VAKnieuws 2018

sorteer op datum sorteer op nummer  
 
18029

Gecombineerd verzoek tot kosteloze vereffening nalatenschap en tot opheffing vereffening

Hoge Raad der Nederlanden, 31-01-2018 ECLI:NL:PHR:2018:74
Jurisprudentie - Rechtseenheid
Erfrecht
4:209 BW
Rechtsvraag

Heeft de kantonrechter miskend dat een redelijke wetsuitleg van art. 4:209 BW zich er niet tegen verzet dat in één beschikking zowel de kosteloze vereffening als de opheffing van de vereffening wordt bevolen, en evenmin zich ertegen verzet dat in het geval van opheffing van de vereffening van de nalatenschap de griffiekosten ten laste van de Staat worden gebracht?

Overweging

A-G: Ik meen dat, geplaatst in een breder perspectief, het volgende kan worden aangevoerd ten gunste van een ruime uitleg van art. 4:209 BW. Het gaat om kosten die ontstaan als gevolg van het waarborgen van de belangen van de schuldeisers tijdens het vereffeningsproces. Ingeval van kosteloze vereffening wordt de boedel bevrijd van deze kosten, zodat de vereffening doorgang kan vinden met als uiteindelijk doel een geordende afwikkeling waarbij schuldeisers hun vorderingen (zoveel als mogelijk) uit de nalatenschap voldaan krijgen. Dankzij de kosteloze vereffening ontstaat er meer ruimte om de vorderingen te voldoen, waaraan ingeval van opheffing even zoveel behoefte is. Hierbij speelt mee dat de wetgever aan de rechter de ruimte heeft gegeven om in verschillende situaties een bevel tot opheffing te geven (zie onder 3.6). Het resultaat dat in geval van opheffing de griffiekosten ervoor zouden kunnen zorgen dat schuldeisers niet of in mindere mate zouden worden voldaan, is moeilijk te rijmen met het doel van de vereffening. In zoverre is het in het belang van (individuele) schuldeisers om de zware last die deze kosten vormen op de boedel – een last die onevenredig is aan het actief – te beperken, net zoals dat geldt met betrekking tot de kosteloze vereffening. Wordt opheffing bevolen om te voorkomen dat de kosten van de vereffening te hoog oplopen en de schuldeisers niets of vrijwel niets ontvangen, dan kan het niet de bedoeling van de wetgever zijn dat de op de boedel drukkende kosten van de opheffing alsnog tot een zodanig resultaat leiden. Hierboven heb ik erop gewezen dat geen griffierecht wordt geheven in het geval van een verzoek van de curator tot opheffing van het faillissement (art. 16 Fw). Nu art. 16 en 17 Fw model hebben gestaan voor de regeling in art. 4:209 BW, bestond voor de wetgever dan ook geen noodzaak om in art. art. 4:209 BW te bepalen dat een verzoek tot opheffing is vrijgesteld van griffierecht.


 
18035

Nevenwerkzaamheden geen reden tot opschorting loon zieke werknemer

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30-01-2018 ECLI:NL:GHSHE:2018:326
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Ziekte
7:629 lid 6 BW
Rechtsvraag

Kan de werkgever het loon opschorten van een zieke werknemer gezien de nevenwerkzaamheden van deze werknemer?

Overweging

Nee. Iets anders is de in artikel 7:625 lid 6 BW (lees 7:629, red.) aan de werkgever verleende opschortingsbevoegdheid voor die situaties waarin de werknemer zich niet houdt aan door de werkgever schriftelijk gegeven redelijke voorschriften omtrent het verstrekken van de inlichtingen die de werkgever behoeft om het recht op loon vast te stellen. De eis dat de door de werkgever gegeven voorschriften redelijk zijn, impliceert dat de werkgever voldoende concrete aanwijzingen moet hebben dat de werknemer gelden als bedoeld in het vijfde lid van dit artikel heeft ontvangen. Zoals overwogen heeft de vennootschap die niet, reeds al niet op de grond dat de stellingen die zij op dit punt inneemt niet specifiek op de periode van arbeidsongeschiktheid van appellant betrekking hebben. Maar zelfs indien dat wel het geval zou zijn, zouden haar aan appellant gegeven voorschriften niet als redelijk kunnen worden gekwalificeerd. Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft de vennootschap immers onvoldoende concrete aanwijzingen dat appellant via Amway en/of onderneming überhaupt daadwerkelijk inkomsten genereert. De door de vennootschap daartoe ingenomen stellingen zijn gemotiveerd door appellant betwist en voor bewijslevering is in het kader van deze kort-gedingprocedure geen plaats. De vennootschap heeft dus naar het voorlopig oordeel van het hof ten onrechte haar loonbetalingsverplichtingen opgeschort.

Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en de loonvorderingen, voor zover betrekking hebbend op de eerste 52 weken van arbeidsongeschiktheid op grond van het bepaalde in artikel 9 van de arbeidsovereenkomst toewijzen.


 
18032

Stuiting verjaring schadevordering van werknemer door erkenning aansprakelijkheid voor bedrijfsongeval

Hoge Raad der Nederlanden, 26-01-2018 ECLI:NL:HR:2018:108
Jurisprudentie - Rechtseenheid
Arbeidsomstandigheden
Algemeen
7:658 BW, 3:318 BW
Rechtsvraag

Heeft het hof miskend dat de handelingen van schadeverzekeraar Bovemij en Cunningham in het kader van de schadeafwikkeling voortbouwden op een eerdere erkenning van aansprakelijkheid door Bovemij namens werkgeefster?

Overweging

Art. 3:318 BW bepaalt dat erkenning van het recht tot welks bescherming een rechtsvordering dient, de verjaring stuit van de rechtsvorderingen tegen hem die het recht erkent. Ook een vertegenwoordiger kan de verjaring stuiten door erkenning (HR 13 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9243, NJ 2003/212).

Door de erkenning van de aansprakelijkheid door schadeverzekeraar Bovemij namens werkgeefster op 8 november 2001 staat de aansprakelijkheidsvraag in deze procedure niet meer ter discussie; uitsluitend de omvang van de schadevergoeding waarop werknemer aanspraak heeft, is nog aan de orde. In dat verband is dan ook voor een eventuele erkenning door Bovemij (namens werkgeefster) als grond voor stuiting van de lopende verjaring, voldoende de erkenning dat werknemer aanspraak heeft op een hogere schadevergoeding dan reeds (zonder voorbehoud) is betaald, waarbij zonder belang is dat over de omvang van het nog verschuldigde bedrag geen overeenstemming bestaat.

In het licht van het voorgaande geeft het oordeel van het hof ofwel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ofwel is het onvoldoende gemotiveerd. De klachten van het middel die verband houden met het voorgaande slagen derhalve. 


Binnenkort:
De zieke werknemer
 
18046

Conclusie A-G: uitleg huisvestingsvergoeding krachtens CAO Bouwnijverheid voor arbeidsmigranten

Hoge Raad der Nederlanden, 26-01-2018 ECLI:NL:PHR:2018:85
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
CAO-Recht
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst
Rechtsvraag

Hebben arbeidsmigranten recht op kosteloze huisvesting bij hun werkplek krachtens artikel 55 CAO Bouwnijverheid inzake een vergoeding voor bouwplaatswerknemers bij verafgelegen werken?

Overweging

A-G:  Dat arbeidsmigranten niet als zodanig buiten de werkingssfeer van genoemd art. 55 vallen is op zichzelf juist. Als een Poolse uitzendkracht is aangenomen voor een project in Maastricht en voor hem daar huisvesting is geregeld, maar hij tussendoor wordt ingezet op een meer spoedeisend project in Groningen, dan is - ook in de door [verweerster] verdedigde uitleg - art. 55 lid 1 CAO Bouwnijverheid van toepassing gedurende de tijd dat deze arbeidsmigrant in Groningen werkt. Het is immers te ver om elke dag vanuit Groningen naar Maastricht te reizen. De Poolse uitzendkracht wordt dan precies zo behandeld als een Nederlandse in Zuid-Limburg woonachtige werknemer die voor dezelfde klus in Groningen tijdelijk wordt ingezet. In dit voorbeeld wordt met ‘de woning’ in de zin van art. 55 lid 1 bedoeld de Nederlandse huisvesting in Maastricht, en niet de (eventuele) woning in Polen.

(...)

De toelichting op de beoogde grief neemt tot uitgangspunt dat van een ongelijke behandeling sprake is, omdat art. 55 lid 1 CAO Bouwsector niet op arbeidsmigranten wordt toegepast. Dat uitgangspunt is onjuist (zie hiervoor). Verder vergelijkt FNV ongelijke gevallen. [verweerster] stelt met juistheid dat de arbeidsmigrant die ervoor kiest om (tijdelijk) in Nederland te gaan wonen om bij een Nederlandse werkgever in dienst te treden en daarbij een woning in het buitenland aanhoudt, niet vergelijkbaar is met een Nederlandse werknemer die bij indiensttreding in de buurt van zijn werkgever woont en vervolgens opdracht krijgt om elders, veraf van zijn woning, te gaan werken. Veeleer is hij vergelijkbaar met een Nederlandse werknemer die er voor kiest in dienst te treden bij een verafgelegen werkgever en met het oog daarop (al dan niet tijdelijk) een tweede woning betrekt. Het ligt voor de hand ook bij deze werknemer de (tijdelijke) tweede woning als ‘woning’ in de zin van de CAO-bepaling aan te merken.


 
18047

Conclusie A-G: uitleg begrip nachtrit in artikel 37 CAO Beroepsgoederenvervoer

Hoge Raad der Nederlanden, 26-01-2018 ECLI:NL:PHR:2018:76
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
CAO-Recht
Wet op de collectieve arbeidovereenkomst
Rechtsvraag

Is, anders dan het hof aanneemt, van een nachtrit in de zin van arikel 37 CAO Beroepsgoederenvervoer eerst sprake als een eendaagse rit als hier aan de orde tenminste deels na middernacht plaatsvindt, omdat het spraakgebruik meebrengt dat een rit die vóór 00.00 uur (middernacht) eindigt, niet een nachtrit maar een avondrit is?

Overweging

A-G: Het thans in cassatie ingenomen standpunt van eiseres/werkgeefster: de toeslag voor de uren tussen 20.00 en 24.00 uur is (alleen) verschuldigd als een rit  ten minste gedeeltelijk na 24.00   valt.

Ik verklap nu al dat ik de door verweerster/FNV toegestane uitleg juist acht omdat de tekst van art. 37 CAO duidelijk is. Er staat: voor de diensturen gelegen tussen 20.00 en 04.00 uur wordt een vergoeding toegekend. Daaraan is niet gevoegd: indien na 24.00 uur moet worden doorgewerkt. We hebben hier dus de luxe van een cao-bepaling die eigenlijk niet voor verschillende uitleg vatbaar is.  The provision means what it says.  

Daarmee zijn we er nog niet helemaal, want we moeten vervolgens kijken of de letterlijke tekst niet een onbillijk resultaat te zien geeft. Dat is niet het geval. Integendeel: de door eiseres verdedigde uitleg kan juist leiden tot onbillijke uitkomsten. Ik illustreer dat aan de hand van twee voorbeelden:

1. De rit begint om 16 uur en eindigt om 23.00 uur: volgens eiseres heeft de chauffeur geen recht op de toeslag voor nachtritten; volgens FNV heeft hij dat recht wel voor de drie uur van 20.00 tot 23.00 uur.

2. De rit begint om 19 uur en eindigt om 02.00 uur: volgens eiseres heeft de chauffeur recht op de toeslag voor nachtritten gedurende zes uur (van 20.00 uur tot 02.00 uur); FNV heeft het zelfde standpunt.

Eiseres staat dus een interpretatie voor waarbij een toeslag alleen moet worden betaald  indien   na middernacht moet worden gereden. Zij stelt niet:  indien en voor zover  er na middernacht wordt gereden, omdat dan in het tweede voorbeeld slechts over twee uur (van 24.00 tot 02.00 uur) een toeslag verschuldigd zou zijn. Als deze uitleg wordt gevolgd, hangt het recht op een toeslag over de uren vóór 24.00 uur dus af van het toevallige – en mogelijk te beïnvloeden – moment waarop de rit eindigt. De chauffeur die om 23.45 binnen is krijgt geen toeslag, zijn collega die om 00.15 klaar is krijgt die toeslag wél. Deze uitleg leidt tot ongelijke behandeling van (sterk) vergelijkbare situaties en daarmee tot onaannemelijke rechtsgevolgen.


 
18041

Wetgeving inzake geestelijke gezondheidszorg gaat veranderen

24-01-2018, bron: Wetten van 24 januari 2018, Stb. 2018, 36 (Kamerstukken 31996), Stb. 2018, 37 (Kamerstukken 23399), Stb. 2018, 38 (Kamerstukken 32398)
Regelgeving - Bopz

Samenvatting

Op termijn gaat de onlangs vastgestelde Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg de huidige Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen vervangen. De nieuwe wet beoogt dwangbehandeling zoveel mogelijk te voorkomen. De verplichte zorg wordt beschouwd als laatste redmiddel en er zal worden gestreefd naar een verhoging van de kwaliteit van de verplichte zorg. Tegelijkertijd zijn ook de Wet zorg en dwang

psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten en de Wet forensische zorg vastgesteld. Deze laatste wet beoogt te voorkomen dat personen met een psychische stoornis of verstandelijke beperking in een justitiële inrichting terechtkomen terwijl ze daar eigenlijk niet thuis horen. Daartoe wordt de besturing en financiering van het tbs-systeem aangepast.

Naar verwachting zal de wetgeving 1 januari 2020 in werking treden.


 
18021

Bopz, 81 RO: functie van wettelijke aantekeningen bij verzoek voortgezet verblijf

Hoge Raad der Nederlanden, 19-01-2018 ECLI:NL:PHR:2017:1458
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Bopz
81 RO, 16 lid 4 Wet Bopz, 37a Wet Bopz
Rechtsvraag

Zijn de wettelijke formaliteiten in acht genomen nu bij het verzoek van de officier van justitie om een machtiging tot voortgezet verblijf naast de geneeskundige verklaring overgelegd de wettelijke aantekeningen moeten worden overgelegd en deze in de bestreden beschikking niet worden genoemd?

Overweging

HR: verwerping beroep op grond van art. 81 lid 1 RO.

A-G: Dijkers (SDU Commentaar Wet Bopz, aant. 16) betoogt naar aanleiding van de uitlating van de minister dat psychiatrische ziekenhuizen - gelet op andere prioriteiten - niet verplicht zouden moeten worden om al te veel tijd te steken in het produceren van deze aantekeningen. Die zijn volgens hem immers slechts van beperkte waarde omdat zij beschrijven hoe het in de voorafgaande periode was, terwijl de te nemen beslissing juist de toekomst betreft. (...)

Productie 7 van het in cassatie overgelegde procesdossier betreft een stuk getiteld “Wettelijke aantekeningen bij opname in het kader van de BOPZ”. (...)

In het behandelplan (productie 5) wordt een overzicht gegeven van de bevindingen vanaf 28 oktober 2016, de dag dat betrokkene voor het eerst is opgenomen met een inbewaringstelling. (...)

In de hiervoor geciteerde passages (niet opgenomen, red.) en de overige inhoud van het behandelplan wordt genoegzaam voor de rechter en voor de verdediging duidelijk gemaakt wat de gezondheidstoestand van betrokkene was in de maanden voorafgaand aan het onderhavige verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf, ook wat betreft de periode die betrokken elders doorbracht. Gelet hierop kon de rechtbank voorbijgaan aan de stelling van de raadsman dat de wettelijke aantekeningen van het verblijf in Balkbrug ontbreken. 

 


 
18018

Terugbetaling teveel ontvangen kinderalimentatie

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18-01-2018 ECLI:NL:GHSHE:2018:142
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Alimentatie
1:404 BW
Rechtsvraag

Als het hof een lagere kinderalimentatie vaststelt dan de rechtbank, kan dan aan de beslissing geen terugwerkende kracht worden verbonden om te voorkomen dat er door de vrouw moet worden terugbetaald terwijl zij een uitkering heeft?

Overweging

Ter zitting van het hof is gebleken dat de vrouw evenals de man een uitkering krachtens de Participatiewet ontvangt. Dit brengt met zich dat de door de vrouw ontvangen c.q. verhaalde kinderalimentatie door de gemeente op de door haar ontvangen uitkering in mindering is gebracht, waardoor deze kinderalimentatie niet (extra) aan de kinderen ten goede is gekomen. Indien de vrouw teveel ontvangen kinderalimentatie dient terug te betalen, betekent dit dat zij over de betreffende periode een te lage uitkering ontvangen heeft, zodat de gemeente tot aanvulling van de uitkering dient over te gaan. De door de man betaalde c.q. op hem verhaalde kinderalimentatie is daarentegen wel op diens inkomen in mindering gebracht ondanks dat het de man aan draagkracht ontbrak. Voorts is door de rechtbank, voor wat betreft minderjarige 2, een hogere kinderalimentatie opgelegd dan diens behoefte. Het hof is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat van de vrouw kan worden gevergd dat de door haar teveel ontvangen c.q. verhaalde kinderalimentatie aan de man dient te worden terugbetaald.


 
18023

Groep van ondernemingen in het kader van een herplaatsingsplicht

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18-01-2018 ECLI:NL:GHSHE:2018:146
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Algemeen
Arbeidsovereenkomstenrecht
7:672 BW, 9 Ontslagregeling
Rechtsvraag

Heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de werkgever de arbeidsovereenkomst met werknemer kon opzeggen bij vennootschap 1? Zijn de mogelijkheden om herplaatsing voldoende onderzocht nu vennootschap 1 behoort tot een groep?

Overweging

Naar het oordeel van het hof blijkt niet dat de vennootschap 1 als onderdeel van een groep moet worden gekwalificeerd. Dat de vennootschap 1 in het organogram is opgenomen, kan verklaard worden door het feit dat GBN Groep BV via de Stichting Aandelenbezit de vennootschap 1 een belang heeft in de vennootschap 1. Het hebben van een deelneming impliceert nog niet dat er sprake is van een groep.

Dat X gevolmachtigd bestuurder is van de vennootschap 1 en tevens verbonden is aan GBN Groep BV, leidt evenmin tot de conclusie van de vennootschap 1 een groepsmaatschappij van de groep is. X voert als titulair directeur het beleid van het bestuur van de vennootschap 1 uit. Hij heeft ter zitting ook aangegeven waarom hij tot titulair directeur van de vennootschap 1 is benoemd. Toen verkoper van aandelen zijn aandelen in de vennootschap 1 omstreeks 2010/2011 verkocht en bestuurder 3 aandeelhouder werd, kwam de positie van directeur vrij. Op dat moment was X al werkzaam voor de GBN Groep; X had een groot netwerk en was bekend met de activiteiten van de vennootschap 1. Hij heeft zich toen bereid verklaard om het titulair directeurschap op zich te nemen en heeft direct een manager aangesteld die feitelijk de bedrijfsvoering deed; X werkt ongeveer 1 dag in de week voor de vennootschap 1; de rest van de tijd besteedt hij aan het verrichten van werk ten behoeve van de GBN Groep BV en andere maatschappijen die tot deze groep behoren. Ter zitting heeft hij aangegeven dat de vennootschap 1 andere bedrijfsactiviteiten heeft dan die van de GBN Groep. Er is geen sprake van enige gemeenschappelijke strategie tussen beide bedrijven.


 
18082

Uitbetalingsplicht voor werkgever bij opname vakantiedagen na einde wachttijd

Rechtbank Noord-Holland, 18-01-2018 ECLI:NL:RBNHO:2018:2766
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Ziekte
Ontslag en ontbinding
7:629 BW, 7:639 BW
Rechtsvraag

Heeft werknemer recht op betaling van loon over vakantiedagen die zijn opgenomen nadat het dienstverband door arbeidsongeschiktheid was beëindigd?

Overweging

Ja. Naar het oordeel van de kantonrechter brengt de strekking en bedoeling van artikel 7:639 lid 1 BW en een uitleg van dat artikel conform Richtlijn 2003/88/EG, mee dat werknemer aanspraak heeft op doorbetaling van loon over de door hem opgenomen vakantiedagen. Daaraan doet niet af dat hij die vakantiedagen heeft opgenomen in een periode waarin de loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte op grond van artikel 7:629 BW al was geëindigd. Het eindigen van de loonbetalingsverplichting tijdens ziekte kan - ook gelet op de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis - immers niet afdoen aan het recht voor arbeidsongeschikte werknemers om vakantiedagen tijdens ziekte te kunnen opnemen, met name in verband met een vrijstelling van re-integratieverplichtingen. Immers, de re-integratieverplichtingen van werknemer en werkgever op grond van de artikelen 7:658a en 660a BW blijven grotendeels bestaan, ook na afloop van de loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte als bedoeld in artikel 7:629 BW. Aangenomen moet dus worden dat de wetgever ook voor die situatie met artikel 7:639 lid 1 BW heeft beoogd om een werknemer een aanspraak te geven op vakantie met behoud van loon. Verder brengt de rechtspraak van het HvJ EU mee dat werknemer bij het opnemen van zijn vakantie tijdens arbeidsongeschiktheid moet worden geplaatst in een situatie die qua beloning vergelijkbaar is met gewerkte periodes. In dergelijke gewerkte periodes is uiteraard steeds sprake geweest van betaling van loon. Ook daaruit volgt dat over de door werknemer opgenomen vakantiedagen loon moet worden betaald.


 
18036

Schadevergoeding wegens onrechtmatig kopiëren van database door werknemer

Rechtbank Rotterdam, 17-01-2018 ECLI:NL:RBROT:2018:491
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Algemeen
Arbeidsovereenkomstenrecht
7:611 BW, 6:162 BW
Rechtsvraag

Is werknemer te kort is geschoten in zijn verplichting uit hoofde van de arbeidsovereenkomst met werkgever VRTU en dat hij en de gedaagden sub 2 tot en met 4 onrechtmatig jegens VRTU hebben gehandeld door bij het einde van het dienstverband een door VRTU opgebouwde database met technisch geschoolde medewerkers en kandidaten te kopiëren en aan derden te verstrekken?

Overweging

Doordat werknemer (verder: gedaagde 1) zonder toestemming een door werkgever VRTU opgebouwde database met medewerkers en kandidaten heeft gekopieerd en meegenomen, kennelijk om deze te gebruiken om medewerkers en kandidaten te benaderen, en deze databases in handen van derden (in elk geval Paytra) heeft laten komen, heeft hij onrechtmatig jegens VRTU gehandeld. Immers heeft hij een inbreuk gemaakt op een recht van VRTU, althans heeft hij in strijd gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Die onrechtmatige daad kan hem ook worden toegerekend. Deze is immers te wijten aan zijn schuld. 

(...)

AJW Group B.V. en AJW Technisch Uitzendbureau B.V. hebben aangevoerd dat de onrechtmatige daad van gedaagde 1 niet aan hen kan worden toegerekend. Daartoe hebben zij gesteld dat zij geen weet hadden dat de door gedaagde 1 ingebrachte databases onrechtmatig zouden kunnen zijn verkregen of een vermeend gebruik hiervan een onrechtmatige daad jegens VRTU zou opleveren. De rechtbank verwerpt dit verweer. Zoals volgt uit het voorgaande werden AJW Group B.V. en AJW Technisch Uitzendbureau B.V. ten tijde van de onrechtmatige gedraging van gedaagde 1 (indirect) bestuurd door gedaagde 1, bestuurder gedaagde 3 en 4 en bestuurder gedaagde 3 en 4. De rechtbank acht onaannemelijk dat de andere twee directieleden niet wisten van de handelingen van het derde directielid gedaagde 1. Daarnaast acht de rechtbank onaannemelijk dat AJW Group B.V. en AJW Technisch Uitzendbureau B.V, althans hun (indirecte) bestuurders, zich niet hebben afgevraagd hoe de onderneming gelijk bij de start daarvan al beschikte over een dergelijke grote database van kandidaten, die de kern van de onderneming vormde en die normaal gesproken over een veel langere tijd wordt opgebouwd. 

Uit het voorgaande volgt dat gedaagde 1 door het meenemen en kopiëren van een door VRTU opgebouwd bestand en het aan derden ter beschikking stellen daarvan onrechtmatig jegens VRTU heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de schade die VRTU dientengevolge lijdt. Uit doelmatigheidsoverwegingen zal de rechtbank in het midden laten of gedaagde 1 daardoor ook tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichting uit de arbeidsovereenkomst, zoals VRTU (primair) stelt. Voor de omvang en de hoogte van de door VRTU geleden schade doet niet ter zake of deze wordt gebaseerd op tekortschieten uit hoofde van de arbeidsovereenkomst of op onrechtmatige daad, terwijl aldus de – mogelijk met bewijslevering gepaard gaande – vraag of in de arbeidsovereenkomst een verbodsbeding met betrekking tot het meenemen van documenten is opgenomen (hetgeen gedaagde 1 betwist) geen behandeling meer behoeft.

VRTU heeft daartoe onder meer gesteld dat zij schade heeft geleden doordat bedrijfsgeheime informatie in handen van derden is gekomen. Verder bestaat haar schade uit omzetderving omdat haar personeelsbestand van actieve medewerkers onder de 150 is gezakt en gedaagden medewerkers hebben gecontracteerd die voorheen bij VRTU werkzaam waren. De rechtbank acht dit voldoende voor het aannemen van de mogelijkheid van schade en zal de vordering daarom toewijzen. In de schadestaatprocedure kan aan de orde komen in hoeverre de database van VRTU uniek is en in hoeverre het onrechtmatig handelen van gedaagden dienaangaande tot schade voor VRTU heeft geleid.

Gedaagden zullen derhalve hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de door VRTU als gevolg van het hiervoor beschreven onrechtmatige handelen van gedaagden geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.


 
18168

Is een anti-ronselbeding gelijk te stellen aan een relatiebeding ex artikel 7:653 BW?

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17-01-2018 ECLI:NL:RBZWB:2018:1947
Jurisprudentie - Human Resource
Arbeidsrecht
Ontslagrecht
Algemeen
Samenvatting

Algemeen wordt inmiddels ook aangenomen dat een relatiebeding onder artikel 7:653 lid 1 BW valt en de Hoge Raad heeft dit in haar arrest van 3 maart 2017 (AR 2017, 245) expliciet beves-tigd. De vraag of het ronselbeding in deze zaak valt onder artikel 7:653 BW moet naar het oor-deel van de kantonrechter worden beantwoord aan de hand van de door het beding opgewor-pen beperkingen. Indien de bedongen beperkingen betrekking hebben op de bevoegdheid van de werknemer om na het einde van de arbeidsovereenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn dan valt het beding onder artikel 7:653 BW. De kantonrechter is van oordeel dat werknemer door het niet mogen “wegtrekken” van personeel en/of het bewegen van personeel bij een an-dere werkgever in dienst te treden wordt beperkt in haar werkzaamheden bij haar volgende werkgever. 


Advies aan HR: Goed om te weten
 
18020

Bopz, 81 RO: geen onredelijke vertraging procedure

Hoge Raad der Nederlanden, 16-01-2018 ECLI:NL:PHR:2017:1457
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Bopz
81 RO, 9 Wet Bopz, 20 Rv, 6 EVRM
Rechtsvraag

Is de procedure rond een verzoek om voorlopige machtiging onredelijk vertraagd doordat tussen de mondelinge behandeling en de uitspraak twee maanden zijn verstreken?

Overweging

HR: verwerping beroep op grond van art. 81 lid 1 RO.

A-G: Nee. Na indiening van het verzoek op 18 mei 2017 is dit mondeling behandeld op 30 mei 2017. De behandeling is aangehouden tot 20 juni 2017, waarbij de officier van justitie de mogelijkheid kreeg om een andersoortige machtiging te verzoeken. Op 27 juni 2017 heeft de officier van justitie aangegeven van deze mogelijkheid geen gebruik te maken en de rechtbank verzocht een beslissing te geven op het oorspronkelijke verzoek. De rechtbank heeft vervolgens (de advocaat van) betrokkene de gelegenheid gegeven daarop te reageren, hetgeen de advocaat bij e-mail van 13 juli 2017 heeft gedaan. Op 20 juli 2017 heeft een nieuwe zitting plaatsgevonden en is een eindbeschikking gegeven. Van een onredelijke vertraging is mijns inziens geen sprake. Bovendien blijkt uit de beschikking van 20 juli 2017 welke stappen er tussen 18 mei 2017 en 20 juli 2017 genomen zijn. De beschikking is daarmee voldoende gemotiveerd. 


 
18092

Ernstig verwijtbaar handelen werkgever in 'reorganisatie', geen sprake van serieus herplaatsingsonderzoek, toekenning billijke vergoeding van € 530.000 bruto

Rechtbank Noord-Holland, 16-01-2018 ECLI:NL:RBNHO:2018:310
Jurisprudentie - Human Resource
Arbeidsrecht
Ontslagrecht
Samenvatting

Werknemer is op 19 maart 2012 bij Idexx in dienst getreden als VP General Manager. Idexx heeft werknemer op 9 november 2016 meegedeeld dat zijn functie als gevolg van een reorganisatie komt te vervallen, waarna werknemer per direct is vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden. Idexx heeft werknemer op diezelfde dag een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst voorgelegd en werknemer vier dagen de tijd gegeven hierop te reageren. Toen werknemer de vaststellingsovereenkomst niet wilde tekenen, heeft Idexx het UWV om toestemming gevraagd de arbeidsovereenkomst op te mogen zeggen, waarna het UWV op 30 mei 2017 de gevraagde toestemming verleende, waarna Idexx heeft de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Werknemer stelt het UWV Idexx de toestemming niet had mogen geven, nu het ontslag een redelijke grond ontbeert, omdat geen sprake is van een reorganisatie. Werknemer stelt tevens dat Idexx haar herplaatsingsplicht heeft geschonden door hem niet te plaatsen in de functie, die op dit moment VP-CAG Commercial Europe wordt genoemd en vordert een billijke vergoeding van € 928.600 bruto.

 

De kantonrechter oordeelt dat er geen sprake is geweest van een serieus herplaatsingstraject. Dat Idexx reeds voordat zij werknemer boventallig heeft verklaard, de herplaatsingsmogelijkheden heeft onderzocht, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gebleken. Desgevraagd is namens Idexx immers verklaard dat aanleiding voor het boventallig verklaren van werknemer op 9 november 2016 het vertrek van leidinggevende was. Dat vervolgens in een dag tijd de herplaatsingsmogelijkheden van werknemer zijn onderzocht is onaannemelijk. Dat de functie Head of CEE niet passend zou zijn geweest voor werknemer is ook onvoldoende gebleken. De kantonrechter kan zich ook niet aan de indruk onttrekken dat Idexx deze functie heeft laten vervallen en dat vervolgens de functie VP Commercial Europe is gecreëerd, waarbij juist het accent werd gelegd op onderdelen waarop de ervaring werknemer tekortschoot. Vast staat dat werknemer in ieder geval tot september 2016 altijd uitstekend heeft gefunctioneerd en ook Idexx noemt werknemer een 'High Potential'. Dat Idexx onder die omstandigheden werknemer een dag na het aangekondigde ontslag van zijn leidinggevende heeft aangezegd dat zijn arbeidsovereenkomst zal komen te eindigen, hem per direct op non-actief heeft gesteld en aanvankelijk slechts vier dagen de tijd heeft gegeven een vaststellingsovereenkomst te tekenen, is een ernstige schending van goed werkgeverschap en valt Idexx zwaar aan te rekenen. Er bestond geen enkele noodzaak om per direct het besluit te nemen de functie van werknemer te laten vervallen en evenmin om hem zonder enige aanleiding op non-actief te stellen. Dit alles tezamen maakt dat er naar het oordeel van de kantonrechter sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Onder die omstandigheden is herstel van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet meer mogelijk. Het verzoek van werknemer om toekenning van een billijke vergoeding van €  530.000 bruto wordt toegewezen.


Advies aan HR: Goed om te weten
 
18015

Geen bevoegdheid echtscheidingsverzoek, wel bevoegdheid gezagsverzoeken

Hoge Raad der Nederlanden, 12-01-2018 ECLI:NL:HR:2018:31
Jurisprudentie - Rechtseenheid
Gezag en omgang
Procesrecht
1:251a BW, 8 lid 1 Verordening Brussel II-bis, 827 Rv
Rechtsvraag

Kunnen er voorzieningen worden getroffen voor wat betreft het gezag over een in Nederland wonende minderjarige, terwijl er ten aanzien van het echtscheidingsverzoek geen Nederlandse bevoegdheid bestaat?

Overweging

Ja. De omstandigheid dat bij de Nederlandse rechter geen echtscheidingsprocedure tussen de vrouw en de man aanhangig is of kan worden gemaakt, staat niet in de weg aan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van art. 8 lid 1 Verordening Brussel II-bis. Evenmin staat daaraan in de weg dat het stelsel van art. 827 lid 1, aanhef en onder c, Rv in verbinding met art. 1:251a lid 2 BW berust op het uitgangspunt dat voorzieningen betreffende, onder meer, “het gezag over, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over, de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van of de omgang met, de informatie en raadpleging over (…) minderjarige kinderen van de echtgenoten” als ‘nevenvoorziening’ kunnen worden getroffen door de rechter die de echtscheiding uitspreekt. De Nederlandse rechter die op grond van art. 8 lid 1 Verordening Brussel II-bis bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind, kan zijn beslissing op dat verzoek aanhouden in afwachting van de uitkomst van een bij een buitenlandse rechter aanhangige of aanhangig te maken echtscheidingsprocedure, dan wel aan zijn beslissing voorwaarden verbinden die verband houden met een in het buitenland uit te spreken echtscheiding.


 
18025

Hoge billijke schadevergoeding voor journalist Heijdendael in conflict met VPRO

Rechtbank Midden-Nederland, 12-01-2018 ECLI:NL:RBMNE:2018:100
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Arbeidsovereenkomstenrecht
Algemeen
7:669 lid 3 sub g BW
Rechtsvraag

Heeft werkgever VPRO in het kader van ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen de VPRO en journalist Heijdendael ernstig verwijtbaar gehandeld of nagelaten?

Overweging

Partijen vinden allebei dat de tussen hen ontstane onherstelbare vertrouwensbreuk terug te voeren is tot de uitzending van Argos van 13 juni 2015, en meer in het bijzonder tot de discussie over het fotorolletje (met foto’s van het afvoeren van mannen in moslimenclave Srebrenica, red.). Voorafgaand aan de uitzending heeft tussen partijen een stevige inhoudelijke discussie plaatsgevonden over het wel of niet uitzenden van de tweede reconstructie die Heijdendael en B hadden uitgevoerd. Niet in geschil is dat de eindredacteur de uiteindelijke beslissing neemt over wat wel en niet in een uitzending wordt opgenomen. C heeft, als eindredacteur van het programma Argos, besloten om de reconstructie niet op te nemen in de uitzending. Als belangrijkste argument heeft hij hiervoor destijds gegeven – en ook bij de mondelinge behandeling herhaald – dat hij de kwestie ‘journalistiek niet zo belangrijk’ vond. Met name, zo begrijpt de kantonrechter, omdat ook van de tweede reconstructie niet met zekerheid te zeggen valt dat het op die manier gegaan is. Het is niet de bedoeling om op de stoel van de eindredacteur te gaan zitten. De afwegingen die de eindredacteur gemaakt heeft worden door de kantonrechter als een gegeven beschouwd, maar deze worden wel op hun waarde geschat en worden meegewogen bij de beoordeling van het ontstane arbeidsconflict. (...)

Gelet op het grote belang dat Heijdendael – met een beroep op deze beginselen – hechtte aan het uitzenden van het voor het Ministerie van Defensie ontlastende materiaal, was naar het oordeel van de kantonrechter een zeer zorgvuldige wijze van omgaan met de kwestie geboden. VPRO heeft die zorgvuldigheid niet betracht. Zij had kunnen begrijpen dat het afdoen van de kwestie als journalistiek niet belangrijk genoeg, niet alleen inhoudelijk te weinig gemotiveerd is, maar ook kwetsend ten opzichte van Heijdendael als gewaardeerd en gerespecteerd onderzoeksjournalist. Dat de kwestie onzorgvuldig is behandeld, wordt (achteraf) overigens ook erkend door VPRO-directeur M, zo valt te lezen in zijn e-mail van 13 januari 2017 aan Heijdendael. Ook C zegt achteraf dat hij beter had kunnen communiceren en dat hij wel een paar zinnen aan de reconstructie had kunnen wijden. 

En daar zit naar het oordeel van de kantonrechter het grootste probleem. VPRO zegt steeds achteraf dat er onzorgvuldig en/of onjuist is gehandeld, maar daarmee heeft ze onvoldoende de bij Heijdendael ontstane schade kunnen wegnemen. Als goed werkgever heeft zij de verantwoordelijkheid om vooraf na te denken over hoe zij met haar werknemers omgaat. Natuurlijk kan er wel eens een fout gemaakt worden en kunnen excuses soms voldoende zijn. In dit geval is er echter sprake van een opeenstapeling van fouten en toezeggingen die niet nagekomen worden die ervoor gezorgd hebben dat Heijdendael ziek werd en ziek bleef.


 
18017

Partneralimentatie en inspanningen rond voorzien in eigen levensonderhoud

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11-01-2018 ECLI:NL:GHARL:2018:355
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Alimentatie
1:157 BW
Rechtsvraag

Heeft de rechtbank terecht de behoeftigheid van de vrouw na zes jaar op nihil gezet en is daarmee voorbijgegaan aan haar recht op twaalf jaar alimentatie?

Overweging

De vrouw heeft gesteld dat zij voldoende inspanningen heeft verricht om betaald werk te vinden en zij heeft ter onderbouwing daarvan diverse sollicitatiebrieven overgelegd. De man heeft deze stelling van de vrouw gemotiveerd betwist. Volgens de man zijn de betreffende sollicitatiebrieven niet te kwalificeren als serieuze inspanningen van de vrouw om inkomen te verwerven, gelet op de ontmoedigende openingszin, de minimale omvang en de vele gemaakte type- en taalfouten in de brieven. Dat de vrouw, zoals zij zelf stelt, gebrekkig Nederlands spreekt, behoeft volgens de man geen belemmering te vormen bij het vinden van een betaalde baan, temeer nu zij de Engelse taal uitstekend beheerst (zowel mondeling als schriftelijk) en derhalve bij een Engelstalig bedrijf zou kunnen werken. De vrouw heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat er in de omgeving van A geen Engelstalige bedrijven zitten en zij daarvoor niet (naar het westen) wil verhuizen. De man heeft daartegen ingebracht dat hijzelf ook woonachtig is in A en dagelijks naar C afreist voor zijn werk, hetgeen volgens hem ook van de vrouw verlangd kan worden. Voorts is gebleken dat de vrouw tot op heden - ondanks de door haar overgelegde inschrijvingsbewijzen - nimmer daadwerkelijk met een taalcursus (Nederlands) is aangevangen. De kinderen van partijen zijn thans 20 jaar en 16 jaar oud, zodat de vrouw evenmin heeft aangetoond dat de zorg voor de kinderen een belemmering kan vormen voor het vinden van een betaalde baan. De vrouw heeft in het verleden (administratieve) werkervaring opgedaan bij verschillende bedrijven en zij werkt thans al langere tijd op vrijwillige basis op D te A. De man meent dat van de vrouw verwacht kan worden dat zij een opleiding gaat volgen om haar kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Gebleken is dat de vrouw enkel via haar eigen (beperkte) netwerk getracht heeft een betaalde baan te vinden en via internet sollicitatieactiviteiten heeft verricht. Van de vrouw kan verlangd worden dat zij zich inschrijft bij verschillende uitzendbureaus en zich laat bijstaan bij het verrichten van sollicitatieactiviteiten.

Het hof is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat de vrouw haar stelling dat zij voldoende inspanningen heeft verricht om betaald werk te vinden, onvoldoende heeft onderbouwd gelet op het gemotiveerde verweer van de zijde van de man en hetgeen voorts is komen vast te staan. Dat de vrouw niet in staat zou zijn om (voldoende) inkomsten te verwerven is derhalve niet komen vast te staan. Dit brengt met zich dat de vrouw in hoger beroep niet heeft aangetoond dat zij behoeftig is, hetgeen een afwijzingsgrond vormt voor de door haar verzochte bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud.


 
18022

Ontbinding mogelijk omdat het geen verband heeft met opzegverbod wegens ziekte

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11-01-2018 ECLI:NL:GHSHE:2018:65
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Ziekte
Ontslag en ontbinding
7:669 lid 3 aanhef en onder d BW
Rechtsvraag

Heeft de kantonrechter het verzoek tot ontbinding op grond van artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder d BW terecht toegewezen, nu bij appellante sprake is van arbeidsongeschiktheid wegens een operatie?  

Overweging

Ja. Het feit dat appellante arbeidsongeschikt was op het moment van indiening van het verzoekschrift tot ontbinding stond niet in de weg aan toewijzing van dit verzoek, nu het verzoek geen verband houdt met de arbeidsongeschiktheid wegens de operatie van appellante aan haar baarmoeder op 24 maart 2017 en ook voor het overige geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod wegens ziekte betrekking heeft. (...) Voorts is niet gebleken dat het verzoek eigenlijk gestoeld is op grond van artikel 7:699 lid 3 onder c BW in plaats van op grond van artikel 7:699 lid 3 onder d BW, zoals appellante stelt.   Het hof is derhalve van oordeel dat de kantonrechter het verzoek tot ontbinding op de grond vermeld in artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder d BW terecht heeft toegewezen.  


 
18024

Kort geding inzake rechtsgeldigheid van een relatie- en non-concurrentiebeding in een tijdelijke arbeidsovereenkomst

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 09-01-2018 ECLI:NL:GHSHE:2018:68
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Arbeidsovereenkomstenrecht
7:653 BW
Rechtsvraag

Heeft de kantonrechter terecht het tussen partijen gesloten concurrentiebeding en relatiebeding geschorst totdat in een bodemgeding over de rechtsgeldigheid ervan een einduitspraak zal zijn gedaan?

Overweging

Ja. Naar haar aard kan in de onderhavige kort gedingprocedure de vraag of zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen bestaan die het opnemen van de onderhavige bedingen in een tijdelijke arbeidsovereenkomst rechtvaardigen niet ten gronde worden beantwoord. Het is aan de bodemrechter om het bestaan van die belangen vast te stellen. In een daartoe tussen partijen te voeren bodemgeding zal als uitgangspunt hebben te gelden dat, gegeven de omstandigheid dat partijen een tijdelijke arbeidsovereenkomst zijn aangegaan, het overeengekomen relatiebeding en het overeengekomen non-concurrentiebeding in beginsel nietig zijn. Wanneer de vennootschap zich in de bodemprocedure op de rechtsgevolgen van deze bedingen wil beroepen, zal het aan haar zijn om te stellen dat zij in weerwil van artikel 7:653, lid 1 aanhef en onder a BW rechtsgeldig tot stand zijn gekomen. In dat verband zal zij feiten moeten stellen en, bij betwisting, bewijzen die het oordeel rechtvaardigen dat het overeenkomen van deze bedingen bij het aangaan van de overeenkomst en ten tijde van het beroep dat zij erop heeft gedaan noodzakelijk was vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. In het onderhavige kort geding heeft de vennootschap ook gesteld dat bedingen bij het aangaan van de overeenkomst en ook nu nog noodzakelijk zijn vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen.

Geïntimeerde heeft dit echter gemotiveerd betwist. In dat verband voert geïntimeerde tal van feiten en omstandigheden aan die maken dat in het onderhavige, specifiek hem betreffende geval het gewicht van het belang van de vennootschap niet van dien aard is dat het aangaan van de omstreden bedingen vanuit zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen (nog) noodzakelijk is. Zoals eerder overwogen, leent de onderhavige procedure zich niet voor een uitvoerig onderzoek naar de juistheid van door partijen gestelde feiten en omstandigheden. Of de vennootschap in een te voeren bodemprocedure in staat is om aan te tonen dat vanuit zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen de noodzaak bestond om, behalve een geheimhoudingsbeding, ook een relatiebeding en een non-concurrentiebeding overeen te komen, laat zich naar het voorlopig oordeel van het hof op dit moment niet met een zodanige mate van zekerheid vaststellen dat nu reeds kan worden geoordeeld dat deze bedingen, anders dan volgt uit het bepaalde in artikel 7:653, lid 1 aanhef en onder a BW, rechtsgeldig zijn overeengekomen en dat geïntimeerde gehouden is deze bedingen na te komen.


 
18031

Verdeling pensioenrechten naar recht van de staat New York

Gerechtshof Amsterdam, 09-01-2018 ECLI:NL:GHAMS:2018:62
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Echtscheiding
Huwelijksvermogensrecht
1:100 BW
Rechtsvraag

Had de rechtbank het pensioen van de vrouw dienen te verdelen volgens de 50/50-regel uit de uitspraak van het New York Court of Appeals van 3 april 1984, Majauskas v. Majauskas en dat in de beschikking ook in het Engels te verwoorden, ten behoeve van executie in het buitenland?

Overweging

Vast staat dat de gerechtigdheid tot het pensioenrecht vanwege het huwelijk van partijen dient te worden beoordeeld naar het recht van de staat New York (Verenigde Staten van Amerika). Vanwege dit uitgangspunt heeft het hof bij tussenbeschikking van 20 december 2016 een aan het Asser Instituut verbonden persoon tot deskundige benoemd om antwoord te krijgen op de volgende vragen. (...)(niet opgenomen, red.)

Het hof maakt uit het deskundigenbericht op dat het huwelijksvermogensregime naar het recht van de staat New York wordt beheerst door de Domestic Relations Law (hierna: DRL) van New York. Voor wat betreft de omvang van het huwelijksvermogen (marital property) geldt een vergelijkbare peildatum als naar Nederlands recht en kan worden aangesloten bij de datum van indiening van het inleidend verzoek tot echtscheiding: 22 oktober 2014. Op deze peildatum bestond het pensioenrecht van de vrouw en in zoverre kan dat vermogensrecht behoren tot het huwelijksvermogen.

Ten aanzien van de vraag naar de relevante peildatum voor de (verdeling van de) waarde van het huwelijksvermogen geeft de deskundige aan dat de rechter enige vrijheid heeft, waarbij een datum kan worden bepaald die ligt tussen de dag van indiening van het inleidende stuk en de dag van de behandeling. Nu in het deskundigenbericht melding wordt gemaakt van het uitgangspunt dat, wanneer het gaat om een passieve stijging van het “marital” deel van de pensioenrechten - genoemd wordt een toename vanwege beleggingen - een datum dicht gelegen bij de zitting de voorkeur heeft. Nu voorts in het bericht is aangegeven dat deze toename van het vermogen ook onderworpen is aan de “equitable distribution” (hierna, op basis van Van Dale: billijke verdeling) zal het hof deze “autonome” vermogenstoename vanaf de datum van indiening van het verzoek tot de datum van de laatste zitting bij het hof waarin de verdeling aan de orde kwam (19 oktober 2017) in het kader van de toets van de billijke verdeling meenemen.

Nu de man ervan uitgegaan is dat de pensioenrechten staande huwelijk zijn opgebouwd en de vrouw in haar verweerschrift in hoger beroep niet nader gespecificeerd heeft aangegeven dat zij in het jaar 2000 – dus in het jaar dat partijen in het huwelijk traden – is toegetreden tot het fonds, gaat het hof ervan uit dat het pensioenrecht in kwestie staande huwelijk is opgebouwd. Het voorgaande brengt mee dat de zogenaamde “marital component”, dit is het (breuk)deel van de opgebouwde waarde in het pensioen dat kan worden toegerekend aan de huwelijkse periode, als genoemd onder punt 6 van het deskundigenbericht, op 1 kan worden gesteld.

De tussenconclusie op grond van het voorgaande is dat het gehele tot 19 oktober 2017 opgebouwde pensioenvermogen tot het huwelijksvermogen behoort.


 
18034

Conclusie AG: motivering schadebeperking bij tekortkoming in inleenovereenkomst van uitzendkrachten

Hoge Raad der Nederlanden, 05-01-2018 ECLI:NL:PHR:2018:11
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Algemeen
6:97 BW
Rechtsvraag

Heeft het hof ten onrechte in het midden gelaten hoeveel uitzendkrachten zouden worden overgenomen en waarom niet met hulp van uitzendkrachten van andere bureaus de productie weer op orde zou kunnen hebben, ook niet voor zover werkgeefster uitzendkrachten zou hebben overgenomen?

Overweging

A-G: Bij de behandeling van de tegen deze overwegingen gerichte onderdelen moet worden vooropgesteld dat de rechter bij het begroten van de schade op de voet van art. 6:97 BW een grote vrijheid heeft. Dat brengt mee dat het oordeel dienaangaande zich slechts in beperkte mate leent voor toetsing in cassatie. In cassatie kan worden getoetst of de rechter blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip schade of ter zake van de wijze van begroting van de schade, maar de wijze van begroting is verder sterk met de feiten verweven en kan in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. De begroting van de schade kan wel met motiveringklachten worden bestreden

(...)

Het hof legt niet uit wat het onder “de productie weer op orde hadden kunnen hebben” verstaat. Mogelijk is daarmee bedoeld dat inleenster c.s. na 10 juli 2012 weer over hetzelfde aantal uitzendkrachten kon beschikken als daarvoor.

De stellingen waarnaar inleenster/eiseres c.s. onder b), c) en d) verwijzen, komen er evenwel op neer dat de toerekenbare tekortkoming van uitleenster/verweerster op 6 juli 2012 meebracht dat 100-135 werknemers in de vakantieperiode moesten worden vervangen. Dat het een vervanging van 100-135 uitzendkrachten betrof, volgt ook uit het door het hof zelf vastgestelde feit dat het aantal over de periode begin juli 2011 tot begin juli 2012 door uitleenster ter beschikking gestelde uitzendkrachten varieerde van 100 tot 135 per week. Ook de stelling onder a) dat dat aantal ongeveer de helft van het bij inleenster c.s. werkzame werknemers was, is door het hof als een vaststaand feit bestempeld. Gegeven deze vaststellingen is de aanname van het hof, dat inleenster c.s. met de hulp van uitzendkrachten van andere uitzendbureaus na 10 juli 2012 weer over hetzelfde aantal uitzendkrachten kon beschikken als daarvoor, ook omdat inleenster c.s. uitzendkrachten van uitleenster hebben overgenomen, - zonder nadere motivering - niet begrijpelijk.

Daar komt bij dat het hof niet heeft vastgesteld hoeveel uitzendkrachten inleenster c.s. van uitleenster hebben overgenomen. 

Het is ook mogelijk dat hof heeft bedoeld dat inleenster c.s. na 10 juli 2012 geen verstoring van het productieproces meer hoefden te ondervinden. In de stellingen van inleenster c.s. onder e) en g) wordt er echter op gewezen dat inleenster c.s. vanwege de beëindiging van de overeenkomst met uitleenster genoodzaakt waren om elders uitzendkrachten te betrekken die veelal aanzienlijk minder ervaring hadden dan de uitzendkrachten van uitleenster.

In het licht van deze stellingen is de aanname van het hof, (ook) zo begrepen dat inleenster c.s. met de hulp van uitzendkrachten van andere uitzendbureaus na 10 juli 2012 geen verstoring van het productieproces meer hoefden te ondervinden, ook omdat inleenster c.s. uitzendkrachten van uitleenster hebben overgenomen, m.i. - zonder nadere motivering - onbegrijpelijk.


 
18009

Rechterlijke vaststelling contact of omgang bij (vermoedelijke) partnerdoding

01-01-2018, bron: Wet van 7 juni 2017, Stb. 2017, 245 jo 348 (Kamerstukken 34518)
Regelgeving - Jeugdrecht

Samenvatting

Als sprake is van (vermoedelijke) partnerdoding zal de kinderrechter op basis van een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming altijd oordelen of en in hoeverre er contact of omgang kan plaatsvinden in het belang van het kind. Deze wet, die op 1 januari 2018 in werking is getreden, voegt een nieuw artikel 242a toe aan boek 1 van het BW en vult de huidige artikelen 1:250 en 1:377 e BW aan. 


 
18008

Wettelijke beperking van gemeenschap van goederen in werking

01-01-2018, bron: Wet van 24 april 2017, Stb. 2017, 177 jo 178 (Kamerstukken 33987)
Regelgeving - Huwelijksvermogensrecht

Samenvatting

Voor wie na 1 januari 2018 in het huwelijk treedt of een geregistreerd partnerschap aangaat, geldt geen algehele gemeenschap van goederen, maar een beperkte gemeenschap. Uit het herziene artikel 1:94 BW blijkt onder meer dat de gemeenschap omvat alle goederen die vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten die zij afzonderlijk of gezamenlijk hebben verkregen vanaf de aanvang van de gemeenschap. Als uitzondering daarop geldt het verkregene krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift verkregen goederen, pensioenrechten op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, alsmede nabestaandenpensioen, en vruchtgebruik. 


 

VAKnieuws is een initiatief van en wordt u aangeboden door centrum permanente educatie.


VAKnieuws houdt u middels praktische en uitgekiende samenvattingen op de hoogte van belangrijke juridische ontwikkelingen. Al het vaknieuws wordt met uiterste zorg samengesteld. De samenstellers, makers en centrum permanente educatie zijn niet aansprakelijk voor enigerlei schade als gevolg van het gebruik van dit vaknieuws.