VAKnieuws
Voorzieningenrechter fungeert in kort geding als 'restrechter'RechtsvraagKan moeder zich tot de voorzieningenrechter wenden omdat zij het niet eens is met de door de GI opgestelde contactregeling? OverwegingDe voorzieningenrechter verklaart de moeder niet-ontvankelijk. Zij kan zich enkel in kort geding tot de voorzieningenrechter wenden als er geen andere snelle procedure open staat. Voor deze situatie staat de snelle procedure op grond van artikel 1:265f BW open. Cursussen binnenkort: |
|
Dwangsom en proceskostenveroordelingRechtsvraagZijn er redenen om de vrouw een dwangsom en proceskostenveroordeling op te leggen? OverwegingDe vrouw heeft zich in de vaststellingsovereenkomst verplicht tot het overdragen en leveren van haar aandeel in de woning in Marokko aan de man. Vervolgens heeft zij zich jarenlang onthouden van meewerking aan die levering. De rechtbank heeft haar verplicht om mee te werken aan de overdracht en levering en heeft bepaald dat de beschikking in de plaats komt van de handeling van de vrouw. Het hof voegt daar op verzoek van de man een dwangsom aan toe omdat de man in Marokko op problemen stuit bij de tenuitvoerlegging. Het hof veroordeelt de vrouw ook in de proceskosten. Hoewel in personen- en familierechtelijke procedures op grond van artikel 237 Rv de proceskosten tussen ex-echtgenoten doorgaans worden gecompenseerd, is het hof van oordeel dat de jarenlange hardnekkige weigering van de vrouw om over te gaan tot overdracht en levering van de woning terwijl zij hiertoe meermaals in gerechtelijke procedures verplicht is geoordeeld, een forfaitaire proceskostenveroordeling in beide instanties rechtvaardigt. Al onze cursussenCentrum Permanente Educatie biedt hoogwaardige juridische cursussen, afgestemd op de praktijk en verzorgd met enthousiasme en expertise. Bekijken |
|
Voorlopige voorziening beperken omgangRechtsvraagZijn er redenen om voor de duur van het geding in hoger beroep bij wijze van voorlopige voorziening het contact met de vader te beperken? OverwegingHet hof wijst het verzoek van de moeder af. De zorgregeling is tot nu toe gewoon uitgevoerd. Het is niet in geschil dat de minderjarige het moeilijk heeft met de situatie tussen de ouders maar het staat niet vast dat dit komt door gedragingen van de vader. Het hof ziet het op dit moment als strijdig met het belang van de minderjarige om het contact te beperken, onder meer omdat hij dan ook de vaantie met zijn vader en vier halfbrusjes moet missen. Cursussen binnenkort: |
|
Eenhoofdig gezag op verzoek Raad voor de KinderbeschermingRechtsvraagStaat het beëindigen van het gezag van de vader in een redelijke verhouding tot het doel om de ontwikkelingsbedreiging van het kind weg te nemen? OverwegingDe rechtbank beëindigt op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming het ouderlijk gezag van de vader, zodat de moeder belast wordt met het eenhoofdig gezag. Er is een jarenlange strijd tussen de ouders waardoor het kind klem zit. Ondertoezichtstelling heeft geen verschil kunnen maken. Inmiddels is duidelijk dat hier niet sprake is van de situatie "waar er twee strijden hebben er twee schuld". De vader gaat niet alleen de strijd aan met de moeder maar ook met hulpverlening. Hij is wantrouwend naar de overheid en staat niet open voor andere visies dan die van hemzelf. Hij accepteert de moeder niet in het leven van het kind. Na schorsing van het gezag van beide ouders is het kind opgebloeid. De moeder kan wel het gezag houden en ondertoezichtstelling is niet meer nodig, omdat de moeder goed meewerkt met de hulpverlening en er ook geen zorgen zijn over de opvoedsituatie bij de moeder. Het recht op omgang wordt niet aan de vader ontzegd maar wel wordt aan hem een stappenplan opgelegd als voorwaarde voor het hervatten van contact met het kind. Dit stappenplan omvat onder andere psycho-educatie en psychologisch diagnostisch onderzoek. Cursussen binnenkort: |
|
Duurzame ontwrichting huwelijkRechtsvraagIs de vrouw in staat haar wil te bepalen met betrekking tot de echtscheiding? OverwegingDe man heeft aangevoerd dat de vrouw een psychische stoornis heeft en dat zij niet in staat is haar wil te bepalen. Hij denkt dat zij het verzoek tot echtscheiding heeft ingediend onder druk van haar familie. Hij wil dat het verzoek tot echtscheiding wordt afgewezen. Het hof stelt voorop dat uit het feit dat de vrouw in het verleden psychologische begeleiding had en nog steeds heeft, niet kan worden afgeleid dat er sprake is van een zodanige psychische stoornis dat zij niet in staat zou zijn om haar wil te bepalen, zoals bedoeld in artikel 3:34 BW. Het is het hof niet gebleken dat de vrouw niet in staat zou zijn haar wil te bepalen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de moeder ten tijde van het indienen van het verzoek tot echtscheiding of nadien leed of lijdt aan een geestelijke stoornis op grond waarvan zij niet in staat was om haar wil te bepalen. Of dat zij dat verzoek gedaan heeft onder invloed van bedreiging of misbruik van omstandigheden. Het hof is van oordeel dat de moeder voldoende heeft gesteld om aan te nemen dat het huwelijk duurzaam ontwricht is.
Cursussen binnenkort: |
|
Beloning bewindvoerderRechtsvraagHeeft een bewindvoerder recht op vergoeding voor werkzaamheden in verband met een verhuizing van de rechthebbende? OverwegingUit de toelichting over art. 3 lid 5, aanhef en onder b, Regeling beloning volgt dat een bewindvoerder recht heeft op een adequate beloning voor werkzaamheden die hij moet verrichten met betrekking tot een verhuizing van de rechthebbende als er geen mentor is die de verhuizing kan regelen. Met de hiervoor genoemde uitgangspunten die aan de Regeling beloning ten grondslag liggen, strookt dat de bewindvoerder steeds recht heeft op de beloning van art. 3 lid 5, aanhef en onder b, Regeling beloning, als de rechthebbende verhuist en er geen mentor is om de verhuizing voor de rechthebbende te regelen. Gelet op de keuze van de wetgever voor een forfaitair systeem dat eenvoudig is te hanteren, is daarbij niet van belang of de rechthebbende zelf in staat is de verhuizing te regelen. Cursussen binnenkort: |
|
Goud in de kluis: stelplicht en bewijslastRechtsvraagWie draagt de bewijslast van de stelling dat de man over het goud beschikt? OverwegingDe vrouw verzoekt om afgifte door de man van (de helft van) het goud aan haar, althans vergoeding van de waarde daarvan. Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv moet de vrouw de feiten stellen en, zo nodig, bewijzen die kunnen leiden tot dit door haar ingeroepen rechtsgevolg. Het is dus aan de vrouw om te stellen en, zo nodig, te bewijzen, dat de man over het goud beschikt. De vrouw heeft in dit verband gesteld dat de man de beschikking over het goud heeft; hij heeft het volgens haar uit de kluis gehaald en onder zijn beheer genomen. Tegenover deze stelling van de vrouw heeft de man aangevoerd dat hij het goud in de echtelijke woning bij de vrouw heeft achtergelaten. Dit betoog van de man is een betwisting van het door de vrouw aan haar verzoek ten grondslag gelegde feit dat de man de beschikking over het goud heeft. Het oordeel van het hof dat de bewijslast van het betoog van de man over het goud bij hem ligt, geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Cursussen binnenkort: |
|
Bruidsgave naar Iraans rechtRechtsvraagBrengt het enkele feit dat het Nederlandse recht geen khul echtscheiding kent, mee dat de bepalingen van het Iraanse recht over de khul echtscheiding terzijde kunnen worden geschoven bij de beoordeling van de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave? OverwegingDe Hoge Raad overweegt dat in cassatie vaststaat dat de rechten en verplichtingen van partijen ten aanzien van de bruidsgave worden beheerst door het Iraanse recht en oordeelt dat dit betekent dat de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave moet worden beoordeeld aan de hand van het Iraanse recht. Daartoe moet worden onderzocht welke betekenis naar Iraans recht toekomt aan de omstandigheid dat de Nederlandse rechter op verzoek van de vrouw, met toepassing van Nederlands recht, de echtscheiding tussen partijen heeft uitgesproken (zie hiervoor in 2.2.1), en de omstandigheid dat het Nederlandse recht geen khul echtscheiding kent. Voor de beoordeling van de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave kon het hof dan ook niet volstaan met zijn oordeel dat het Nederlandse recht geen khul echtscheiding kent. De Hoge Raad merkt op dat na verwijzing moet worden onderzocht of de toepassing van het Iraanse recht op de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave leidt tot een resultaat dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde in de zin van art. 10:6 BW. Cursussen binnenkort: |
|
Stelplicht en bewijslastverdelingRechtsvraagOp wie rust de bewijslast over het al dan niet bestaan van een bankrekening in Tsjechië op naam van de vrouw? OverwegingDe Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof op drie onderdelen. De Hoge Raad acht het oordeel van het hof dat op de man de bewijslast rust ten aanzien van zijn stelling dat de vrouw nog een bankrekening met saldo heeft in Tsjechië. Ook acht de Hoge Raad het oordeel van het hof dat het 843a (oud) BW-verzoek van de man onvoldoende gespecificeerd is onbegrijpelijk. Daarnaast heeft het hof op verzoek van de man geoordeeld dat de aflossing op de huwelijkse schulden volledig in mindering wordt gebracht op zijn draagkracht voor de kinderalimentatie, maar daarbij opgenomen dat dit betekent dat de man geen regresvordering meer heeft op de vrouw. Met deze beslissing is het hof volgens de Hoge Raad buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.
Cursussen binnenkort: |
|
Behoeftigheid bij verblijf zonder verblijfsvergunningRechtsvraagHeeft de vrouw zonder verblijfsvergunning een verdiencapaciteit? OverwegingSinds de echtscheiding heeft de vrouw geen geldige titel van verblijf in Nederland. Haar verzoek om een verblijfsvergunning is afgewezen. Zij mag haar beroep in Nederland afwachten. Het hof heeft overwogen dat de vrouw zonder verblijfsvergunning niet mag werken, maar vervolgens aan haar wel een verdiencapaciteit toegekend gelijk aan het minimumloon, ook gedurende de periode waarin zij haar beroep in Nederland afwacht. De Hoge Raad acht dit een onbegrijpelijk oordeel. Cursussen binnenkort: |
|
Economisch eigendomRechtsvraagKan economisch eigendom tot een huwelijksgemeenschap behoren? OverwegingDe A-G concludeert dat ‘economische eigendom’ als zodanig geen goed is in de zin van art. 3:1 BW en daarom kan het als zodanig niet in een huwelijksgemeenschap vallen. Dit sluit echter niet uit dat een recht dat ontleend wordt aan een rechtsverhouding tussen de eigenaar – dus in juridische zin – en de belanghebbende wél als goed wordt gekwalificeerd. Vorderingsrechten zijn vermogensrechten als bedoeld in art. 3:6 BW, en daarmee goederen als bedoeld in art. 3:1 BW die dus in de gemeenschap van goederen kunnen vallen (art. 1:94 lid 2 BW). Cursussen binnenkort: |
|
PerspectiefbesluitRechtsvraagWelke ruimte bestaat er voor een rechterlijke toetsing van het perspectiefbesluit in het kader van een procedure tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing (art. 1:265c lid 2 BW)? OverwegingDe AG is van oordeel dat de uitspraak in HR 1 september 2023 zo moet worden begrepen dat bij de beoordeling van een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing enkel ruimte bestaat voor een beoordeling van het tijdelijke opgroeiperspectief van de minderjarige, voor de duur van de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Het rechterlijke oordeel over het opgroeiperspectief van de minderjarige beperkt zich in dat geval tot de duur van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en zegt nog niets over de vraag waar de minderjarige structureel zal opgroeien. De vraag naar het structurele opgroeiperspectief van de minderjarige hoort niet thuis in een procedure op grond van art. 1:265c lid 2 BW, maar in een procedure tot gezagsbeëindiging op grond van art. 1:266 lid 1 sub a BW. Cursussen binnenkort: |
