VAKnieuws

Voorzieningenrechter fungeert in kort geding als 'restrechter'

Nr: 26081 Rechtbank Oost-Brabant, 29-07-2026 ECLI:NL:RBOBR:2026:5547 Jurisprudentie Rechtseenheid Procesrecht 254 RV; 1:265f BW.

Rechtsvraag

Kan moeder zich tot de voorzieningenrechter wenden omdat zij het niet eens is met de door de GI opgestelde contactregeling?

Overweging

De voorzieningenrechter verklaart de moeder niet-ontvankelijk. Zij kan zich enkel in kort geding tot de voorzieningenrechter wenden als er geen andere snelle procedure open staat. Voor deze situatie staat de snelle procedure op grond van artikel 1:265f BW open. 

Lees verder
 

Dwangsom en proceskostenveroordeling

Nr: 26083 Gerechtshof Amsterdam, 28-07-2026 ECLI:NL:GHAMS:2026:2069 Jurisprudentie Geschilbeslechting Procesrecht 237 Rv

Rechtsvraag

Zijn er redenen om de vrouw een dwangsom en proceskostenveroordeling op te leggen?

Overweging

De vrouw heeft zich in de vaststellingsovereenkomst verplicht tot het overdragen en leveren van haar aandeel in de woning in Marokko aan de man. Vervolgens heeft zij zich jarenlang onthouden van meewerking aan die levering. De rechtbank heeft haar verplicht om mee te werken aan de overdracht en  levering en heeft bepaald dat de beschikking in de plaats komt van de handeling van de vrouw. Het hof voegt daar op verzoek van de man een dwangsom aan toe omdat de man in Marokko op problemen stuit bij de tenuitvoerlegging.   

Het hof veroordeelt de vrouw ook in de proceskosten. Hoewel in personen- en familierechtelijke procedures op grond van artikel 237 Rv de proceskosten tussen ex-echtgenoten doorgaans worden gecompenseerd, is het hof van oordeel dat de jarenlange hardnekkige weigering van de vrouw om over te gaan tot overdracht en levering van de woning terwijl zij hiertoe meermaals in gerechtelijke procedures verplicht is geoordeeld, een forfaitaire proceskostenveroordeling in beide instanties rechtvaardigt.

Lees verder

Al onze cursussen

Centrum Permanente Educatie biedt hoogwaardige juridische cursussen, afgestemd op de praktijk en verzorgd met enthousiasme en expertise.

Bekijken
 

Voorlopige voorziening beperken omgang

Nr: 26085 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26-07-2026 ECLI:NL:GHARL:2026:4849 Jurisprudentie Rechtseenheid Procesrecht
Gezag en omgang
223 Rv

Rechtsvraag

Zijn er redenen om voor de duur van het geding in hoger beroep bij wijze van voorlopige voorziening het contact met de vader te beperken?

Overweging

Het hof wijst het verzoek van de moeder af. De zorgregeling is tot nu toe gewoon uitgevoerd. Het is niet in geschil dat de minderjarige het moeilijk heeft met de situatie tussen de ouders maar het staat niet vast dat dit komt door gedragingen van de vader. Het hof ziet het op dit moment als strijdig met het belang van de minderjarige om het contact te beperken, onder meer omdat hij dan ook de vaantie met zijn vader en vier halfbrusjes moet missen.

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Eenhoofdig gezag op verzoek Raad voor de Kinderbescherming

Nr: 26084 Rechtbank Rotterdam, 24-07-2026 ECLI:NL:RBROT:2026:9012 Jurisprudentie Geschilbeslechting Jeugdrecht 1:266 BW; 1:267 BW.

Rechtsvraag

Staat het beëindigen van het gezag van de vader in een redelijke verhouding tot het doel om de ontwikkelingsbedreiging van het kind weg te nemen?

Overweging

De rechtbank beëindigt op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming het ouderlijk gezag van de vader, zodat de moeder belast wordt met het eenhoofdig gezag. Er is een jarenlange strijd tussen de ouders waardoor het kind klem zit. Ondertoezichtstelling heeft geen verschil kunnen maken. Inmiddels is duidelijk dat hier niet sprake is van de situatie "waar er twee strijden hebben er twee schuld". De vader gaat niet alleen de strijd aan met de moeder maar ook met hulpverlening. Hij is wantrouwend naar de overheid en staat niet open voor andere visies dan die van hemzelf. Hij accepteert de moeder niet in het leven van het kind. Na schorsing van het gezag van beide ouders is het kind opgebloeid. De moeder kan wel het gezag houden en ondertoezichtstelling is niet meer nodig, omdat de moeder goed meewerkt met de hulpverlening en er ook geen zorgen zijn over de opvoedsituatie bij de moeder. Het recht op omgang wordt niet aan de vader ontzegd maar wel wordt aan hem een stappenplan opgelegd als voorwaarde voor het hervatten van contact met het kind. Dit stappenplan omvat onder andere psycho-educatie en psychologisch diagnostisch onderzoek.

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Duurzame ontwrichting huwelijk

Nr: 26086 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23-07-2026 ECLI:NL:GHARL:2026:4829 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Echtscheiding 1:151 BW; 3:34 BW.

Rechtsvraag

Is de vrouw in staat haar wil te bepalen met betrekking tot de echtscheiding?

Overweging

De man heeft aangevoerd dat de vrouw een psychische stoornis heeft en dat zij niet in staat is haar wil te bepalen. Hij denkt dat zij het verzoek tot echtscheiding heeft ingediend onder druk van haar familie. Hij wil dat het verzoek tot echtscheiding wordt afgewezen. Het hof stelt voorop dat uit het feit dat de vrouw in het verleden psychologische begeleiding had en nog steeds heeft, niet kan worden afgeleid dat er sprake is van een zodanige psychische stoornis dat zij niet in staat zou zijn om haar wil te bepalen, zoals bedoeld in artikel 3:34 BW. Het is het hof niet gebleken dat de vrouw niet in staat zou zijn haar wil te bepalen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de moeder ten tijde van het indienen van het verzoek tot echtscheiding of nadien leed of lijdt aan een geestelijke stoornis op grond waarvan zij niet in staat was om haar wil te bepalen. Of dat zij dat verzoek gedaan heeft onder invloed van bedreiging of misbruik van omstandigheden. Het hof is van oordeel dat de moeder voldoende heeft gesteld om aan te nemen dat het huwelijk duurzaam ontwricht is. 

 

Lees verder
 

Beloning bewindvoerder

Nr: 26078 Hoge Raad der Nederlanden, 17-07-2026 ECLI:NL:HR:2026:1277 Jurisprudentie Rechtseenheid Curatele, bewind en mentorschap 1:447 lid 1 BW; art. 3 Regeling beloning.

Rechtsvraag

Heeft een bewindvoerder recht op vergoeding voor werkzaamheden in verband met een verhuizing van de rechthebbende?

Overweging

Uit de toelichting over art. 3 lid 5, aanhef en onder b, Regeling beloning volgt dat een bewindvoerder recht heeft op een adequate beloning voor werkzaamheden die hij moet verrichten met betrekking tot een verhuizing van de rechthebbende als er geen mentor is die de verhuizing kan regelen. Met de hiervoor genoemde uitgangspunten die aan de Regeling beloning ten grondslag liggen, strookt dat de bewindvoerder steeds recht heeft op de beloning van art. 3 lid 5, aanhef en onder b, Regeling beloning, als de rechthebbende verhuist en er geen mentor is om de verhuizing voor de rechthebbende te regelen. Gelet op de keuze van de wetgever voor een forfaitair systeem dat eenvoudig is te hanteren, is daarbij niet van belang of de rechthebbende zelf in staat is de verhuizing te regelen. 

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Goud in de kluis: stelplicht en bewijslast

Nr: 26079 Hoge Raad der Nederlanden, 17-07-2026 ECLI:NL:HR:2026:1292 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Huwelijksvermogensrecht
Procesrecht
150 Rv

Rechtsvraag

Wie draagt de bewijslast van de stelling dat de man over het goud beschikt?

Overweging

De vrouw verzoekt om afgifte door de man van (de helft van) het goud aan haar, althans vergoeding van de waarde daarvan. Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv moet de vrouw de feiten stellen en, zo nodig, bewijzen die kunnen leiden tot dit door haar ingeroepen rechtsgevolg. Het is dus aan de vrouw om te stellen en, zo nodig, te bewijzen, dat de man over het goud beschikt. De vrouw heeft in dit verband gesteld dat de man de beschikking over het goud heeft; hij heeft het volgens haar uit de kluis gehaald en onder zijn beheer genomen. Tegenover deze stelling van de vrouw heeft de man aangevoerd dat hij het goud in de echtelijke woning bij de vrouw heeft achtergelaten. Dit betoog van de man is een betwisting van het door de vrouw aan haar verzoek ten grondslag gelegde feit dat de man de beschikking over het goud heeft. Het oordeel van het hof dat de bewijslast van het betoog van de man over het goud bij hem ligt, geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 

Lees verder
 

Bruidsgave naar Iraans recht

Nr: 26080 Hoge Raad der Nederlanden, 17-07-2026 ECLI:NL:HR:2026:1293 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Huwelijksvermogensrecht
IPR
art. 14 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 en art. 10:6 BW.

Rechtsvraag

Brengt het enkele feit dat het Nederlandse recht geen khul echtscheiding kent, mee dat de bepalingen van het Iraanse recht over de khul echtscheiding terzijde kunnen worden geschoven bij de beoordeling van de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave?

Overweging

De Hoge Raad overweegt dat in cassatie vaststaat dat de rechten en verplichtingen van partijen ten aanzien van de bruidsgave worden beheerst door het Iraanse recht en oordeelt dat dit betekent dat de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave moet worden beoordeeld aan de hand van het Iraanse recht. Daartoe moet worden onderzocht welke betekenis naar Iraans recht toekomt aan de omstandigheid dat de Nederlandse rechter op verzoek van de vrouw, met toepassing van Nederlands recht, de echtscheiding tussen partijen heeft uitgesproken (zie hiervoor in 2.2.1), en de omstandigheid dat het Nederlandse recht geen khul echtscheiding kent. Voor de beoordeling van de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave kon het hof dan ook niet volstaan met zijn oordeel dat het Nederlandse recht geen khul echtscheiding kent.

De Hoge Raad merkt op dat na verwijzing moet worden onderzocht of de toepassing van het Iraanse recht op de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave leidt tot een resultaat dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde in de zin van art. 10:6 BW.

Lees verder
 

Stelplicht en bewijslastverdeling

Nr: 26074 Hoge Raad der Nederlanden, 10-07-2026 ECLI:NL:HR:2026:1219 Jurisprudentie Geschilbeslechting Huwelijksvermogensrecht
Procesrecht
Alimentatie
843a (oud) BW; 150 Rv

Rechtsvraag

Op wie rust de bewijslast over het al dan niet bestaan van een bankrekening in Tsjechië op naam van de vrouw?

Overweging

De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof op drie onderdelen. De Hoge Raad acht het oordeel van het hof dat op de man de bewijslast rust ten aanzien van zijn stelling dat de vrouw nog een bankrekening met saldo heeft in Tsjechië. Ook acht de Hoge Raad het oordeel van het hof dat het 843a (oud) BW-verzoek van de man onvoldoende gespecificeerd is onbegrijpelijk.

Daarnaast heeft het hof op verzoek van de man geoordeeld dat de aflossing op de huwelijkse schulden volledig in mindering wordt gebracht op zijn draagkracht voor de kinderalimentatie, maar daarbij opgenomen dat dit betekent dat de man geen regresvordering meer heeft op de vrouw. Met deze beslissing is het hof volgens de Hoge Raad buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. 

 

Lees verder
 

Behoeftigheid bij verblijf zonder verblijfsvergunning

Nr: 26075 Hoge Raad der Nederlanden, 10-07-2026 ECLI:NL:HR:2026:1248 Jurisprudentie Geschilbeslechting Alimentatie 1:392 BW

Rechtsvraag

Heeft de vrouw zonder verblijfsvergunning een verdiencapaciteit?

Overweging

Sinds de echtscheiding heeft de vrouw geen geldige titel van verblijf in Nederland. Haar verzoek om een verblijfsvergunning is afgewezen. Zij mag haar beroep in Nederland afwachten. Het hof heeft overwogen dat de vrouw zonder verblijfsvergunning niet mag werken, maar vervolgens aan haar wel een verdiencapaciteit toegekend gelijk aan het minimumloon, ook gedurende de periode waarin zij haar beroep in Nederland afwacht. De Hoge Raad acht dit een onbegrijpelijk oordeel. 

Lees verder
 

Economisch eigendom

Nr: 26076 Conclusie AG, 10-07-2026 ECLI:NL:PHR:2026:721 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Huwelijksvermogensrecht 1:94 BW

Rechtsvraag

Kan economisch eigendom tot een huwelijksgemeenschap behoren?

Overweging

De A-G concludeert dat ‘economische eigendom’ als zodanig geen goed is in de zin van art. 3:1 BW en daarom kan het als zodanig niet in een huwelijksgemeenschap vallen. Dit sluit echter niet uit dat een recht dat ontleend wordt aan een rechtsverhouding tussen de eigenaar – dus in juridische zin – en de belanghebbende wél als goed wordt gekwalificeerd. Vorderingsrechten zijn vermogensrechten als bedoeld in art. 3:6 BW, en daarmee goederen als bedoeld in art. 3:1 BW die dus in de gemeenschap van goederen kunnen vallen (art. 1:94 lid 2 BW). 

Lees verder
 

Perspectiefbesluit

Nr: 26077 Conclusie AG, 10-07-2026 ECLI:NL:PHR:2026:729 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Jeugdrecht 1:265c BW

Rechtsvraag

Welke ruimte bestaat er voor een rechterlijke toetsing van het perspectiefbesluit in het kader van een procedure tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing (art. 1:265c lid 2 BW)? 

Overweging

De AG is van oordeel dat de uitspraak in HR 1 september 2023 zo moet worden begrepen dat bij de beoordeling van een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing enkel ruimte bestaat voor een beoordeling van het tijdelijke opgroeiperspectief van de minderjarige, voor de duur van de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Het rechterlijke oordeel over het opgroeiperspectief van de minderjarige beperkt zich in dat geval tot de duur van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en zegt nog niets over de vraag waar de minderjarige structureel zal opgroeien. De vraag naar het structurele opgroeiperspectief van de minderjarige hoort niet thuis in een procedure op grond van art. 1:265c lid 2 BW, maar in een procedure tot gezagsbeëindiging op grond van art. 1:266 lid 1 sub a BW.

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder