VAKnieuws

Raadsonderzoek bij voorlopige voorziening

Nr: 26062 Rechtbank Rotterdam, 16-06-2026 ECLI:NL:RBAMS:2026:6078 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Procesrecht
Gezag en omgang
821 Rv; 810 Rv.

Rechtsvraag

Kan een raadsonderzoek al bij voorlopige voorziening worden gelast?

Overweging

De rechtbank gelast bij de eindbeslissing op de voorlopige voorzieningen al een raadsonderzoek, rekening houdend met de lange wachttijden bij de rechtbank voor de behandeling van de bodemprocedure en de lange wachttijden bij de raad voor de kinderbescherming.

Lees verder
 

Onderhoudsverplichting stiefouder

Nr: 26060 Rechtbank Rotterdam, 11-05-2026 ECLI:NL:RBROT:2026:6580 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Alimentatie 1:395 BW; 1:397 BW; 1:401 BW

Rechtsvraag

Is het feit dat de moeder getrouwd is een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die reden geeft om de kinderalimentatie te wijzigen? En moet de draagkracht van de stiefouder worden meegenomen, terwijl de ouders samen al ruim voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van de kinderen te voorzien?

Overweging

De rechtbank wijst het verzoek van de vader tot wijziging van de kinderalimentatie af. De rechtbank motiveert tweeledig. Enerzijds anticipeert de rechtbank op het plan van de wetgever om de stiefouderverplichting af te schaffen. Anderzijds haalt de rechtbank de uitspraak van het hof Den Haag van 8 januari 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:93) aan, waarin wordt overwogen dat een redelijke wetstoepassing met zich mee brengt dat bij voldoende draagkracht een wijziging in de inkomens- of gezinssituatie van partijen nog geen relevante wijziging van omstandigheden vormt die noopt tot herberekening en aanpassing van de overeengekomen onderhoudsbijdrage en een andere onderlinge verdeling van de kosten van de kinderen. In de zaak bij het hof ging het om de geboorte van een nieuw kind. De rechtbank past het analoog toe op de onderliggende situatie, waarin de wijziging van omstandigheden is dat de vrouw getrouwd is. Nu de ouders samen een draagkracht hebben die de behoefte van de kinderen ruim overstijgt, ziet de rechtbank geen grondslag om de draagkracht van de stiefvader ook mee te nemen.

Lees verder

Al onze cursussen

Centrum Permanente Educatie biedt hoogwaardige juridische cursussen, afgestemd op de praktijk en verzorgd met enthousiasme en expertise.

Bekijken
 

Verplichting tot meewerken aan religieuze scheiding

Nr: 26029 Rechtbank Rotterdam, 25-02-2026 ECLI:NL:RBROT:2026:1641 Jurisprudentie Geschilbeslechting Echtscheiding 1:68 BW

Rechtsvraag

Kan de man verplicht worden mee te werken aan de islamitische en Iraakse echtscheiding?

Overweging

De rechtbank verplicht de man mee te werken aan de Iraakse en islamitische echtscheiding. Op grond van artikel 1:68 BW is hij daartoe verplicht, tenzij haar zwaarwegende belangen stelt die reden geven om niet mee te werken. Dergelijke belangen heeft de man niet gesteld. De man weigert zijn medewerken, dus de rechtbank verbindt aan de veroordeling een dwangsom.

Lees verder
 

Ouderlijk gezag niet ter vrije bepaling ouders

Nr: 26024 Rechtbank Rotterdam, 12-02-2026 ECLI:NL:RBROT:2026:1883 Jurisprudentie Rechtseenheid Gezag en omgang 1:251a BW

Rechtsvraag

Kunnen de ouders afspreken dat een van het met het eenhoofdig gezag belast zal worden?

Overweging

Het ouderlijk gezag staat niet ter vrije bepaling van partijen. Het ouderlijk gezag omvat namelijk niet alleen het recht maar ook de plicht tot verzorging en opvoeding van het kind. De ouders kunnen dus niet in het ouderschapsplan overeenkomen dat de vrouw met het eenhoofdig gezag belast zal worden en dat de man er aan zal meewerken om dit te bewerkstelligen. De rechtbank toetst of is voldaan aan een van de gronden uit artikel 1:251a BW maar is van oordeel dat daar niet aan is voldaan. Het hof wijst het verzoek om de vrouw met het eenhoofdig gezag te belasten daarom af.

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Toepassing Syrisch huwelijksvermogensrecht

Nr: 26023 Rechtbank Rotterdam, 12-02-2026 ECLI:NL:RBROT:2026:1651 Jurisprudentie Geschilbeslechting Huwelijksvermogensrecht
IPR
Huwelijksvermogensverdrag 1978

Rechtsvraag

Moeten de eigendommen bij helfte worden verdeeld?

Overweging

De vrouw wil dat de goederen en het vermogen bij helfte worden verdeeld. Maar het Syrisch huwelijksvermogensrecht is van toepassing. Het Syrisch recht kent geen algehele gemeenschap van goederen. De inboedel moet bij helfte worden verdeeld en partijen moeten beiden de helft van de schulden betalen.

Lees verder
 

Erkenning van op 12-jarige leeftijd in Eritrea gesloten huwelijk

Nr: 26003 Rechtbank Rotterdam, 08-01-2026 ECLI:NL:RBROT:2026:3 Jurisprudentie Rechtseenheid Algemeen
Procesrecht
10:31 BW en 10:32 BW

Rechtsvraag

Kan het huwelijk erkend worden nu het huwelijk in Eritrea is gesloten toen de vrouw 12 jaar oud was?

Overweging

De vrouw heeft de echtscheiding verzocht. De rechtbank moet eerst beoordelen of het huwelijk kan worden erkend. De rechtbank concludeert dat het huwelijk naar Eritrees recht rechtsgeldig is geworden doordat de vrouw en de man na haar meerderjarigheid getrouwd zijn gebleven. Doordat het huwelijk is gesloten toen de vrouw 12 jaar was, is het huwelijk in beginsel niet voor erkenning vatbaar. De rechtbank erkent het huwelijk alsnog omdat de vrouw op meerderjarige leeftijd voor de Nederlandse burgerlijke stand onder ede heeft verklaard dat zij was gehuwd met de man. Daaruit maakt de rechtbank op dat de vrouw op dat moment, terwijl zij al meerderjarig was, het huwelijk erkend wilde zien.

Lees verder
 

Gezamenlijk gezag over gehandicapt kind

Nr: 25109 Rechtbank Rotterdam, 05-11-2025 ECLI:NL:RBROT:2025:13125 Jurisprudentie Geschilbeslechting Gezag en omgang 1:253c lid 1 BW

Rechtsvraag

Is er reden om het verzoek tot gezamenlijk gezag af te wijzen?

Overweging

De rechtbank oordeelt dat er geen reden is om het gezamenlijk gezag af te wijzen. Ouders hebben een meervoudig gehandicapt kind, met een ingewikkelde medische situatie. Zij kunnen over het algemeen goed samenwerken en samen beslissingen nemen over hun kind. De moeder wil geen gezamenlijk gezag omdat zij bang is dat de ouders het niet met elkaar eens zullen worden wanneer zij een medische noodbeslissing moeten nemen. De rechtbank oordeelt dat dit geen reden is om het gezamenlijk gezag af te wijzen. Ook ouders die nog samen zijn kunnen in een medische noodsituatie het oneens zijn met elkaar.

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Geslachtsaanduiding X

Nr: 25106 Rechtbank Rotterdam, 15-10-2025 ECLI:NL:RBROT:2025:12352 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Algemeen 1:28 BW; 1:28a BW: 26 IVBPR

Rechtsvraag

Kan een non-binaire geslachtsaanduiding X worden opgenomen op de geboorte-akte?

Overweging

De rechtbank beoordeelt (zonder mondelinge behandeling) het verzoek naar de maatstaven van artikel 1:28 BW, welk artikel geldt voor de wijziging van het geslacht naar het andere geslacht. De wet biedt nog geen grond voor een non-binaire geslachtsaanduiding. De rechtbank acht van belang dat er tegenwoordig wel een maatschappelijke erkenning is hiervoor.  De wet levert naar het oordeel van de rechtbank een ongerechtvaardigd en ongeoorloofd onderscheid op tussen personen die de overtuiging hebben tot het andere geslacht te behoren en personen die de overtuiging hebben buiten de exclusief mannelijke of vrouwelijk geslachtsaanduiding te vallen (non-binair), als bedoeld in artikel 26 IVBPR en artikel 1 lid 2 van Protocol nr. 12 EVRM. Een geslachtsaanduiding X moet volgens de rechtbank daarom kunnen. 

Naar het oordeel van de rechtbank is een genderbeleving geen objectief verifieerbaar gegeven dat door een deskundige is vast te stellen. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het vereiste van een deskundigeverklaring ex 1:28a BW. De rechtbank stelt zelf vast dat bij de verzoekende persoon  sprake is van een duurzame overtuiging over diens genderidentiteit. Verder stelt de rechtbank vast dat de beslissing een wijziging van de geslachtsaanduiding te vragen niet lichtzinnig heeft genomen. De rechtbank wijst het verzoek toe.

Lees verder
 

Familylife

Nr: 25102 Rechtbank Rotterdam, 02-10-2025 ECLI:NL:RBROT:2025:11766 Jurisprudentie Geschilbeslechting Gezag en omgang 1:377a BW; 8 EVRM

Rechtsvraag

Is de vader ontvankelijk in zijn verzoek over een omgangsregeling?

Overweging

De vader heeft het kind niet erkend. Hij verzoekt een omgangsregeling. De moeder betwist dat hij ontvankelijk is. De rechtbank oordeelt dat de vader familylife heeft gehad met de minderjarige, en dat hij daarom ontvankelijk is. De moeder betwist niet dat zij na de geboorte nog bij de vader heeft gewoond met de minderjarige en uit onder meer de door de vader overgelegde foto's blijkt dat de vader vanaf de geboorte totdat de minderjarige een kleuter was, contact heeft gehad met de minderjarige. De rechtbank overweegt: " Voor ‘family life’ is de mate van betrokkenheid bij de minderjarige niet doorslaggevend. Voldoende is dat de man, in dit geval door verzorging van en contact met de minderjarige, zijn betrokkenheid bij haar heeft getoond, hetgeen ook blijkt uit de foto’s die de man heeft overgelegd ."

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Voorlopige voorziening partneralimentatie mogelijk zolang de afwijzende beslissing in de bodem nog niet onherroepelijk is

Nr: 25082 Rechtbank Rotterdam, 02-07-2025 ECLI:NL:RBROT:2025:8821 Jurisprudentie Rechtseenheid Alimentatie
Echtscheiding
Procesrecht
821 Rv; 822 Rv; 826 Rv

Rechtsvraag

Kan de vrouw nog om een voorlopige voorziening partneralimentatie verzoeken nadat de rechtbank haar verzoek in de bodemprocedure heeft afgewezen?

Overweging

De rechtbank overweegt dat een voorlopige voorziening op grond van artikel 821 Rv kan worden verzocht tot het moment waarop zo'n voorziening haar kracht verliest. De man heeft hoger beroep aangetekend tegen de beslissing van de rechtbank in de bodemprocedure, maar niet tegen de afwijzing van de door de vrouw verzochte partneralimentatie. De vrouw kan nog incidenteel hoger beroep aantekenen tegen de afwijzing van haar verzoek om partneralimentatie en stelt dat zij ook van plan is dit te doen. De afwijzende beslissing ten aanzien van de partneralimentatie is dus nog niet onherroepelijk en daarom kan de vrouw een voorlopige voorziening partneralimentatie verzoeken.

Lees verder
 

Ex nunc toetsing verplichte zorg

Nr: 24090 Rechtbank Rotterdam, 30-09-2024 ECLI:NL:RBROT:2024:9731 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Wvggz 10:7 Wvggz; 8:9 Wvggz.

Rechtsvraag

Moet voor de toepassing van verplichte zorg ex-tunc én ex-nunc worden getoetst?

Overweging

Ten aanzien van het verzoek van verzoekster om haar klacht over de toepassing van verplichte zorg zowel ex tunc als ex nunc te toetsen overweegt de rechtbank als volgt.

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad onder de Wet Bijzonder opneming in psychiatrische ziekenhuizen, die naar mening van de Advocaat Generaal van de Hoge Raad van 11 november 2020 (ECLI:NL:PHR:2020:1070) onder de Wvggz nog geldt, moet de rechter in volle omvang toetsen of aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid wordt voldaan bij de beslissing tot uitvoering van de crisismaatregel of zorgmachtiging. Dit moet niet alleen beoordeeld worden naar de ten tijde van de beslissing van de verplichte zorg geldende omstandigheden (een toetsing ‘ex tunc’), maar – mocht daarvan sprake zijn indien betrokkene bezwaar maakt tegen de voortzetting van de verplichte zorg – ook in het licht van de omstandigheden ten tijde van de beslissing op het verzoek (toetsing ‘ex nunc’).

De rechtbank leest deze jurisprudentie in het licht van artikel 10:7 van de Wvggz zo dat uit het verzoekschrift moet blijken of een betrokkene bezwaar maakt tegen de voortzetting van de verplichte zorg. Daar is naar het oordeel van de rechtbank sprake van.  Dit doende, kan naar het oordeel van de rechtbank de ex nunc toets alleen betrekking hebben op de vormen van verplichte zorg die ten tijde van de mondelinge behandeling nog werden toegepast.

Lees verder
 

Bevel tot terugverhuizing met kind van ouder met eenhoofdig gezag

Nr: 23035 Rechtbank Rotterdam, 10-05-2023 ECLI:NL:RBROT:2023:4056 Jurisprudentie Geschilbeslechting Gezag en omgang 1:247 BW, 8 EVRM

Rechtsvraag

Dient de moeder met eenhoofdig gezag terug te verhuizen naar Nederland na verhuizing naar Frans-Guyana, terwijl zij in gezinsverband met kind en de vader woonde?

Overweging

Ja. De vrouw stelt dat de uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:1513) in onderhavige procedure toepassing mist omdat ten tijde van haar vertrek met de minderjarige – anders dan in de situatie bij de Hoge Raad – geen omgangsregeling was vastgesteld en geen gezagsvoorziening aanhangig was. De rechtbank gaat hieraan voorbij omdat partijen tot aan het vertrek een affectieve relatie hadden waarbij zij in gezinsverband samenleefden en de man feitelijk meebesliste over de minderjarige. Er was voor de man ten tijde van de relatie geen reden om een dergelijke procedure aanhangig te maken. 

De mogelijkheid die de Hoge Raad de rechter biedt om de met het gezag belaste ouder te verbieden te verhuizen met het kind, dan wel te bevelen terug te verhuizen, is naar het oordeel van de rechtbank een instrument om te bewerkstelligen dat het kind contact kan hebben en houden met beide ouders. Andere instrumenten daartoe zijn onder meer het wijzigen van de hoofdverblijfplaats of het belasten van de andere ouder met het eenhoofdig gezag. 

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de vrouw de beslissing om met de minderjarige naar Frans-Guyana te verhuizen in beginsel kon nemen zonder dat daarvoor toestemming van de man nodig was, omdat zij op dat moment met het eenhoofdig gezag over de minderjarige was belast. De criteria die in de jurisprudentie zijn gevormd om verzoeken tot vervangende toestemming voor een verhuizing te beoordelen, waaronder de vraag of de verhuizing noodzakelijk is, of deze is doordacht en zorgvuldig voorbereid en welke compensatie is geboden aan de andere ouder, acht de rechtbank dan ook niet onverkort van toepassing in het onderhavige geval. De rechtbank moet beoordelen of de vrouw voldoet aan haar uit artikel 1:247 lid 3 BW in verbinding met artikel 8 EVRM voortvloeiende verplichting om omgang tussen de man en de minderjarige te bevorderen en zo nee, of het bevel om met de minderjarige terug te verhuizen dan een gepaste maatregel is om dit alsnog te bereiken. Dat in hoger beroep de vervangende toestemming voor erkenning (en derhalve het juridisch vaderschap) ter discussie staat, doet niet ter zake, omdat tussen de man en de minderjarige een nauwe persoonlijke betrekking in de zin van artikel 1:377a lid 1 BW oftewel ‘family life’ als bedoeld in artikel 8 EVRM bestaat aangezien zij tot aan het vertrek van de vrouw met de minderjarige in gezinsverband hebben samengeleefd. Bovendien is tussen partijen niet in geschil dat de man de biologische vader is van de minderjarige. 

(...)

De rechtbank realiseert zich dat wat de rechtbank ook beslist, de beslissing de nodige impact op de minderjarige zal hebben. Gelet op het voorgaande kan er naar het oordeel van de rechtbank echter geen minder ingrijpend middel worden aangewend om de omgang tussen de man en de minderjarige te bevorderen dan een gebod tot terugverhuizen naar Nederland. De rechtbank acht terugverhuizing naar de vertrouwde omgeving en herstel van het contact met de man van groot belang voor de verdere ontwikkeling van de minderjarige. Het aanvullende verzoek zal daarom worden toegewezen als hierna te vermelden, waarbij de verhuizing uiterlijk 15 juli 2023 moet worden geëffectueerd.

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder