VAKnieuws

Machtiging tot uithuisplaatsing afgewezen

Nr: 26010 Rechtbank Gelderland, 16-01-2026 ECLI:NL:RBGEL:2026:415 Jurisprudentie Geschilbeslechting Jeugdrecht 1:265b BW

Rechtsvraag

Is het noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid om uit huis geplaatst te worden?

Overweging

De rechtbank wijst het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een netwerkpleeggezin (familie van de vader) af. De crisissituatie bij de moeder is voorbij. De moeder en de minderjarige staan niet achter de uithuisplaatsing. Daarnaast woont het netwerkpleeggezin 30 kilometer bij de school en sport van de minderjarige vandaan, waardoor de negatieve effecten van de beoogde uithuisplaatsing niet opwegen tegen de verwachte positieve effecten. Tot slot kan het in deze casus, waarin veel strijd is tussen de ouders, juist nadelig zijn dat naar een netwerkpleeggezin is gezocht.

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Met erflater getrouwde verzorgende kan geen erfgenaam zijn

Nr: 26008 Hoge Raad der Nederlanden, 16-01-2026 ECLI:NL:HR:2026:62 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Erfrecht 4:59 BW; 4:60 BW

Rechtsvraag

Maakt voor de vraag of de echtgenote  als beroepsbeoefenaar op het gebied van de individuele gezondheidszorg in de zin van art. 4:59 BW moet worden aangemerkt, nog uit of zij al dan niet BIG-geregistreerd was?

Overweging

De Hoge Raad oordeelt dat het voor de vraag of de echtgenote een beroepsbeoefenaar in de zin van artikel 4:59 BW was, niet uit maakt of zij BIG-geregistreerd was. De Wet BIG geeft aan dat een BIG-registratie voorwaarde is voor het voeren van bepaalde titels en het uitoefenen van bepaalde zorgtaken, maar het is niet zo dat een BIG-registratie een voorwaarde is voor het mogen uitoefenen van een beroep in de individuele gezondheidszorg.

De echtgenote kan niet van de erflater erven omdat zij de erflater heeft verzorgd gedurende de ziekte waaraan hij overleden is.

Lees verder

Al onze cursussen

Centrum Permanente Educatie biedt hoogwaardige juridische cursussen, afgestemd op de praktijk en verzorgd met enthousiasme en expertise.

Bekijken
 

Zware motiveringsplicht bij ontzegging omgang

Nr: 26007 Hoge Raad der Nederlanden, 16-01-2026 ECLI:NL:HR:2026:61 Jurisprudentie Rechtseenheid Gezag en omgang 1:377a BW

Rechtsvraag

Heeft het hof de ontzegging van de omgang voldoende gemotiveerd?

Overweging

De Hoge Raad overweegt dat aan de ontzegging van het recht op omgang ex 1:377a BW een zware motiveringsplicht kleeft. In eerste aanleg was het uitgangspunt dat er omgang moest zijn tussen de moeder en het kind. In hoger beroep hebben de pleegouders hun verzoek vermeerderd en ontzegging van de omgang verzocht. Het hof heeft dit toegewezen maar heeft niet onderzocht en gemotiveerd waarom niet volstaan kon worden met een verdere beperking van de omgangsregeling. Dat had het hof wel moeten doen.

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Voorlopige voorziening vervangende toestemming om kind uit de VS terug te laten keren

Nr: 26011 Rechtbank Gelderland, 15-01-2026 ECLI:NL:RBGEL:2026:329 Jurisprudentie Geschilbeslechting Gezag en omgang
Internationale Kinderontvoering
223 Rv

Rechtsvraag

Kan de rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening beslissen dat het kind naar Nederland moet terugkeren?

Overweging

De moeder is met toestemming van de vader met de kinderen op vakantie gegaan naar de Verenigde Staten maar is daar vervolgens gebleven. Het toeristenvisum van de moeder en kinderen is inmiddels verlopen, en ICE heeft al bij hen aan de deur gestaan. Het risico op een deportatieprocedure, met mogelijke traumatische gebeurtenissen, is aanwezig. De rechtbank verleent aan de vader bij wijze van voorlopige voorziening vervangende toestemming om kind 3 naar Nederland te laten reizen. De rechtbank acht het in dit geval niet in het belang van het kind om een teruggeleidingsprocedure in de Verenigde Staten af te wachten, en acht zich in de gegeven omstandigheden bevoegd om te beslissen.

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Erkenning van op 12-jarige leeftijd in Eritrea gesloten huwelijk

Nr: 26003 Rechtbank Rotterdam, 08-01-2026 ECLI:NL:RBROT:2026:3 Jurisprudentie Rechtseenheid Algemeen
Procesrecht
10:31 BW en 10:32 BW

Rechtsvraag

Kan het huwelijk erkend worden nu het huwelijk in Eritrea is gesloten toen de vrouw 12 jaar oud was?

Overweging

De vrouw heeft de echtscheiding verzocht. De rechtbank moet eerst beoordelen of het huwelijk kan worden erkend. De rechtbank concludeert dat het huwelijk naar Eritrees recht rechtsgeldig is geworden doordat de vrouw en de man na haar meerderjarigheid getrouwd zijn gebleven. Doordat het huwelijk is gesloten toen de vrouw 12 jaar was, is het huwelijk in beginsel niet voor erkenning vatbaar. De rechtbank erkent het huwelijk alsnog omdat de vrouw op meerderjarige leeftijd voor de Nederlandse burgerlijke stand onder ede heeft verklaard dat zij was gehuwd met de man. Daaruit maakt de rechtbank op dat de vrouw op dat moment, terwijl zij al meerderjarig was, het huwelijk erkend wilde zien.

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Ambtshalve beslissing contactregeling

Nr: 26004 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23-12-2025 ECLI:NL:GHARL:2025:8520 Jurisprudentie Rechtseenheid Jeugdrecht 1:265f lid 2 BW

Rechtsvraag

Kan het hof de contactregeling beëindigen terwijl de moeder in hoger beroep juist om een ruimere contactregeling verzoekt?

Overweging

Het kind staat onder toezicht en is uit huis geplaatst. In eerste aanleg is een contactregeling vastgelegd waarbij de moeder het kind eens per acht weken maximaal een uur kan zien onder begeleiding. De moeder komt daartegen in hoger beroep. Zij wil een ruimere regeling. Gelet op het verweer van de GI, waar nieuwe feiten en omstandigheden uit blijken, maakt het hof gebruik van de ambtshalve bevoegdheid uit artikel 1:265f BW om een regeling vast te stellen die het hof noodzakelijk vindt in het belang van het kind. En die regeling houdt in dat er voorlopig geen enkel contact plaatsvindt, totdat de moeder voldoet aan door de GI te stellen voorwaarden.

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

X-registratie

Nr: 26001 Hoge Raad der Nederlanden, 19-12-2025 ECLI:NL:HR:2025:1959 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Algemeen 392 Rv; 8 EVRM; 393 lid 8 Rv

Rechtsvraag

De rechtbank Noord-Nederland heeft prejudiciële vragen gesteld over de mogelijkheid van wijziging en/of aanvulling van de geslachtsregistratie naar een non-binaire geslachtsregistratie, onder verwijzing naar de eerdere prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van  4 maart 2022 (ECLI:NL:HR:2022:336).

Overweging

Wederom ziet de Hoge Raad af van beantwoording van de prejudiciële vragen, omdat er nog geen wetgeving over non-binaire en/of geslachtsneutrale geslachtsregistratie bestaat en de Hoge Raad in de ontwikkelingen sinds de prejudiciële beslissing van 4 maart 2022 geen aanleiding ziet om nu anders te beslissen. 

Lees verder
 

Screening pleeggezin

Nr: 26002 Hoge Raad der Nederlanden, 19-12-2025 ECLI:NL:HR:2025:1948 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Jeugdrecht 392 Rv; 5.1 Jeugdwet; 1:247 BW en 1:248 BW

Rechtsvraag

Vraag 1 

Is het, gelet op het in de tussenbeschikking van 16 juli 2024 ten aanzien van het toepasselijke verdragsrecht en het wettelijk kader overwogene, mogelijk om een kind toch in een pleeggezin te plaatsen als geen pleegzorgscreening heeft plaatsgevonden, die screening niet positief is of wanneer de pleegzorgaanbieder tot de slotsom komt dat de plaatsing grote veiligheidsrisico's voor een kind met zich brengt en daarom geen verantwoordelijkheid voor die plaatsing wil dragen?

Vraag 2 

De rechter constateert dat in de huidige voogdijregeling een effectief rechtsmiddel om geschillen over de uitvoering van de voogdij aan de rechter voor te leggen, ontbreekt. Moet in geval van een zodanig geschil de rechter naar analogie art. 1:253a dan wel 1:377a BW toepassen, of is sprake van een zodanig hiaat in de huidige voogdijregeling dat dit de rechtsvormende taak van de rechter overstijgt en de wetgever in dit hiaat moet voorzien?

Overweging

Beantwoording vraag 1: De Hoge Raad oordeelt kort gezegd dat een negatieve uitkomst van de screening van het pleeggezin door de pleegzorgaanbieder niet als zodanig in de weg staat aan plaatsing van het kind bij dat gezin. De uitkomst van de screening zal voor de gecertificeerde instelling bij de bepaling van de verblijfplaats van het kind en voor de rechter bij het beslissen op het verzoek tot het verlenen of verlengen van een machtiging uithuisplaatsing wel een rol spelen maar ook andere informatie kan een rol spelen. De GI en de rechter moeten de veiligheid van het kind voorop stellen. 

Beantwoording vraag 2: De wet biedt voor de ouders zonder gezag geen regeling met betrekking tot geschillen over de uitvoering van de voogdij. Dat is geen hiaat in de wet waar de rechter in zou moeten voorzien.

 

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Verdeling aandelen uit de huwelijksgemeenschap

Nr: 26006 Gerechtshof Den Haag, 17-12-2025 ECLI:NL:GHDHA:2025:2756 Jurisprudentie Geschilbeslechting Huwelijksvermogensrecht 1:100 BW; 3:185 BW

Rechtsvraag

Hoe moeten de aandelen verdeeld worden en tegen welke waarde?

Overweging

In de ontbonden huwelijksgemeenschap vallen de aandelen in drie vennootschappen. De rechtbank heeft deze aandelen aan de man toegedeeld tegen een waarde van  € 4.675.925,- onder de verplichting de helft van de waarde aan de vrouw te voldoen. De man komt daar tegen op in hoger beroep. Hij vindt dat de aandelen geen waarde hebben omdat de vennootschappen flinke schulden hebben. Een van de vennootschappen is failliet verklaard. De man verzoekt onder meer primair om de aandelen aan de vrouw toe te delen tegen een waarde van nul euro. De vrouw is het daar niet mee eens en vindt dat de bestreden beschikking op dat punt moet worden bekrachtigd, en dat bij vernietiging van de beschikking alsnog een deskundigenonderzoek moet worden gelast naar de waarde van de aandelen en de omvang van de schulden, en de vraag of die door de vennootschappen kunnen worden terugbetaald.

Het hof deelt de aandelen toe aan de vrouw tegen een waarde van nul euro, onder de vermelding dat de vrouw als zij enig aandeelhouder is, zelf kan laten onderzoeken of de man als DGA wanbeleid heeft gevoerd en of er nog geld in de vennootschappen zit.

Lees verder
 

Meemoeder kan ouderschap niet ontkennen

Nr: 26009 Gerechtshof Amsterdam, 16-12-2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:3448 Jurisprudentie Rechtseenheid Afstamming en adoptie 1:198 BW; 1:202a BW

Rechtsvraag

Kan de ontkenning van het ouderschap door de meemoeder gegrond worden verklaard?

Overweging

Het kind is geboren tijdens het huwelijk van moeder 1 en moeder 2, maar moeder 1 is niet van rechtswege door het huwelijk de juridisch ouder geworden van het kind omdat het kind niet afstamt van een onbekende donor. Bij de echtscheiding van de moeders is het ouderschap van moeder 1 gerechtelijk vastgesteld. Moeder 1 is daartegen destijds niet in hoger beroep gegaan. 

Nu wil moeder 1 haar ouderschap over het kind ontkennen. Het hof wijst dit af. Op grond van artikel 1:202a BW kan de moeder wiens ouderschap gerechtelijk is vastgesteld haar moederschap niet ontkennen op de grond dat zij niet de biologische moeder van het kind is.

Ook artikel 3 van het IVRK biedt hier geen grond voor. Moeder 1 heeft zich namelijk wel als moeder over het kind ontfermd en er is een hechtingsband opgebouwd. Dat er nu geen contact is tussen moeder 1 en het kind maakt daarin geen verschil.

Lees verder
 

Gezamenlijk gezag gelijktijdig met vervangende toestemming erkenning

Nr: 25121 Hoge Raad der Nederlanden, 05-12-2025 ECLI:NL:HR:2025:1853 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Erkenning
Gezag en omgang
1:204 BW; 1:253c BW

Rechtsvraag

Kan de rechter bij de verlening van vervangende toestemming tot erkenning van een kind, gelijktijdig het gezamenlijk gezag over dat kind toekennen?

Overweging

Het hof heeft aan de man vervangende toestemming verleend tot erkenning van het kind, en daarbij direct ook onder opschortende voorwaarde van inschrijving van die erkenning in de registers van de burgerlijke stand, bepaald dat de man samen met de moeder van het kind het ouderlijk gezag zal uitoefenen. 

De moeder klaagt in cassatie dat het hof niet had kunnen beslissen over het gezag, omdat op grond van  artikel 1:253c lid 1 BW een verzoek tot toekenning van al dan niet gezamenlijk gezag over een kind alleen kan worden gedaan door de tot het gezag bevoegde ouder van het kind. De moeder betoogt dat zolang het kind niet is erkend, er geen tot gezag bevoegde ouder is, en het verzoek tot toekenning van al dan niet gezamenlijk gezag niet kan worden gedaan en niet inhoudelijk kan worden behandeld.

De Hoge Raad oordeelt dat de wet er niet aan in de weg staat dat een ouder die vervangende toestemming tot erkenning verzoekt, gelijktijdig een verzoek doet over het ouderlijk gezag. De rechter zal wel eerst het verzoek betreffende de erkenning moeten beoordelen. Daarnaast moet bij toewijzing van beide verzoeken voorkomen worden dat er gezamenlijk gezag tot stand komt terwijl de erkenning niet daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dat kan door de vervangende toestemming tot erkenning in een tu ssenbeschikking toe te wijzen, of zoals het hof heeft gedaan met een opschortende voorwaarde.

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Beëindiging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing na vier jaar

Nr: 25124 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 02-12-2025 ECLI:NL:GHARL:2025:7674 Jurisprudentie Geschilbeslechting Jeugdrecht Artikel 1:255 BW, 1:265b BW en 1:265c BW

Rechtsvraag

Is er nog grond voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing?

Overweging

De minderjarige woont al vier jaar in een pleeggezin. Volgens de vorige GI had de minderjarige zijn perspectief bij de pleegmoeder. De pleegmoeder is ernstig ziek en de minderjarige kan daar niet lang meer blijven. De nieuwe GI heeft positieve ervaringen met de moeder en ziet geen zorgen rondom het contact en haar opvoedvaardigheden meer. De nieuwe GI wil een nieuw perspectiefonderzoek uitvoeren, maar is daar door interne omstandigheden nog niet aan toe gekomen. 

Het hof vernietigt de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. De minderjarige kan volgens het hof weer bij de moeder wonen. De ondertoezichtstelling wordt praktisch al langere tijd niet meer uitgevoerd en de GI heeft niet duidelijk kunnen maken waarom overplaatsing naar een ander pleeggezin de voorkeur heeft boven terugplaatsing bij de moeder.

Cursussen binnenkort:

Lees verder