VAKnieuws

Perspectiefbesluit

Nr: 26108 Hoge Raad der Nederlanden, 30-10-2026 ECLI:NL:HR:2026:1771 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Jeugdrecht 1:265c BW

Rechtsvraag

Wat is de juridische betekenis van een oordeel dat een rechter een perspectiefbesluit 'onderschrijft' of 'bekrachtigt'? 

Overweging

Indien de rechter in zijn uitspraak tot uitdrukking brengt dat hij het perspectiefbesluit ‘onderschrijft’ of ‘bekrachtigt’, heeft dit geen andere betekenis dan dat hij zich kan vinden in het standpunt van de gecertificeerde instelling over het (structurele) opgroeiperspectief, en daarmee rekening houdt bij zijn beslissing op het aan hem voorgelegde verzoek. Een dergelijk oordeel over het perspectiefbesluit is niet bindend voor de rechter die moet oordelen in een volgende kinderbeschermingszaak met betrekking tot dezelfde minderjarige, waaronder een verzoek tot beëindiging van het gezag over die minderjarige.

Lees verder
 

Vergoedingsrecht

Nr: 26107 Hoge Raad der Nederlanden, 16-10-2026 ECLI:NL:HR:2026:1679 Jurisprudentie Geschilbeslechting Huwelijksvermogensrecht 1:87 BW

Rechtsvraag

Heeft de vrouw een vergoedingsrecht?

Overweging

Partijen zijn gehuwd met huwelijkse voorwaarden op grond waarvan de aandelen in het verwarmingsbedrijf van de man buiten de verrekening moeten blijven. De vrouw heeft tijdens het huwelijk een schenking van haar vader ontvangen van € 22.000,-. Die schenking is op de gezamenlijke rekening van partijen betaald. Enkele maanden later heeft de man € 22.000,- vanaf de gezamenlijke rekening gebruikt om zijn aandelen vol te storten. 

Het hof heeft geoordeeld dat de vrouw geen vergoedingsrecht van € 22.000,- op de man heeft, omdat de schenking van haar vader in de tussenliggende maanden is vermengd met de andere gelden op de gezamenlijke bankrekening. Ook zijn in de tussenliggende maanden andere betalingen vanaf die bankrekening verricht. 

Het hof heeft echter nagelaten te beslissen op het subsidiaire verzoek van de vrouw om te bepalen dat zij een vergoedingsrecht van € 11.000,- heeft omdat de man zijn aandelen heeft volgestort met gemeenschappelijk geld. De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking van het hof en verwijst het geding naar een ander hof voor verdere behandeling en beslissing.

Lees verder

Al onze cursussen

Centrum Permanente Educatie biedt hoogwaardige juridische cursussen, afgestemd op de praktijk en verzorgd met enthousiasme en expertise.

Bekijken
 

Geweld speelt een rol bij beslissingen over gezag en omgang

Nr: 26110 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 08-10-2026 ECLI:NL:GHARL:2026:6471 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Gezag en omgang 1:251 lid 2 BW, 1:253n, 1:251a lid 1 BW, artikel 1:377e BW, artikel 1:377a lid 3 BW, Verdrag van Istanbul

Rechtsvraag

Hoe moet de rechter geweld van de ene ouder jegens de andere ouder meewegen bij een beslissing over het gezag en de omgang?

Overweging

Het hof overweegt ondermeer het volgende mee.

Bij het nemen van een beslissing over kinderen staat het belang van het kind voorop (artikel 3 Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind). Ook het belang van de verzorgende ouder van het kind moet door de rechter worden meegenomen bij het nemen van een beslissing. Vaak zijn deze belangen niet te onderscheiden en lopen ze parallel. Wanneer de belangen van de verzorgende ouder worden geschaad door de andere ouder, met als gevolg dat de verzorgende ouder lichamelijke of psychische schade oploopt, zal dit namelijk ook schadelijke gevolgen hebben voor het kind. Het kind is immers, om zich op een gezonde en evenwichtige manier te kunnen ontwikkelen, afhankelijk van het welzijn en welbevinden van deze ouder.

In de Nederlandse wetgeving op het gebied van gezag en omgang wordt niet expliciet genoemd dat geweld tegen vrouwen/mannen of huiselijk geweld een factor is waarmee de rechter rekening houdt bij het nemen van zijn beslissing, maar op grond van het Verdrag van Istanbul is het vanzelfsprekend dat de Nederlandse rechter dat wel (expliciet) moet (gaan) doen; de veiligheid van de ouder en het kind zal daarom ook centraal moeten staan bij de te nemen beslissing over het ouderlijk gezag. 

De vader zit al meerdere jaren in een tbs-kliniek vanwege geweld richting de moeder. De moeder is al jaren de hoofdopvoeder van de minderjarige. Dat betekent dat de vader inmiddels weinig zicht heeft op de vraag welke beslissingen het belang van de minderjarige het meest dienen. Dat de vader stelt dat hij altijd heeft getekend voor toestemming wanneer de moeder daarom vroeg, maakt dit niet anders. Immers omvat het uitvoeren van het gezamenlijk gezag meer dan het zetten van een handtekening.

Ten slotte overweegt het hof dat gezamenlijk gezag en het vastleggen van een omgangsregeling in strijd zouden zijn met de uitgangspunten van het Verdrag van Istanbul. De moeder en de minderjarige moeten immers in hun veiligheid worden beschermd tegen de vader. Het dwingen van de moeder tot contact en overleggen met de vader over beslissingen over de minderjarige is hiermee in strijd, en valt ook niet te rijmen met de veroordeling door de strafrechter van de vader tot een tbs-maatregel in verband met geweld tegen de moeder.

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Mentor van wilsonbekwame

Nr: 26106 Hoge Raad der Nederlanden, 02-10-2026 ECLI:NL:HR:2026:1585 Jurisprudentie Rechtseenheid Wvggz
Procesrecht
1:3 Wvggz, 5:17 Wvggz en 6:1 Wvggz

Rechtsvraag

Moet de rechter bij een verzoek tot verlenging van een zorgmachtiging onderzoeken of de wilsonbekwame een mentor heeft?

Overweging

Ja.  Indien een mentor is benoemd, treedt deze op als vertegenwoordiger van een wilsonbekwame betrokkene (art. 1:3 lid 3, aanhef en onder b, Wvggz). In beginsel moet de officier van justitie bij het verzoek tot het verlenen van een (aansluitende) zorgmachtiging benoemen dat er een mentor is en de stukken aangaande het mentorschap bij het verzoek voegen ( rt. 5:17 lid 6, aanhef en onder c, Wvggz). Op grond van artikel 6:1 Wvggz moet de mentor in de gelegenheid worden gesteld zijn visie mondeling kenbaar te maken. 

Als de officier van justitie heeft nagelaten de stukken over het mentorschap bij te voegen, maar uit de stukken blijkt wel dat er een mentor betrokken is, moet de rechter zelf onderzoeken of er sprake is van een mentorschap. Als daar sprake van is moet de rechter de mentor alsnog in de gelegenheid stellen zijn standpunt mondeling kenbaar te maken. In de onderhavige casus heeft de rechter dat niet gedaan. De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.

Lees verder
 

Termijn voor uitspraak aansluitende zorgmachtiging bij digitale ontvangst verzoek buiten kantoortijden

Nr: 26109 Hoge Raad der Nederlanden, 25-09-2026 ECLI:NL:HR:2026:1555 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Procesrecht
Wvggz
6:2 Wvggz; 6:5 Wvggz en 6:6 Wvggz

Rechtsvraag

Op welke datum gaat de termijn voor het beslissen op het verzoek om een aansluitende zorgmachtiging lopen?

Overweging

Voor een verzoek tot het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging van 12 maanden op grond van artikel 6:6 lid 2 Wvggz geldt een beslistermijn van drie weken. Het verzoek is op 23 december 2025 om 22:30 uur ingediend. De rechter heeft ter zitting overwogen dat dit buiten kantoortijden is en dat de rechter het daarom opvat alsof het verzoek op 24 december 2025 is ingediend. Pas op die datum kon de rechtbank het verzoek inboeken. De rechter heeft op 14 januari 2026, precies drie weken na 24 december 2025, op het verzoek beslist en de aansluitende zorgmachtiging voor de duur van 12 maanden verleend.

De Hoge Raad oordeelt dat betrokkene terecht klaagt dat op 14 januari 2026 de beslistermijn van drie weken was verlopen omdat het verzoek is ingediend op 23 december 2026 en niet op 24 december 2026. I n dit geval kon het verzoekschrift digitaal worden ingediend op ieder moment van de dag. Dat het verzoekschrift buiten kantoortijd is ontvangen, is daarom niet relevant.  Na het verstrijken van de beslistermijn van art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz en het vervallen van de eerdere machtiging kan de rechter nog wel beslissen op het verzoek om een zorgmachtiging. De rechter kan dan evenwel slechts op de voet van art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz een zorgmachtiging verlenen voor de duur van maximaal zes maanden. De Hoge Raad doet de zaak zelf af en wijzigt de zorgmachtiging in een machtiging voor de duur van zes maanden. 

Lees verder
 

Alle partijen oproepen bij ondeelbare rechtsverhouding

Nr: 26105 Hoge Raad der Nederlanden, 25-09-2026 ECLI:NL:HR:2026:1558 Jurisprudentie Rechtseenheid Erfrecht
Procesrecht
118 Rv

Rechtsvraag

Is de partij die een beslissing wil over de verdeling van de nalatenschap direct niet-ontvankelijk als hij niet alle partijen in het geding heeft opgeroepen?

Overweging

Bij een ondeelbare rechtsverhouding moeten in cassatie alle partijen worden opgeroepen, ook als een van partijen in eerste aanleg en hoger beroep niet is verschenen. Laat degene die een beslissing wil uitlokken over een processueel ondeelbare rechtsverhouding na om alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te roepen, dan dient de rechter, naar aanleiding van een daarop gericht verweer dan wel ambtshalve, gelegenheid te geven om de niet opgeroepen persoon of personen alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van art. 118 Rv binnen een daartoe door de rechter te stellen termijn. Ook dit geldt zowel in eerste aanleg als na aanwending van een rechtsmiddel. Het leidt dus niet direct tot niet-ontvankelijkheid.

Lees verder
 

Inschrijving echtscheiding in Turkije

Nr: 26102 Rechtbank Rotterdam, 16-09-2026 ECLI:NL:RBROT:2026:12233 Jurisprudentie Geschilbeslechting Echtscheiding Geen grondslag genoemd

Rechtsvraag

Moet de vrouw meewerken aan de inschrijving van de echtscheiding in Turkije, en op welke manier?

Overweging

De vrouw wil een erkenningsprocedure volgen in Turkije samen met de procedure over de verdeling van het vermogen in Turkije.  De voorzieningenrechter verplicht de vrouw mee te werken aan de inschrijving van de in Nederland uitgesproken echtscheiding, middels inschrijving bij het Turkse consulaat. Voor het geval de vrouw niet meewerkt, verleent de voorzieningenrechter aan de man vervangende toestemming, in de plaats van de toestemming van de vrouw, voor het inschrijven van de echtscheiding bij het Turkse consulaat.

Lees verder
 

Onderbewindstelling

Nr: 26104 Gerechtshof Amsterdam, 15-09-2026 ECLI:NL:GHAMS:2026:2626 Jurisprudentie Geschilbeslechting Curatele, bewind en mentorschap 1:431 BW

Rechtsvraag

Heeft de kantonrechter terecht en op juiste gronden ten behoeve van de betrokkene een bewind ingesteld wegens zijn lichamelijke en/of geestelijke toestand?

Overweging

De betrokkene vindt dat zijn goederen onterecht onder bewind zijn gesteld. Dat hij in een psychiatrische kliniek is opgenomen is onvoldoende om te concluderen dat hij vanwege zijn geestelijke toestand niet in staat is  ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen.

Voor het hof is voldoende aannemelijk geworden dat de gronden voor een bewind ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en nog steeds zijn. Het hof overweegt dat de betrokkene onvoldoende overzicht heeft over zijn financiële situatie. Voorafgaand aan het bewind bleef belangrijke post ongeopend liggen, werden rekeningen niet betaald en ontbrak er actieve communicatie met [naam 3] over lopende verplichtingen. De betrokkene beschikte ook niet over een geldige identiteitskaart en wist niet bij welke energieleverancier hij was aangesloten. Ter zitting in hoger beroep heeft de bewindvoerder naar voren gebracht dat de betrokkene regelmatig zijn betaalpas kwijt is en dat zij dan voor hem een nieuwe betaalpas aanvraagt. Het hof acht ondersteuning van het netwerk van de betrokkene onvoldoende, omdat de betrokkene slechts beperkt hulp toelaat en geen volledig inzicht geeft in zijn financiële positie. Hierdoor is het hof van oordeel dat de betrokkene door zijn netwerk niet afdoende begeleid kon en kan worden bij het op orde brengen van zijn financiële situatie. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter, gelet op het voorgaande, terecht ten behoeve van de betrokkene een bewind ingesteld dat in de huidige situatie van de betrokkene ook moet worden voortgezet.

Lees verder
 

Beëindiging ondertoezichtstelling

Nr: 26103 Gerechtshof Amsterdam, 15-09-2026 ECLI:NL:GHAMS:2026:2627 Jurisprudentie Geschilbeslechting Jeugdrecht 1:255 BW; 1:260 BW.

Rechtsvraag

Is de ondertoezichtstelling terecht verlengd?

Overweging

Het enige doel van de ondertoezichtstelling is nog het contactherstel tussen de vader en de 17-jarige zoon. De vader vindt dat de ondertoezichtstelling terecht door de rechtbank is verleend, omdat hij graag weer contact wil met zijn zoon. De zoon geeft al meerdere jaren aan geen contact te willen met de vader. 

De door de kinderrechter bij beschikking van 10 januari 2025 opgestelde doelen van de ondertoezichtstelling waren onder meer dat de zoon de emotionele ruimte krijgt om contact met de vader te kunnen hebben, dat hulpverlening voor de zoon en de ouders wordt opgestart en dat duidelijkheid wordt verkregen over de mogelijkheden van contact tussen de zoon en de vader. De GI heeft over deze doelen toegelicht dat daarbij niet voorop stond dat contactherstel daadwerkelijk plaatsvindt, maar dat eerst moet worden onderzocht of contact mogelijk was en zo ja, op welke wijze het contact ingevuld kan worden. 

Het hof is van oordeel dat ten tijde van de bestreden beschikking nog een reële mogelijkheid bestond om de doelen van de ondertoezichtstelling te behalen. Door middel van SiS zou nader onderzoek worden gedaan om te proberen de verschillende perspectieven van de betrokkenen over het verleden bijeen te brengen. In hoger beroep is de situatie echter anders gebleken. De GI heeft toegelicht dat SiS na een tweede intakegesprek heeft geconcludeerd dat onvoldoende basis bestaat om het traject te starten. De GI heeft ter zitting in hoger beroep verklaard op dit moment geen andere reële mogelijkheden meer te zien om binnen de ondertoezichtstelling de gestelde doelen te bereiken. 

Hoewel het hof oordeelt dat de ontwikkelingsbedreiging nog steeds aanwezig is, beëindigt het hof de ondertoezichtstelling met ingang van de datum van de beschikking van het hof.


Lees verder
 

Andere machtiging uithuisplaatsing dan verzocht

Nr: 26100 Gerechtshof Amsterdam, 08-09-2026 ECLI:NL:GHAMS:2026:2553 Jurisprudentie Rechtseenheid Jeugdrecht 1:265b BW

Rechtsvraag

Mag de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor een andere categorie (accommodatie jeugdhulpaanbieder) dan door de raad is verzocht (pleeggezin)?

Overweging

De raad heeft verzocht een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een pleeggezin. De minderjarige is een pasgeboren baby. De kinderrechter heeft een machtiging verleend tot uithuisplaatsing in een accomodatie jeugdhulpaanbieder, zodat de GI de minderjarige samen met de moeder in een moeder-kindhuis kon plaatsen. Dat is zo geschied en dat gaat goed. 

Het hof oordeelt als volgt. Mocht een uithuisplaatsing in het belang van een minderjarige noodzakelijk zijn, dan heeft de overheid op grond van art 8 lid 2 EVRM een positieve verplichting tot het treffen van maatregelen om te bevorderen dat het gezin, zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk, wordt herenigd. Wel dient deze verplichting steeds afgewogen te worden tegen de verplichting om rekening te houden met het belang van het kind, en het grote gewicht van dat belang. De inspanningen moeten erop zijn gericht om persoonlijke banden tussen ouder en kind zoveel mogelijk in stand te houden. Aan de kinderrechter komt tegen deze achtergrond een zekere beoordelingsruimte toe met betrekking tot de vraag binnen welke categorie of setting van jeugdhulp de uithuisplaatsing van een minderjarige moet worden gerealiseerd. Dit geldt temeer als een minderverstrekkende setting dan verzocht volstaat om het boogde doel - door de raad omschreven als: het waarborgen van de veiligheid, het welzijn en de ontwikkeling van de minderjarige – te realiseren. Een plaatsing van een pasgeboren baby bij een jeugdhulpaanbieder, samen met de moeder, is minder verstrekkend dan plaatsing in een pleeggezin, zonder de moeder.

Lees verder
 

Verwijtbaar inkomensverlies

Nr: 26101 Gerechtshof Amsterdam, 08-09-2026 ECLI:NL:GHAMS:2026:2608 Jurisprudentie Geschilbeslechting Alimentatie 1:404 BW

Rechtsvraag

Is het inkomensverlies van de vader verwijtbaar of vermijdbaar?

Overweging

Het hof overweegt dat de beslissing om de vermindering van het inkomen bij de bepaling van de draagkracht van de vader al dan niet buiten beschouwing te laten, afhangt van de vraag of de vader redelijkerwijs zijn oude inkomen weer kan verdienen en of dit van hem kan worden gevergd. Is het antwoord op beide vragen positief, dan kan worden uitgegaan van het oorspronkelijke inkomen van de vader. Is echter het antwoord op een van de vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing moet blijven. In het bijzonder moet dan worden bezien of de onderhoudsplichtige zich uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid.

In dit geval heeft de vader zelf zijn baan opgezegd, wegens lichamelijke klachten, met het plan om als zzp'er te gaan werken. Het is hem niet gelukt om werk te vinden als zzp'er. Het hof oordeelt dat de vader verwijtbaar heeft gehandeld door zijn baan op te zeggen in plaats van zich ziek te melden.

Lees verder
 

Rechtsmacht Nederlandse rechter

Nr: 26099 Rechtbank Rotterdam, 07-09-2026 ECLI:NL:RBROT:2026:12176 Jurisprudentie Rechtseenheid IPR Braziliaans Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering

Rechtsvraag

Kan de rechter terugkomen op de beslissing in de tussenbeschikking dat de Nederlandse rechter bevoegd is om te oordelen over de nevenvoorzieningen?

Overweging

De rechter heeft in de tussenbeschikking, waarin de echtscheiding is uitgesproken, geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft voor wat betreft de verzochte nevenvoorzieningen. Volgens de vrouw is op grond van het Braziliaans wetboek van Burgerlijke rechtsvordering de Braziliaanse rechter uitsluitend bevoegd om de bezittingen die zich in Brazilië bevinden te verdelen. De man betwist dit.

Uitgangspunt is dat als de rechter in een tussenbeschikking op één of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist, daar in het verdere verloop van de procedure niet op mag worden terugkomen. Voor aanvaarding van een uitzondering is slechts plaats in het geval dat bijzondere omstandigheden het onaanvaardbaar zouden maken dat de rechter aan een dergelijke eindbeslissing zou zijn gebonden.

Dit kan met name het geval zijn indien sprake is van een evidente feitelijke (of juridische) misslag van de rechter of indien de desbetreffende beslissing blijkt te berusten op een, niet aan de belanghebbende partij toe te rekenen, onjuiste feitelijke grondslag. Gelet op de ratio van deze regel – de beperking van het processuele debat – dient de rechter bij het aanvaarden van dergelijke uitzonderingen evenwel grote terughoudendheid in acht te nemen.

De rechter verwijst naar de tussenbeschikking en ziet geen ruimte voor een ander oordeel.

Cursussen binnenkort:

Lees verder