de woning verkocht en de notaris heeft de helft van de overwaarde in depot gelaten. In geschil is de vraag of de vrouw recht heeft op de helft van de overwaarde anno 2024 of dat zij recht heeft op de helft van de overwaarde anno 2018. Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank dat de vrouw recht heeft op de helft van de overwaarde anno 2018. Partijen hebben immers in 2018 al afspraken gemaakt over de verdeling en de vrouw heeft nadien ook geen kosten betaald voor de woning en geen gebruiksvergoeding verzocht. Partijen hebben zich gedragen alsof de woning in 2018 al verdeeld was. Cursussen binnenkort: |
|
Rol inwonend meerderjarig kind bij het bepalen van de behoeftigheid voor de partneralimentatieRechtsvraagMoet bij het bepalen van de behoeftigheid van de vrouw rekening worden gehouden met het feit dat de thuiswonende meerderjarige zoon kostgeld aan de vrouw kan betalen? OverwegingDe 28-jarige zoon van partijen woont bij de vrouw. Hij heeft een baan en verdient ongeveer € 2.000,- netto per maand. De vrouw vraagt geen kostgeld van haar zoon, omdat zij vindt dat hij moet kunnen sparen voor een eigen woning. Het hof oordeelt dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij wel kostgeld aan haar zoon vraagt. Hij is volwassen en heeft een eigen inkomen, waarmee van hem verwacht mag worden dat hij in zijn eigen onderhoud voorziet. Het hof ziet niet in waarom niet van de zoon kan worden verwacht dat hij maandelijks bijdraagt in de woonlasten en de kosten van de huishouding analoog aan de situatie dat sprake zou zijn van een werkende inwonende partner. Dat de vrouw om haar moverende redenen geen bijdrage vraagt aan de zoon, leidt niet tot een ander oordeel. Cursussen binnenkort: |
|
Meemoeder kan ouderschap niet ontkennenRechtsvraagKan de ontkenning van het ouderschap door de meemoeder gegrond worden verklaard? OverwegingHet kind is geboren tijdens het huwelijk van moeder 1 en moeder 2, maar moeder 1 is niet van rechtswege door het huwelijk de juridisch ouder geworden van het kind omdat het kind niet afstamt van een onbekende donor. Bij de echtscheiding van de moeders is het ouderschap van moeder 1 gerechtelijk vastgesteld. Moeder 1 is daartegen destijds niet in hoger beroep gegaan. Nu wil moeder 1 haar ouderschap over het kind ontkennen. Het hof wijst dit af. Op grond van artikel 1:202a BW kan de moeder wiens ouderschap gerechtelijk is vastgesteld haar moederschap niet ontkennen op de grond dat zij niet de biologische moeder van het kind is. Ook artikel 3 van het IVRK biedt hier geen grond voor. Moeder 1 heeft zich namelijk wel als moeder over het kind ontfermd en er is een hechtingsband opgebouwd. Dat er nu geen contact is tussen moeder 1 en het kind maakt daarin geen verschil. |
|
Hoger beroep tegen schorsing tenuitvoerleggingRechtsvraagHeeft de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van de beschikking over de kinder- en partneralimentatie terecht geschorst in afwachting van het hoger beroep tegen die beschikking? OverwegingDe voorzieningenrechter heeft de tenuitvoerlegging van de beschikking over de kinder- en partneralimentatie geschorst in afwachting van het hoger beroep tegen die beschikking. De vrouw is in hoger beroep gegaan tegen het vonnis van de voorzieningenrechter. Het hof oordeelt, anders dan de voorzieningenrechter, dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat hij in een noodsituatie komt als de tenuitvoerlegging niet wordt geschorst. Dat hij in loondienst een lager inkomen heeft dan toen hij als zzp'er werkte betekent niet per se dat hij niet aan zijn onderhoudsverplichtingen kan voldoen. De man moet zijn noodsituatie aantonen, onder meer door inzicht te verschaffen in zijn vermogenspositie. Cursussen binnenkort: |
|
Samenhang echtscheiding en nevenverzoekenRechtsvraagMocht de echtscheiding worden uitgesproken onder aanhouding van de beslissing op de nevenverzoeken? OverwegingDe rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en de beslissingen op de nevenverzoeken aangehouden. De vrouw komt daartegen in hoger beroep. Zij is ernstig ziek en terminaal. Zij stelt dat zij er daarom belang bij heeft dat de echtscheiding pas wordt uitgesproken wanneer gelijktijdig kan worden beslist op de nevenverzoeken. De man stelt dat hij juist belang heeft bij het direct uitspreken van de echtscheiding, omdat de vrouw terminaal is. Het hof oordeelt dat door de vrouw onvoldoende bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd, waardoor de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen zou moeten worden hersteld door tezelfdertijd te beslissen op die verzoeken. Cursussen binnenkort: |
|
Bewind over goederen van echtgenotenRechtsvraagIs er reden om bewind in te stellen over de goederen van betrokkene? OverwegingIn eerste aanleg is het bewind uitgesproken over de goederen van betrokkene. Ook is het bewind uitgesproken over de goederen van zijn echtgenote en er is ook mentorschap voor haar uitgesproken. Zijn echtgenote verblijft in een verzorgingshuis. In hoger beroep komt betrokkene op tegen het bewind over zijn goederen. Hij vindt dat hij zelf voor zijn financiën kan zorgdragen en hij geeft aan samen te zullen werken met de bewindvoerder van zijn echtgenote. Het hof vernietigt het bewind over de goederen van betrokkene. Hij kan zijn financiën zelf regelen. Er is ten aanzien van zijn goederen niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 1:431 BW. |
|
Omgangsregeling met grootoudersRechtsvraagHeeft de grootmoeder recht op omgang met haar kleinkinderen? OverwegingHet hof oordeelt dat de rechtbank het verzoek terecht heeft getoetst aan artikel 1:377a BW, en het verzoek terecht heeft afgewezen. De grootmoeder beroept zich op het aanhangige wetsvoorstel Wet drempelverlaging omgang grootouders (‘Wet drempelverlaging omgang grootouders’, Kamerstukken II 2022/23, 36 364, nr. 1 e.v.). Het hof ziet geen aanleiding om vooruit te lopen op het wetsvoorstel omdat het nog aanhangig is bij de Eerste Kamer. Verder overweegt het hof dat het enkele bestaan van een familierechtelijke betrekking niet voldoende is om aan te nemen dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking of ‘family life’. Cursussen binnenkort: |
