personen-, familie- en erfrecht

VAKnieuws

sorteer op datum sorteer op nummer  
 
24037

Thuiszorgwerker geen belanghebbende bij verzoek mentorschap.

Gerechtshof Amsterdam, 04-06-2024 ECLI:NL:GHAMS:2024:1519
Jurisprudentie - Rechtseenheid
Curatele, bewind en mentorschap
Procesrecht
1:451 BW; 1:452 BW; 1:461 BW; 798 Rv;
Rechtsvraag

Kan de thuiszorgwerker als belanghebbende worden aangemerkt in de procedure over mentorschap?  

Overweging

Het verzoek tot mentorschap is in eerste aanleg ingediend door de bewindvoerder. De thuiszorgwerker is in eerste aanleg opgeroepen voor de zitting en heeft de beschikking ontvangen. Zij heeft in eerste aanleg geen stukken ontvangen. Op het moment waarop de bewindvoerder het verzoek deed was de thuiszorgwerker nog altijd bij betrokkene betrokken in haar hoedanigheid van thuiszorgwerker. Zij kon op grond van artikel  1:452 lid 6, onder c BW op dat moment niet worden benoemd tot mentor. Nadat zij acht weken niet meer als thuiszorgwerker bij betrokkene heeft gewerkt, heeft de thuiszorgwerker tijdens de procedure in eerste aanleg alsnog verzocht om haarzelf als mentor over de betrokkene te benoemen. Dit verzoek is afgewezen.

In hoger beroep beslist het hof dat de thuiszorgwerker geen belanghebbende is. Zij is niet iemand op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft in de zin van artikel 798 Rv. Uit artikel 1:451 lid 2 BW volgt dat het mentorschap kan worden verzocht door het openbaar ministerie en door de instelling waar de betrokkene wordt verzorgd of die aan de betrokkene begeleiding biedt. Dat de thuiszorgwerker zelf ondernemer is en dus mogelijk beschouwd kan worden als een instelling in de zin van artikel 1:451 lid 2 BW is volgens het hof niet van belang. De achterliggende gedachte van het geven van de bevoegdheid tot het verzoeken van een onderbewindstelling aan instellingen waar de betrokkene wordt verzorgd is dat dergelijke instellingen, bij afwezigheid of niet optreden van een partner of familieleden, in ieder geval wel omgang en contact met de betrokkene hebben en daarom in staat worden geacht in te kunnen schatten of de betrokkene een bewindvoerder, mentor of curator nodig heeft. Nu de bewindvoerder reeds een verzoek tot mentorschap had ingediend, is daarmee al zorggedragen voor de bescherming van de betrokkene.


 
24041

Verzoek tot wijziging alimentatie onvoldoende onderbouwd. Ontbreken berekening.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 04-06-2024 ECLI:NL:GHARL:2024:3830
Jurisprudentie - Rechtseenheid
Alimentatie
1:401 BW
Rechtsvraag

Op welke wijze moet een verzoeker een verzoek tot wijziging van de alimentatie onderbouwen?

Overweging

Het hof overweegt dat uit het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, in het bijzonder de regels betreffende alimentatie, volgt dat bij betwisting van de draagkracht van een van de ouders of bij een verzoek tot wijziging van de alimentatie, financiële informatie dient te worden overgelegd ter onderbouwing van die standpunten. Dat houdt in ieder geval in: een draagkrachtberekening en een berekening van de behoefte, met alle daaraan ten grondslag liggende stukken, zoals recente inkomensgegevens en bewijsstukken.

De man heeft in eerste aanleg recente inkomensgegevens verstrekt waarmee de vrouw in hoger beroep (alsnog) een berekening had kunnen maken. Dat heeft zij niet gegaan. De toegezonden summiere correspondentie met de accountant en de blote stelling ter zitting dat de man een geschat inkomen zou hebben van € 92.000,- tegenover een inkomen van € 16.000,- aan de zijde van de vrouw waardoor hij aldus in de behoefte moet kunnen voorzien, is onvoldoende. Het verzoek wordt afgewezen omdat de vrouw onvoldoende heeft gesteld en wat zij heeft gesteld onvoldoende heeft onderbouwd.


 
24038

In Wvggz voorgeschreven psychiatrisch onderzoek in beginsel in fysieke aanwezigheid betrokkene.

Hoge Raad der Nederlanden, 31-05-2024 ECLI:NL:HR:2024:789
Jurisprudentie - Rechtseenheid
Wvggz
7:1 Wvggz; 7:2 Wvggz; 7:7 Wvggz.
Rechtsvraag

Kan het onder omstandigheden voldoende zijn als de psychiater het in de Wvggz voorgeschreven medisch onderzoek verricht via beeldbellen?

Overweging

De Hoge Raad overweegt dat de psychiater het in de Wvgzz voorgeschreven medisch onderzoek in beginsel in fysieke aanwezigheid van de betrokkene moet verrichten door de betrokkene in zijn fysieke aanwezigheid te spreken en observeren, tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is. 

In de aan de Hoge Raad voorgelegde casus heeft de psychiater de betrokkene in het kader van een crisismaatregel via videobellen onderzocht. Op dat moment was het vanwege de opbouwende agressie van betrokkene niet mogelijk om hem in zijn fysieke aanwezigheid te onderzoeken. Dit onderzoek is door het OM ook gevoegd bij het verzoek tot verlenging van de crisismaatregel op de voet van art. 7:7 Wvggz. De Hoge Raad oordeelt dat bij de beoordeling of het onderzoek van de psychiater voldoet aan de daaraan in het kader van de verzochte machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel te stellen eisen, in het bijzonder of een onderzoek door de psychiater in fysieke aanwezigheid van de betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk was, niet alleen de omstandigheden ten tijde van de voorbereiding van de crisismaatregel van belang zijn, maar ook de omstandigheden nadien tot aan het indienen van het verzoek om een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel. Dit betekent dat, indien de aanvankelijk afgegeven medische verklaring niet berust op een onderzoek door de psychiater in fysieke aanwezigheid van de betrokkene, aanleiding bestaat de medische verklaring aan te vullen als voorafgaand aan het verzoek om een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel een onderzoek door de psychiater in fysieke aanwezigheid van de betrokkene wel mogelijk is.


 
24031

Neutrale en onpartijdige vereffenaar nodig voor afwikkeling erfenis.

Gerechtshof Amsterdam, 28-05-2024 ECLI:NL:GHAMS:2024:1447
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Erfrecht
4:203 BW
Rechtsvraag

Wanneer kan de rechter een vereffenaar benoemen?

Overweging

Verzoekers en verweerders zijn broers en zussen, en de erfgenamen van de erflaatster: hun moeder. De erfgenamen hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard. De rechtbank heeft op verzoek van een van de erfgenamen een vereffenaar benoemd. De verzoekers zijn daartegen in hoger beroep gekomen omdat zij het onnodig vinden dat er kosten worden gemaakt voor een vereffenaar terwijl zij de nalatenschap ook zelf kunnen afwikkelen. Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank. 

Het feit dat de nalatenschap beneficiair is aanvaard, brengt mee dat de nalatenschap op de wettelijk voorgeschreven wijze moet worden vereffend.  Het hof overweegt dat de erfgenamen in beginsel de nalatenschap gezamenlijk kunnen vereffenen maar dat de rechter op grond van artikel 4:203 BW een vereffenaar kan benoemen, onder meer op verzoek van een van hen. Het hof maakt een belangenafweging en oordeelt dat de verweerders belang hebben bij een professionele vereffenaar ondanks dat dit kosten met zich meebrengt. Het hof vindt in deze casus de benoeming van een professionele vereffenaar noodzakelijk, aangezien partijen naar verwachting niet in staat zijn om de nalatenschap gezamenlijk te vereffenen. Erflaatster is inmiddels drie jaar geleden overleden en de verzoekers en verweerders hebben tot op heden de nalatenschap niet gezamenlijk afgewikkeld. Verzoekers hebben verweerders niet bij de afwikkeling van de nalatenschap betrokken. De verhouding tussen de verschillende erfgenamen is ernstig verstoord. Bovendien woont een van de verzoekers nog altijd in het ouderlijk huis welke in het kader van de afwikkeling verkocht en verdeeld moet worden, waarover ook een impasse bestaat


 
24033

Niet-ontvankelijk hoger beroep wegens 17 seconden te laat ingediend beroepschrift.

Gerechtshof Amsterdam, 28-05-2024 ECLI:NL:GHAMS:2024:1446
Jurisprudentie - Rechtseenheid
Procesrecht
Artikel 33 Rv; artikel 806 Rv; artikel 9 Besluit elektronisch procederen.
Rechtsvraag

Is het hoger beroep nog tijdig ingesteld als het beroepschrift om 00.00 uur is ontvangen?

Overweging

De beroepstermijn liep af op 20 juni 2023. Het beroepschrift is via Zivver (veilig mailen) ingediend en door het hof ontvangen op 21 juni 2023 om 00:00:17 uur. Het hof verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep wegens het te laat indienen van het beroepschrift. 

Het hof overweegt dat rechtsmiddelentermijnen van openbare orde zijn en ambtshalve door de rechter moeten worden toegepast. Het hof verwijst naar de recente beschikkingen  van de Hoge Raad van 25 mei 2023 (ECLI:NL:HR:2023:776) en 12 april 2024 (ECLI:NL:HR:2024:570). In  artikel 33 lid 3 Rv staat dat berichten die voor 24:00 uur van de laatste dag van een lopende termijn zijn ontvangen, als binnen de termijn geldend zijn ingediend. Nu niet is gebleken van een storing in de zin van artikel  8 Besluit elektronisch procederen, is de overschrijding van de termijn voor indiening van het hoger beroep niet verschoonbaar. Er zijn ook geen andere omstandigheden gesteld of gebleken die maken dat zich hier een geval voordoet waarin een uitzondering kan worden gemaakt op de strikte handhaving van de beroepstermijn.


 
24032

Geslaagd tegenbewijs tegen stelling dat de sieraden op de peildatum nog (in de kluis) aanwezig waren.

Gerechtshof Amsterdam, 21-05-2024 ECLI:NL:GHAMS:2024:1392
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Huwelijksvermogensrecht
Procesrecht
1:94 BW; 150 Rv.
Rechtsvraag

Maken de sieraden onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap?

Overweging

Tussen partijen geldt een beperkte huwelijksgemeenschap. Partijen hebben tijdens het huwelijksfeest, na de huwelijksvoltrekking, gouden sieraden ontvangen. Deze sieraden maakten onderdeel uit van de huwelijksgemeenschap. Die sieraden hebben partijen ondergebracht in een kluis. Het hof heeft op voorhand de stelling van de man dat de sieraden op de datum van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap (de peildatum) nog in de kluis aanwezig waren, aangenomen. Dat zou betekenen dat de sieraden onderdeel uitmaken van de te verdelen ontbonden huwelijksgemeenschap. Het hof heeft de vrouw in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren. De vrouw heeft tegenbewijs geleverd met een document waaruit blijkt dat zij op een datum vóór de peildatum de kluis heeft bezocht, en getuigenverklaringen dat de vrouw de kluis vóór de peildatum heeft bezocht, dat zij de sieraden uit de kluis heeft gehaald en dat de man de sieraden heeft verkocht. Het hof oordeelt dat de vrouw met haar stukken en de getuigenverklaringen zodanige twijfel heeft gezaaid dat het hof niet kan vaststellen dat de sierraden op de peildatum nog aanwezig waren in de kluis. De man heeft daardoor niet aan zijn bewijslast voldaan. 


 
24036

Rechtbank weigert betrokkene als gemachtigde in alle familie- en jeugdzaken voor de duur van twee jaar.

Rechtbank Midden-Nederland, 16-05-2024 ECLI:NL:RBMNE:2024:3068
Jurisprudentie - Rechtseenheid
Procesrecht
81 Rv; 280 Rv.
Rechtsvraag

Kan de rechtbank bijstand of vertegenwoordiging door een gemachtigde weigeren?

Overweging

Op grond van artikel 81 lid 1 en artikel 280 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de rechtbank in verzoekschriftprocedures bijstand of vertegenwoordiging weigeren door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan en die geen advocaat of deurwaarder is. De weigering geldt voor een bepaalde zaak of voor een door de rechtbank te bepalen tijd.

De betrokkene in deze zaak was voorheen advocaat. Hij is door de raad van discipline van het tableau geschrapt, en deze beslissing is door het hof van discipline bekrachtigd. Betrokkene wil nu als gemachtigde in jeugdbeschermingszaken optreden. De rechtbank oordeelt dat er ernstige bezwaren bestaan tegen betrokkene en dat deze ernstige bezwaren structureel van aard zijn. De rechtbank haalt verschillende overwegingen van het hof van discipline aan, en overweegt dat j eugdbeschermingszaken bij uitstek gevoelige zaken zijn, omdat de overheid hier diep ingrijpt in het gezinsleven van kinderen en hun ouders. Van een professioneel rechtsbijstandsverlener wordt dus juist in deze procedures verwacht dat hij/zij met gepaste onafhankelijkheid, deskundigheid en integriteit optreedt en binnen de regels van de wet een eerlijk proces voor zijn/haar cliënten voert.  De rechtbank is onvoldoende overtuigd dat betrokkene in de toekomst als gemachtigde anders zal handelen dan als advocaat.  


 
24034

Ondertoezichtstelling niet bedoeld om de moeder te dwingen om DNA-onderzoek te laten doen.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14-05-2024 ECLI:NL:GHARL:2024:3436
Jurisprudentie - Rechtsontwikkeling
Jeugdrecht
1:255 BW
Rechtsvraag

Is voortzetting van de ondertoezichtstelling met als doel de moeder mee te laten werken aan een DNA-test proportioneel en doelmatig?

Overweging

In een andere procedure heeft de man vervangende toestemming gekregen om het kind te erkennen. De moeder is veroordeeld om mee te werken aan DNA-onderzoek, maar dat weigert zij. De man heeft het kind nog niet erkend omdat hij het DNA-onderzoek wil afwachten. 

In deze procedure is het kind in eerste aanleg onder toezicht gesteld. De moeder is hier tegen in hoger beroep gekomen. Het hof heeft de bestreden beschikking vernietigd.  De enige zorg die tijdens het hoger beroep nog aan de ondertoezichtstelling ten grondslag wordt gelegd, is dat het kind in haar identiteitsontwikkeling wordt bedreigd doordat de moeder niet wil meewerken aan een DNA-test en statusvoorlichting. Het hof oordeelt dat voortzetting van de ondertoezichtstelling op deze grond niet proportioneel en doelmatig is.

Het hof overweegt dat een ondertoezichtstelling gericht moet zijn op het wegnemen van een ontwikkelingsbedreiging door middel van het inzetten van hulpverlening. Een ondertoezichtstelling is daarom niet geschikt om de moeder te dwingen om DNA-onderzoek te laten doen. De Raad en de GI hebben ook niet onderbouwd wat voor andere hulpverlening er ingezet kan worden om de bedreiging van de identiteitsontwikkeling af te wenden. Daarnaast overweegt het hof dat het hof in de andere procedure nog niet heeft beslist over het gezag en de omgang, en dat de man de minderjarige nog niet heeft erkend. Een gedwongen kader vanwege het opstarten van de omgang tussen het kind en de man is daarom voorbarig.


 
24035

De status van de jong-meerderjarige tijdens het hoger beroep tegen een beslissing over kinderalimentatie.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 07-05-2024 ECLI:NL:GHARL:2024:3194
Jurisprudentie - Rechtsontwikkeling
Alimentatie
Procesrecht
1:404 BW; 1:395a BW; 798 Rv.
Rechtsvraag

Is het kind dat tijdens de procedure in eerste aanleg tussen de ouders over het  met terugwerkende kracht  wijzigen van de kinderalimentatie al jongmeerderjarig was, belanghebbende?

Overweging

De man heeft in eerste aanleg met terugwerkende kracht nihilstelling van de kinderalimentatie verzocht. Het kind was op dat moment al jongmeerderjarig. In eerste aanleg, waarin de jongmeerderjarige ook als belanghebbende betrokken is, is de procedure enkel gegaan over de kinderalimentatie die de man aan de vrouw moet betalen. In hoger beroep gaat de man ook in op de bijdrage aan de jongmeerderjarige zelf. Het hof bepaalt dat h et in hoger beroep niet ook kan gaan over de bijdrage in de kosten van studie- en levensonderhoud die de man vanaf de achttiende verjaardag aan de jongmeerderjarige moet betalen. De man heeft in eerste aanleg namelijk niet expliciet vermeld dat de procedure ook daarover ging. D e jongmeerderjarige is wel belanghebbende in het hoger beroep voor zover het gaat over de kinderalimentatie die de man aan de vrouw moet betalen over de periode tot aan de achttiende verjaardag van de jongmeerderjarige.  De jongmeerderjarige heeft namelijk wel belang om zelf in rechte op te treden en een standpunt in te kunnen nemen over de bijdrage die de man aan de vrouw moet betalen voor de periode waarin de jongmeerderjarige nog minderjarig was. De jongmeerderjarige wordt daarom wel als belanghebbende aangemerkt.


 
24040

Voorlopige voogdij over kinderen in Gaza afgewezen omdat het onuitvoerbaar is.

Rechtbank Midden-Nederland, 30-04-2024 ECLI:NL:RBMNE:2024:2661
Jurisprudentie - Rechtsontwikkeling
Jeugdrecht
1:241 BW; 1:253q BW; 1:253r BW
Rechtsvraag

Onder welke omstandigheden kan de (kinder)rechter een voorlopige voogdij over kinderen uitspreken?

Overweging

Uit de wet volgt dat de rechtbank op verzoek van (onder meer) de Raad een voogd benoemt wanneer de ouder die het gezag uitoefent al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen; of het bestaan of de verblijfplaats van de ouders of één van hen die het gezag uitoefenen, onbekend is.  Gedurende de periode waarin één van voornoemde omstandigheden zich voordoet is het gezag van de ouder (tijdelijk) geschorst.

In deze casus verblijft een deel van de minderjarige kinderen van de met het eenhoofdig gezag belaste moeder al ruim anderhalf jaar bij familie in Gaza zonder toestemming van de moeder. De moeder en de vader (zonder gezag) zijn familie van elkaar. Door angst voor de vader en de familie is de moeder niet in staat om de nodige gezagsbeslissingen te nemen. De rechtbank wijst daarom de door de raad verzochte voogdij over de in Nederland verblijvende kinderen toe. De rechtbank wijst het verzoek van de raad om ook de voogdij uit te spreken over de in Gaza verblijvende kinderen af. De kinderen hebben ook al onder toezicht gestaan en dat bleek onuitvoerbaar. Daarnaast is het ministerie van buitenlandse zaken nog altijd aan het proberen de kinderen te repatriëren. Zolang de kinderen in Gaza verblijven treft de maatregel van een voogdij geen doel. 


 
24039

Moeders gezag hersteld, ondertoezichtstelling en machtiging gesloten jeugdzorg.

Rechtbank Den Haag, 29-04-2024 ECLI:NL:RBDHA:2024:7844
Jurisprudentie - Rechtseenheid
Gezag en omgang
Jeugdrecht
1:277 BW; 1:255 BW; 6.1.2 Jeugdwet
Rechtsvraag

Is na het herstel van het ouderlijk gezag een nieuwe machtiging gesloten jeugdhulp nodig?

Overweging

Het ouderlijk gezag van de moeder is hersteld op grond van artikel 1:277 BW. De minderjarige verblijft in een gesloten jeugdinstelling. De rechtbank spreekt tegelijkertijd met het herstel van het ouderlijk gezag ook een ondertoezichtstelling uit. Er was voorheen al een machtiging gesloten jeugdzorg verleend aan de voogdijinstelling, die nu als gecertificeerde instelling belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De rechtbank is van oordeel dat er geen nieuwe machtiging gesloten jeugdhulp nodig is.


 
24030

Tot stand brengen van omgang kan onder omstandigheden wel voldoende grond zijn voor een ondertoezichtstelling.

Gerechtshof Amsterdam, 23-04-2024 ECLI:NL:GHAMS:2024:1224
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Jeugdrecht
1:255 BW
Rechtsvraag

Is het tot stand brengen van omgang altijd onvoldoende grond voor een ondertoezichtstelling?

Overweging

In de periode voordat de ondertoezichtstelling door de rechtbank werd uitgesproken, is er in het vrijwillig kader geprobeerd om het contact tussen de vader en het kind tot stand te brengen. De moeder grieft dat er geen grond is voor een ondertoezichtstelling omdat er sprake lijkt te zijn van een 'omgangsondertoezichtstelling'. Het hof verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:295) en overweegt dat alleen het tot stand brengen van omgang onvoldoende grond is om een ondertoezichtstelling uit te spreken maar dat niet is uitgesloten dat oplegging van een ondertoezichtstelling gerechtvaardigd kan zijn indien het ontbreken van omgang zodanige belastende conflicten of problemen voor het kind opleveren dat deze op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden een ernstige bedreiging opleveren voor zijn zedelijke of geestelijke belangen en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of voorzienbaar zullen falen. 


 
24029

Geen ontzegging omgang en geen belang bij grieven tegen overwegingen rechtbank over ouderverstoting

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18-04-2024 ECLI:NL:GHSHE:2024:1366
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Gezag en omgang
1:253a BW
Rechtsvraag

Is er aanleiding voor een ontzegging van de omgang nu de vader zijn verzoek tot naleving dan wel vaststelling van de zorgregeling heeft ingetrokken? Heeft de moeder belang bij haar grieven tegen de overweging van de rechtbank dat er sprake is van ouderverstoting?

Overweging

Het kind van partijen wil geen contact met de vader. De rechtbank heeft de door de vader verzochte nakoming danwel vaststelling van een zorgregeling en het verzoek van de moeder om de vader het recht op omgang te ontzeggen, afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat er sprake is van parental alienation. 

Uit het raadsrapport komt in hoger beroep duidelijk naar voren dat het kind geen draagvlak heeft voor contact met de vader. De vader trekt in hoger beroep zijn verzoek over de zorgregeling daarom in. De moeder handhaaft haar verzoek om de vader het recht op omgang te ontzeggen. Daarnaast verzoekt zij in hoger beroep om vast te stellen dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat er sprake is van parental alienation (ouderverstoting). 

Het hof oordeelt dat er geen aanleiding bestaat voor ontzegging van het recht op omgang, omdat de vader de wensen en het tempo van het kind tot nu toe heeft gerespecteerd en ook in hoger beroep aangeeft dat hij de wensen van het kind zal blijven respecteren en geen acties zal ondernemen om in contact te komen. Verder oordeelt het hof dat de overweging van de rechtbank dat er sprake is van parental alienation geen vaststelling van enig rechtsfeit betreft en daarmee dus ook geen rechtsgevolg heeft. Hetzelfde geldt voor de overweging van de rechtbank dat het rapport van het Expertteam Ouderverstoting/Complexe omgangsproblematiek als richtinggevend wordt beschouwd. Nu de overwegingen geen rechtsgevolg hebben, heeft de moeder geen rechtens te respecteren belang bij haar grieven, zodat deze falen.


 
24022

Het doel van het hoger beroep moet duidelijk zijn

Gerechtshof Den Haag, 17-04-2024 ECLI:NL:GHDHA:2024:688
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Huwelijksvermogensrecht
Procesrecht
359 Rv; 278 Rv.
Rechtsvraag

Moet een onduidelijk petitum in het hoger beroep leiden tot niet-ontvankelijkheid?

Overweging

De man is in hoger beroep gekomen tegen de echtscheidingsbeschikking. Hij richt zijn grieven tegen de beslissingen over de partneralimentatie en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. In zijn petitum verzoekt hij de beschikking van de rechtbank op deze punten te vernietigen en opnieuw te beslissen over deze onderwerpen. De vrouw vindt dat de man niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep omdat de man geen duidelijk verzoek heeft gedaan. 

Het hof overweegt dat het beroepschrift op grond van de artikelen 359 juncto 278 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan bepaalde eisen moet voldoen. Het beroepschrift moet een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het berust omvatten. Het hof is van oordeel dat ondanks het onduidelijke petitum van de man, uit de grieven en de onderbouwing daarvan voldoende duidelijk blijkt wat de man met het hoger beroep wil bereiken. Het hof oordeelt dat de man wel ontvankelijk is in zijn hoger beroep. 

Zowel de verzoeken in het prinicipaal hoger beroep als de verzoeken in het incidenteel hoger beroep worden vervolgens afgewezen, voornamelijk omdat er onvoldoende is gesteld en onderbouwd.


 
24023

Hoger beroep tegen afwijzing verlenging ondertoezichtstelling niet mogelijk nadat de ondertoezichtstelling van rechtswege is geëindigd.

Gerechtshof Den Haag, 17-04-2024 ECLI:NL:GHDHA:2024:692
Jurisprudentie - Rechtseenheid
Jeugdrecht
Procesrecht
1:260 BW; 1:255 BW
Rechtsvraag

Tot wanneer kan in hoger beroep worden opgekomen tegen de afwijzing van een verzoek tot verlenging van een ondertoezichtstelling?

Overweging

In eerste aanleg heeft de rechtbank bij beschikking van 11 oktober 2023 het verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling afgewezen. De ondertoezichtstelling liep daardoor van rechtswege af op 14 oktober 2023, het einde van de eerder verleende ondertoezichtstelling. De vader is in hoger beroep gekomen tegen deze afwijzing, maar hij heeft zijn hoger beroep ingesteld na 14 oktober 2023, dus na het van rechtswege eindigen van de ondertoezichtstelling. Volgens vaste jurisprudentie kan een ondertoezichtstelling niet meer verlengd worden als de ondertoezichtstelling op dat moment al van rechtswege is geëindigd. De vader is daarom niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.


 
24021

Inkorting giften wegens tekort in nalatenschap voor de legitieme porties

Gerechtshof Den Haag, 16-04-2024 ECLI:NL:GHDHA:2024:685
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Erfrecht
4:7 BW; 4:67 BW; 4:89 BW; 4:90 BW.
Rechtsvraag

Moeten de door erflaatster gedane giften worden ingekort zodat de legitieme vorderingen kunnen worden voldaan?

Overweging

In deze casus heeft de erflaatster haar woning verkocht aan een van haar erfgenamen (hierna: appellant 1). Appellant 1 heeft de koopprijs voldaan als volgt: een deel van de koopprijs is weggestreept tegen het gebruiksrecht van de erflaatster zolang zij nog zou leven, een deel van de koopprijs is weggestreept tegen de vordering van appellant 1 op erflaatster met betrekking tot de nalatenschap van de al eerder overleden echtgenoot van erflaatster, een deel van de koopprijs heeft erflaatster aan appellant 1 geschonken en een deel van de koopprijs heeft appellant 1 van erflaatster geleend, en erflaatster heeft dit bedrag later kwijtgescholden. Erflaatster heeft ook een schenking gedaan aan appellant 2. Uit de nalatenschap moeten meerdere schulden worden voldaan, en na voldoening daarvan blijft er onvoldoende over om de legitime porties van geïntimeerde 1 en geïntimeerde 2 in de nalatenschap van erflaatster te voldoen. 

Het hof overweegt dat de wettelijke bepalingen met betrekking tot legtieme vormen een feitelijke beperking van de testeervrijheid van erflaatster inhouden. De legitieme portie is een wettelijk vastgesteld recht van geïntimeerden. Nu vaststaat dat de nalatenschap van erflaatster (zonder giften) negatief is, verklaart het hof voor recht dat de genoemde giften moeten worden betrokken bij de berekening van de legitieme rechten van geïntimeerden en dat deze giften in aanmerking komen voor inkorting door geïntimeerden op de voet van de artikel 4:89 en 4:90 BW ter voldoening van hun legitieme porties.


 
24013

Via Zivver (veilig mailen) verzonden beroepschrift te laat ingediend doordat het beschadigd was.

Hoge Raad der Nederlanden, 12-04-2024 ECLI:NL:HR:2024:570
Jurisprudentie - Rechtsontwikkeling
Procesrecht
artikel 8 Besluit elektronisch procederen; artikel 4.3.8 Procesreglement.
Rechtsvraag

Voor wiens risico komt het elektronisch indienen van een beschadigd bestand?

Overweging

Het beroepschrift is via Zivver (veilig mailen) ingediend een dag voor het verstrijken van de beroepstermijn. Zowel het hof als de advocaat van de wederpartij konden het bestand niet openen. De advocaat van de wederpartij heeft dit nog voor het verstrijken van de beroepstermijn aan de advocaat van appellant laten weten. Het beroepschrift is tevens per post bij het hof ingediend, twee dagen na het verstrijken van de beroepstermijn. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk omdat niet tijdig hoger beroep is ingesteld. In cassatie ligt de vraag voor of het hof terecht heeft geoordeeld dat niet sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De Hoge Raad verwijst naar artikel 8 van het Besluit elektronisch procederen en artikel 4.3.8 (Bijlage III) Procesreglement waarin staat: “ Als op de laatste dag van een geldende termijn voor indiening van een processtuk of bericht een niet aan de indiener toerekenbare verstoring plaatsvindt van de toegang tot Veilig Mailen, is een daardoor veroorzaakte overschrijding van de termijn verschoonbaar als het processtuk of bericht uiterlijk wordt ingediend op de eerstvolgende dag na de dag waarop de indiener ermee bekend had kunnen zijn dat de verstoring is verholpen .”

De Hoge Raad oordeelt dat niet is gesteld of gebleken dat er een storing was bij Zivver, nu zowel het hof als de advocaat van de wederpartij de e-mail en het bestand wel hebben ontvangen, maar het bestand niet konden openen. Een beroep op artikel 4.3.8 Procesreglement is dus niet mogelijk. Ook is volgens de Hoge Raad niet sprake van een apparaatsfout. Van een in de rechtspraak aanvaarde apparaatsfout is geen sprake indien de medewerkers van de griffie van een gerecht de advocaat die ervoor kiest een processtuk in te dienen via Veilig Mailen, niet erop attenderen dat een bestand niet te openen is.


 
24015

Verhuizing, hoofdverblijfplaats en zorgregeling bij co-ouderschap

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11-04-2024 ECLI:NL:GHSHE:2024:1237
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Gezag en omgang
artikel 1:253a BW
Rechtsvraag

Is de (wijziging van de) hoofdverblijfplaats bij co-ouderschap een puur administratieve aangelegenheid?

Overweging

Zie ook de tussenbeschikking. De moeder heeft in deze casus al eerder om vervangende toestemming gevraagd om met de minderjarige naar een andere woonplaats te verhuizen. Dat verzoek is destijds afgewezen omdat de vader speciaal naar de woonplaats van partijen is verhuisd zodat partijen co-ouderschap kunnen uitoefenen. Die beslissing is in die procedure ook door het hof bekrachtigd. De moeder verzoekt in deze procedure wederom vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarige te verhuizen naar de woonplaats van haar partner, op 20 minuten rijden van de vader. Het hof wijst het verzoek om vervangende toestemming om met de minderjarige te verhuizen in deze procedure om dezelfde reden af en verwijst naar de eerdere procedure tussen partijen. Daarnaast wijzigt het hof de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en de zorgregeling. Daarbij overweegt het hof dat het wijzigen van de hoofdverblijfplaats, anders dan de moeder stelt, niet enkel een administratieve aangelegenheid is. De hoofdverblijfplaats van de minderjarige wordt ook gewijzigd omdat dit in het belang van de minderjarige is, nu het leven van de minderjarige zich centreert in de woonplaats van de vader, het grootste deel van zijn sociale omgeving zich hier bevindt, hij hier naar school gaat en deelneemt aan buitenschoolse activiteiten. Het hof verwijst naar het advies van de Raad, die ook heeft laten meewegen dat de moeder de wens heeft om te verhuizen.


 
24019

Beperkt gezag van gewijsde op wijze berekenen draagkracht

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11-04-2024 ECLI:NL:GHSHE:2024:1255
Jurisprudentie - Rechtseenheid
Alimentatie
Procesrecht
1:401 BW
Rechtsvraag

Heeft een oordeel over de wijze waarop de draagkracht moet worden berekend uit een eerdere procedure tussen partijen gezag van gewijsde?

Overweging

De vrouw grieft tegen de berekening van de draagkracht van de man op basis van zijn gemiddelde winst uit onderneming over de afgelopen drie jaren. Zij stelt dat de draagkracht van de man moet worden berekend aan de hand van zijn winst uit onderneming over het laatste jaar voor de ingangsdatum van de gewijzigde kinderalimentatie, omdat de draagkracht van de man in een eerdere procedure tussen partijen ook op die wijze is berekend. Dat oordeel uit die eerdere procedure heeft volgens de vrouw gezag van gewijsde tussen partijen. Het hof verwijst naar de  uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2013 (ECLI:NL:HR:2013:2109) en de daarbij behorende conclusie van de AG (ECLI:NL:PHR:2013:1095), en overweegt dat uit die uitspraak (en ook uit latere jurisprudentie) volgt dat a an beslissingen die zien op alimentatiekwesties zoals deze slechts beperkt gezag van gewijsde toe komt. Daarnaast is er een wijziging van omstandigheden, wat een nieuwe berekening van de kinderalimentatie rechtvaardigt en dus ook een nieuwe beoordeling van de wijze waarop de draagkracht moet worden berekend.  


 
24020

Partneralimentatie: verdiencapaciteit, vermogen, dividend, gedeelde woonlasten en bijdrage aan meerderjarig kind

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11-04-2024 ECLI:NL:GHSHE:2024:1248
Jurisprudentie - Rechtsontwikkeling
Alimentatie
1:156 BW; 1:400 BW
Rechtsvraag

Op welke wijze speelt vermogen een rol bij de aanvullende behoefte?

Kan bij de draagkracht rekening worden gehouden met dividenduitkeringen?

Moet het woonbudget gehalveerd worden bij duurzaam samenwonen?

Moet rekening worden gehouden met een vrijwillige bijdrage aan een meerderjarig kind ouder dan 21 jaar?

Overweging

Bij de vaststelling van de partneralimentatie komen in deze casus meerdere discussies aan de orde.

Het hof houdt bij de vaststelling van de aanvullende behoefte van de vrouw naast haar Wajong-uitkering ook rekening met een verdiencapaciteit op basis van 24 uur per week werken, omdat de vrouw tijdens het huwelijk 24 uur per week werkte in het bedrijf van de man. Daarnaast houdt het hof rekening met een rendement van 4% over het vermogen van de vrouw van € 550.000,- welk vermogen zij heeft verkregen uit overbedeling bij de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap. 

Bij de vaststelling van de draagkracht van de man, stelt de vrouw dat een jaarlijkse dividenduitkering van € 60.000,- moet worden opgeteld bij het inkomen van de man. De man verweert zich. Bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap is de onderneming gewaardeerd volgens de DCF-methode. Daarbij is al rekening gehouden met toekomstige winstuitkeringen. Het is volgens de man dubbelop om dan ook bij de draagkracht voor de partneralimentatie rekening te houden met de dividenduitkeringen. Het hof gaat niet in op dit verweer van de man, en overweegt dat met de dividenduitkeringen sowieso geen rekening gehouden kan worden nu de dividenduitkeringen in ieder geval in de komende jaren nodig zijn om de tijdens het huwelijk opgebouwde rekeningcourantschuld af te betalen. 

Tevens staan de woonlasten van de man ter discussie. De vrouw stelt dat de man duurzaam aanmerkelijk lagere woonlasten heeft dan het woonbudget, omdat hij samen woont. Zij vindt dat moet worden gerekend met de helft van het woonbudget. Het hof rekent toch met het woonbudget, omdat er een groot inkomensverschil bestaat tussen de man en zijn partner (90/10). Het hof vindt het onder die omstandigheden niet redelijk om de helft van de woonlasten aan zijn partner toe te rekenen. 

Tot slot staat ter discussie of de man zijn bijdrage aan zijn meerderjarige zoon in mindering mag brengen op zijn draagkracht. Het hof overweegt dat een vrijwillige onderhoudsbijdrage aan een meerderjarig kind ouder dan 21 jaar niet voor gaat op de partneralimentatie. Met die bijdrage wordt dus geen rekening gehouden. 


 
24027

Onderhoudsplichtige moet zijn inkomen op peil houden, ook als hij gaat studeren

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 09-04-2024 ECLI:NL:GHARL:2024:2364
Jurisprudentie - Rechtsontwikkeling
Alimentatie
1:404 BW
Rechtsvraag

Staat het de onderhoudsplichtige ouder vrij om te gaan studeren als dit gevolgen heeft voor zijn/haar draagkracht?

Overweging

De man was tijdens het huwelijk ondernemer. In de periode van de echtscheiding heeft hij zijn onderneming beëindigd en is hij een mbo-opleiding begonnen met als doel na zijn opleiding een twee keer zo hoge omzet te kunnen behalen. De man stelt dat hij tijdens zijn studie hooguit de minimale draagkracht heeft van € 25,- per maand.

Het hof oordeelt dat het bij de berekening van de draagkracht niet alleen gaat om wat de man feitelijk verdient maar ook wat hij in staat is te verdienen. Het staat de man niet vrij om zijn werkzaamheden te stoppen en een opleiding te gaan volgen, als dat tot gevolg heeft dat hij tijdelijk niet aan zijn onderhoudsplicht kan voldoen. De keuze van de man om te gaan studeren mag niet zonder meer worden afgewenteld op het kind en de vrouw. Het hof berekent daarom de draagkracht van de man aan de hand van de inkomensgegevens uit de periode waarin partijen nog samen waren.


 
24042

Vernietiging beschikking zorgmachtiging wegens niet horen betrokkene.

Hoge Raad der Nederlanden, 05-04-2024 ECLI:NL:HR:2024:547
Jurisprudentie - Rechtsontwikkeling
Wvggz
6:1 Wvggz
Rechtsvraag

Wanneer kan een rechter voorbij gaan aan het vereiste dat de betrokkene moet worden gehoord na ontvangst van het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging?

Overweging

De Hoge Raad overweegt dat de rechter op grond van artikel 6:1 Wvggz de betrokkene dient te horen na ontvangst van het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. De gedachte hierachter is verderstrekkend dan het beginsel van hoor en wederhoor. Het gaat er ook om dat zoveel mogelijk wordt gewaarborgd  dat aan iemand niet verplichte zorg kan worden opgelegd zonder dat hij, zo hij dit wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. De rechter moet de bereidheid van de betrokkene om gehoord te worden onderzoeken, en indien de rechter vaststelt dat die bereidheid ontbreekt dient de rechter de gronden te vermelden waarop dat oordeel berust. Daarbij is niet noodzakelijk dat de rechter vaststelt dat de betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Voldoende is dat dit naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop de betrokkene zich heeft gedragen, in het bijzonder ook bij de door de rechter aangewende pogingen om de betrokkene in zijn woon- of verblijfplaats te horen op de voet van art. 6:1 lid 2 Wvggz.



 
24028

Budgetbeheer als alternatief voor bewind

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 04-04-2024 ECLI:NL:GHARL:2024:2343
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Curatele, bewind en mentorschap
1:431 BW; 1:449 BW
Rechtsvraag

Kan budgetbeheer als alternatief dienen voor bewind?

Overweging

Rechthebbende heeft verzocht om het bewind over de gelden en goederen die aan haar (zullen) toebehoren, op te heffen. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen. Het hof overweegt dat de noodzaak van het bewind nog steeds bestaat, maar dat het bewind moet worden opgeheven omdat het niet zinvol is gebleken. Het bewind duurt al bijna zes jaar en er is nog geen schuldenregeling getroffen.  Een zekere frictie in de samenwerking tussen een rechthebbende en een bewindvoerder is niet ongebruikelijk en staat de instandhouding van het bewind op zichzelf niet in de weg. In het huidige geval komt er echter na zes jaar geen grip op de financiële situatie van de rechthebbende, omdat de samenwerking niet tot stand komt. Uit het dossier wordt onvoldoende duidelijk wat de bewindvoerder heeft gedaan om een schuldenregeling tot stand te brengen, anders dan door het vragen om ondertekening van stukken door de rechthebbende. De rechthebbende is zelf gaan samenwerken met een budgetcoach en heeft onderbouwt dat dit goed voor haar werkt. Het hof concludeert dat budgetbeheer in een nauwe, persoonlijke samenwerking voor de rechthebbende een meer passende maatregel is dan bewindvoering die niet van de grond komt. Het bewind wordt opgeheven.


 
24018

Aan de nakoming van de zorgregeling verbonden dwangsommen niet passend.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 02-04-2024 ECLI:NL:GHSHE:2024:1118
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Gezag en omgang
artikel 1:253a lid 5 BW
Rechtsvraag

Zijn de aan de nakoming van de zorgregeling verbonden dwangsommen passend, terwijl de Raad de zorgen van de moeder onderschrijft, en de gecertificeerde instelling aangeeft nog onvoldoende zicht te hebben op de thuissituatie bij beide ouders?

Overweging

In eerste aanleg heeft de voorzieningenrechter de moeder veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling, en aan de nakoming dwangsommen verbonden. De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de dwangsommen. Zij is niet tegen contact tussen de vader en de minderjarige, maar zij heeft zorgen over drank- en drugsmisbruik van de vader en de veiligheid van de minderjarige bij de vader. De minderjarige staat onder toezicht gesteld. De raad deelt de zorgen van de moeder. Het hof oordeelt dat onder deze omstandigheden, de dwangsommen niet passend zijn. De zorgen die de vader heeft over de nakoming door de moeder, worden ondervangen door de ondertoezichtstelling.


 
24026

Gebruiksvergoeding en eigenaarslasten voormalige echtelijke woning

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 02-04-2024 ECLI:NL:GHSHE:2024:1107
Jurisprudentie - Rechtsontwikkeling
Huwelijksvermogensrecht
Algemeen
3:169 BW
Rechtsvraag

Bestaat er ook een recht op een gebruiksvergoeding als niemand de voormalig echtelijke woning bewoont?

Overweging

In deze casus zijn partijen al in 2007 gescheiden. De man is in de echtelijke woning blijven wonen tot in 2020. In 2020 heeft de woning een paar maanden leeg gestaan en in 2021 is de woning verkocht. De man vindt dat de vrouw over de periode waarop de woning leeg stond de helft van de eigenaarslasten aan hem moet betalen. De vrouw stelt dat zij recht heeft op een gebruiksvergoeding en dat de vordering van de man betreffende de eigenaarslasten kan worden weggestreept tegen haar vordering betreffende de gebruiksvergoeding. De man betwist dat de vrouw recht heeft op een gebruiksvergoeding omdat hij de woning in de betreffende periode ook niet gebruikte, en hij de vrouw er niet van heeft weerhouden om de woning te gebruiken. 

Het hof oordeelt dat de vrouw wel recht heeft op een gebruiksvergoeding. Zij had geen sleutel van de woning en de man had ook niet duidelijk gemaakt aan de vrouw dat de woning beschikbaar was voor haar, als zij daar gebruik van wenste te maken. Het uitsluitend gebruik door de man is daardoor niet opgehouden toen hij uit de woning vertrok. De conclusie is dat de eigenaarslasten tegen de gebruiksvergoeding kunnen worden weggestreept.


 
24014

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden terwijl onduidelijk blijft met wiens geld welke uitgaven zijn gedaan.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28-03-2024 ECLI:NL:GHARL:2024:2184
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Echtscheiding
Huwelijksvermogensrecht
artikel 1:84 BW; artikel 1:87 BW.
Rechtsvraag

Hoe moeten de vergoedingsrechten en verrekenvorderingen worden vastgesteld bij onduidelijkheid over waar ieder van de echtgenoten zijn/haar eigen inkomen aan heeft uitgegeven?

Overweging

De man en de vrouw zijn onder huwelijkse voorwaarden met elkaar getrouwd. Zij hebben hun inkomens steeds op dezelfde rekening laten storten en al vrijwel al hun uitgaven van die rekening betaald. Daardoor is onduidelijk waar ieders inkomen aan is uitgegeven en in welke verhouding ieder heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding. Het hof overweegt dat onder de kosten van de huishouding moet worden verstaan, alle gezamenlijke lasten en consumptieve bestedingen van partijen, waaronder ook de kosten van consumptieve bestedingen die partijen afzonderlijk van elkaar hebben gemaakt. Niet kan worden vastgesteld in welke verhouding ieder heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding. Het hof gaat er daarom van uit dat al het inkomen van partijen aan de kosten van de huishouding is besteed en dat ieder voor de helft heeft bijgedragen in de aflossing op een privéschuld van de man, de aanschaf van een motor, en dat ieder een gelijk aandeel heeft in het op de peildatum aanwezige saldo op de bank- en spaarrekeningen en kapitaalverzekering.


 
24025

Erkenning van Algerijnse echtscheiding

Gerechtshof Den Haag, 20-03-2024 ECLI:NL:GHDHA:2024:694
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Echtscheiding
IPR
Procesrecht
10:56 BW; 10:57 BW;; 10:59 BW
Rechtsvraag

Kan de in Algerije uitsproken echtscheiding erkend worden?

Overweging

De vrouw heeft in Nederland de echtscheiding verzocht op een moment waarop de man in Algerije al de echtscheiding had verzocht. In eerste aanleg was de procedure in Algerije niet bekend bij de rechtbank. De man is niet verschenen in de procedure in Nederland en de rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken. In hoger beroep verzoekt de man om de in Algerije uitgesproken echtscheiding te erkennen en de beschikking van de rechtbank in Nederland aangaande de echtscheiding te vernietigen. 

Het hof overweegt dat erkenning van een beslissing van een Algerijnse rechter niet valt binnen het formele toepassingsgebied van de erkenningsregelingen in de Verordening Brussel II-bis. Ook bestaat er geen verdrag of andere regeling betreffende de erkenning tussen Nederland en Algerije. Het hof toetst de erkenning op grond van het Nederlandse commune internationale privaatrecht zoals in de wet opgenomen in de artikelen 10:56 BW tot en met 10:59 BW. Het hof toetst de rechtsmacht van de Algerijnse rechter, de behoorlijke rechtspleging in de Algerijnse echtscheidingsprocedure en de verenigbaarheid van de erkenning met de Nederlandse openbare orde. 

Het hof overweegt dat volgens de wetsgeschiedenis met ‘kennelijk onverenigbaar met de openbare orde’ tot uitdrukking is gebracht dat sprake zal moeten zijn van een manifeste strijd met de waarden die in de Nederlandse rechtsorde als fundamenteel worden beschouwd. Dit betekent dat de openbare orde slechts in uitzonderlijke gevallen tegen de erkenning van een buitenlandse beslissing kan worden ingezet. Het hof oordeelt dat het feit dat de vrouw in Algerije zelf de echtscheiding niet kon verzoeken, geen strijd oplevert met de Nederlandse openbare orde. De vrouw heeft immers in dezelfde periode in Nederland de echtscheiding verzocht, en is in de procedure in Algerije verschenen en vertegenwoordigd door een advocaat. Daarbij laat het hof ook meewegen dat de Nederlandse rechter wel naar Nederlands recht kan beoordelen of de vrouw recht heeft op partneralimentatie.


 
24024

Vervangende toestemming Islamitische / openbare basisschool en buitenschoolse opvang

Gerechtshof Den Haag, 13-03-2024 ECLI:NL:GHDHA:2024:693
Jurisprudentie - Rechtsontwikkeling
Algemeen
Gezag en omgang
1:253a BW
Rechtsvraag

Is openbaar onderwijs het uitgangspunt wanneer ouders het niet eens zijn over religieus onderwijs?

Overweging

De ouders van de minderjarige zijn gescheiden. Beide ouders zijn praktiserend moslim, en hebben de wens om de minderjarige een opvoeding te geven waarin de islam in meerdere of mindere mate een belangrijke rol speelt. Zij geven daar wel ieder een andere invulling aan. De moeder wil dat de minderjarige naar een openbare basisschool gaat en de vader wil dat de minderjarige naar een islamitische basisschool gaat. Beide ouders hebben vervangende toestemming voor inschrijving op de door hen gewenste scho(o)l(en) verzocht. 

Het hof overweegt dat, nu de ouders het niet eens zijn, gekeken moet worden welke vorm van onderwijs het meest in het belang van de minderjarige is. Het hof oordeelt dat de minderjarige recht heeft op, en belang heeft bij het volgen van neutraal onderwijs op een openbare basisschool, zonder religieuze inslag, en dat zij niet dient te worden ingeschreven op een islamitische buitenschoolse opvang. Bij openbaar onderwijs krijgt de minderjarige ruimte voor het vormen van haar eigen geloofsbelijdenis en worden beide ouders in staat gesteld om hun geloofsbelijdenis ieder op hun eigen wijze met de minderjarige te delen, zonder dat de minderjarige op school te veel wordt gestuurd in een richting van één bepaalde uiting van die geloofsbelijdenis.


 
24001

Niet-uitgevoerd periodiek verrekenbeding en een schuld ingevolge de kosten van de huishouding

Hoge Raad der Nederlanden, 08-03-2024 ECLI:NL:HR:2024:338
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Huwelijksvermogensrecht
1:136 BW, 1:141 BW
Rechtsvraag

Kan een schuld met betrekking tot de kosten van de huishouding bij de finale verrekening ex 1:141 BW worden weggestreept tegen de daar tegenover staande vordering?

Overweging

Schulden kunnen bij het finaal verrekenen van een niet nagekomen periodiek verrekenbeding ook onderdeel uitmaken van het te verrekenen vermogen ex 1:136 BW. De Hoge Raad oordeelt dat een schuld met betrekking tot de kosten van de huishouding niet per definitie in de finale verrekening moet worden betrokken als blijkt dat de daar tegenover staande vordering is ontstaan uit belegging en herbelegging van overgespaarde inkomsten. Voor de vraag of de schuld ook in de finale verrekening moet worden betrokken, moet worden gekeken naar de verhouding tussen de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden ten aanzien van de draagplicht voor de kosten van de huishouding en het periodieke verrekenbeding. Daarbij kan bijvoorbeeld aandacht worden besteed aan de vraag of de schuld voldaan had kunnen worden uit inkomen. Als dat niet zo is, ligt het niet voor de hand om de schuld in de finale verrekening te betrekken.


 
24002

Gemeentelijke schuldhulpverlening versus WSNP

Hoge Raad der Nederlanden, 08-03-2024 ECLI:NL:HR:2024:340
Jurisprudentie - Rechtsontwikkeling
Alimentatie
1:401 BW, 1:404 BW
Rechtsvraag

Dient de rechter wanneer de onderhoudsplichtige is toegelaten tot de gemeentelijke schuldhulpverlening in beginsel uit te gaan van het ontbreken van draagkracht?

Overweging

De Hoge Raad oordeelt dat de rechter, anders dan het geval is wanneer de onderhoudsplichtige is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering natuurlijke personen, niet uit hoeft te gaan van het in beginsel ontbreken van draagkracht op de enkele grond dat de alimentatieplichtige is toegelaten tot de gemeentelijke schuldhulpverlening. De rechter dient bij het bepalen van de draagkracht rekening te houden met alle schulden van de onderhoudsplichtige. Dus ook met schulden waarop niet wordt afgelost. Wel kan de rechter in afwijking van deze hoofdregel aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toekennen. Een dergelijk oordeel moet gemotiveerd worden.


 
24012

Erkenning van Amerikaanse beslissing over het juridisch ouderschap van de wensouders na draagmoederschap met gedoneerde eicel.

Rechtbank Den Haag, 07-03-2024 ECLI:NL:RBDHA:2024:3180
Jurisprudentie - Rechtseenheid
IPR
Afstamming en adoptie
10:100 BW; 7 IVRK; 8 EVRM
Rechtsvraag

Kan het in de VS vastgestelde juridisch ouderschap van de wensouders in Nederland erkend worden, ondanks dat het van rechtswege ontstaan van een familierechtelijke betrekking met de wensouders niet overeenstemt met de huidige bepalingen in het Nederlandse recht?

Overweging

Wensvaders zijn in de VS de juridisch ouders geworden van de uit een draagmoeder geboren tweeling. De rechtbank in Florida heeft beslist dat de wensouders de juridische ouders zijn en dat de draagmoeder als ouder van de geboorteaktes geschrapt wordt. Op de geboorteaktes staan de wensvaders beiden als juridisch ouder van de tweeling geregistreerd, terwijl slechts een van hen de biologische vader van de kinderen is. De rechtbank toetst of de beslissing van de Amerikaanse rechter en de geboorteaktes in Nederland erkend kunnen worden. Daarbij laat de rechtbank meewegen dat het draagmoederschapstraject zorgvuldig heeft plaatsgevonden en dat de afstammingsrelatie voor de kinderen herleidbaar is, zoals vereist op grond van artikel 7 IVRK. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt geldt dat het enkele feit dat het van rechtswege ontstaan van een familierechtelijke betrekking met de wensouder niet overeenstemt met de huidige bepalingen in het Nederlands recht, onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van onverenigbaarheid met de openbare orde. Van onverenigbaarheid met de openbare orde is immers slechts sprake in geval van strijdigheid met beginselen en waarden van juridische, sociale of morele aard die in de eigen rechtsorde fundamenteel worden geacht. Tot slot laat de rechtbank meewegen dat het EHRM het in het belang van het kind acht dat hij een juridische afstammingsband heeft met de personen die hem verzorgen en opvoeden, ook indien tussen hen geen genetische band bestaat, en dat de periode vanaf de geboorte van het kind tot het vestigen van de juridische band met de wensouders zo kort mogelijk duurt.  


 
24010

Geen ruimte voor toetsing van het perspectiefbesluit.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 05-03-2024 ECLI:NL:GHARL:2024:1612
Jurisprudentie - Rechtseenheid
Jeugdrecht
1:265b BW
Rechtsvraag

Kan het perspectiefbesluit in dit specifieke geval bij de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing getoetst worden?

Overweging

Het hof overweegt dat de Hoge Raad in zijn uitspraak van 1 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1148) heeft overwogen dat een perspectiefbesluit door de rechter kan worden getoetst wanneer dat in het kader van de beoordeling van een verzoek tot verlenging van een machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk is. Het hof is echter van oordeel dat in het voorliggende geval het perspectiefbesluit niet ter toetsing aan het hof kan worden voorgelegd, omdat alle betrokkenen het met de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing eens zijn. Hoewel het begrijpelijk is dat de ouders het perspectiefbesluit aan de rechter willen voorleggen, is dat vanuit juridisch oogpunt in het kader van het onderhavig hoger beroep niet mogelijk. Het hof overweegt dat de rechtbank ten onrechte althans ten overvloede een oordeel heeft gegeven over het perspectiefbesluit. De rechtbank heeft aan dat oordeel echter geen rechtsgevolgen verbonden, zodat het hof de beschikking van de rechtbank over de machtiging tot uithuisplaatsing toch bekrachtigt.


 
24011

Gerechtelijke vaststelling vaderschap biologische wensouder en adoptie door niet-biologische wensouder.

Rechtbank Noord-Holland, 04-03-2024 ECLI:NL:RBNNE:2024:694
Jurisprudentie - Rechtseenheid
Vaststelling vaderschap
Afstamming en adoptie
1:207 BW; 1:227 BW; 8 EVRM.
Rechtsvraag

Hoe verhouden artikel 1:207 BW (vaststelling vaderschap) en artikel 1:227 BW (adoptie) zich tot het in artikel 8 EVRM geborgde recht op family life?

Overweging

In deze beschikking beslist de rechtbank over het vaderschap, de adoptie, het ouderlijk gezag en de geslachtsnaam van het kind. Het kind is geboren uit een draagmoeder, en heeft door haar huwelijk twee juridische ouders. Het is de bedoeling van alle betrokkenen dat de wensouders de juridische ouders van het kind worden. De rechtbank verklaart de ontkenning van het vaderschap van de juridisch vader gegrond, en stelt het vaderschap van de biologische wensvader vast. Bij de vaststelling van het vaderschap van de biologische wensvader toetst de rechtbank aan de wetsgeschiedenis en artikel 8 EVRM. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 1:207 BW volgt dat de wetgever een onderscheid heeft willen maken tussen de verwekker, waaronder wordt verstaan de man die door een geslachtsdaad het kind heeft verwekt, en een zaaddonor. Volgens het EHRM is het in strijd met het in artikel 8 EVRM geborgde recht op ‘family life’ om dit onderscheid te maken. De rechter oordeelt daarom dat de biologische wensouder in dit geval moet worden gezien als ‘de verwekker’ in de zin van artikel 1:207 BW.

Verder oordeelt de rechtbank dat de niet-biologische wensouder het kind mag adopteren, ondanks dat de wensouders het kind minder dan een jaar hebben verzorgd en opgevoed, zoals in artikel 1:227 lid 3 BW als voorwaarde is gesteld voor adoptie. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval, waarin de wensouders sinds de geboorte van het kind voor het kind zorgen en bij de zwangerschap betrokken waren, sprake is van een bijzondere situatie waarbij de genoemde termijn van een jaar geen redelijk doel dient. Het niet mogen adopteren is naar het oordeel van de rechtbank in het licht van de concrete feiten en omstandigheden van dit geval een ontoelaatbare inbreuk op het in artikel 8 EVRM geborgde recht op family life.


 
24016

Gezag van gewijsde van een oordeel over het toepasselijke recht

Gerechtshof Den Haag, 20-02-2024 ECLI:NL:GHDHA:2024:262
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
IPR
Huwelijksvermogensrecht
Procesrecht
artikel 236 lid 1 Rv
Rechtsvraag

Strekt het gezag van gewijsde van een in kracht van gewijsde gegane beschikking over de verdeling van de huwelijksgemeenschap, zich ook uit tot het aan die verdelingsbeslissing ten grondslag gelegde oordeel over het toepasselijke recht?

Overweging

Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. In de echtscheidingsprocedure tussen partijen heeft de rechtbank beslist dat het Nederlands recht van toepassing is op het tussen partijen geldende huwelijksvermogensregime, en dat naar Nederlands recht tussen partijen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen geldt. Tevens heeft de rechtbank partijen bevolen over te gaan tot verdeling van hun huwelijksgemeenschap met benoeming van een notaris en onzijdige personen. De man is niet tegen die beschikking in hoger beroep gegaan. Die beschikking is daarom in kracht van gewijsde gegaan. In deze procedure heeft de vrouw de verdeling van de voormalige echtelijke woning gevorderd. De man stelt het toepasselijk recht op het tussen partijen geldende huwelijksvermogensregime aan de orde omdat hij vindt dat de rechtbank in de echtscheidingsprocedure onterecht heeft geoordeeld dat het Nederlands recht van toepassing is. Het hof oordeelt dat nu het oordeel over het toepasselijke recht dragend is geweest voor de beslissing over de verdeling van de huwelijksgemeenschap, het gezag van gewijsde zich ook uitstrekt tot het oordeel over het toepasselijke recht.


 
24008

Aangaan huwelijkse voorwaarden geen fraus legis omdat niet vast stond dat de erflater als eerste zou overlijden.

Hoge Raad der Nederlanden, 16-02-2024 ECLI:NL:HR:2024:239
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Erfrecht
Fiscale aspecten
Huwelijksvermogensrecht
11 lid 4 SW; 12 SW
Rechtsvraag

Wanneer is het aangaan van huwelijkse voorwaarden binnen 180 dagen voor overlijden erflater ‘fraus legis’?

Overweging

Minder dan 180 dagen voor het overlijden van de erflater zijn de met elkaar gehuwde erflater en belanghebbende huwelijkse voorwaarden aangegaan, bepalende dat aan de belanghebbende 90% van het huwelijksvermogen toekomt en aan de erflater 10%. Belanghebbende is de enige erfgenaam van de erflater. De Inspecteur heeft een aanslag erfbelasting opgelegd uitgaande van een 50/50 verdeling van de gemeenschap van goederen. De Inspecteur beroept zich op fraus legis.

De Hoge Raad oordeelt dat het beroep van de Inspecteur op fraus legis niet slaagt. De Hoge Raad overweegt dat van fraus legis sprake kan zijn als (a) het ontstaan van erfbelasting het doorslaggevende motief is geweest voor het aangaan van de huwelijkse voorwaarden, en bovendien (b) het in strijd zou komen met doel en strekking van artikel 1, lid 1, aanhef en onder 1, Successiewet (hierna: SW) indien de vermogensverschuiving ten gevolge van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden en het vervolgens overlijden van één van de echtgenoten niet zou worden aangemerkt als een verkrijging krachtens erfrecht. Van dit laatste is volgens de Hoge Raad sprake als op het moment van aangaan van de huwelijkse voorwaarden zo goed als zeker is dat de echtgenoot die daardoor voor het kleinste deel is gerechtigd tot het gemeenschappelijk vermogen, eerder zal overlijden dan de andere echtgenoot, en dat de vermogensverschuiving zich door dat overlijden zal voltrekken. Dat is in dit geval niet komen vast te staan.

De Hoge Raad oordeelt verder dat het hof terecht heeft geoordeeld dat niet sprake is van een schenking die binnen 180 dagen voor het overlijden van de erflater heeft plaatsgevonden, zoals bedoeld in artikel 12 SW. Wel is sprake van een beding in de zin van artikel 11 lid 4 SW, maar dat leidt er niet toe dat er sprake is van verkrijging krachtens erfrecht. Uit de tekst en wetsgeschiedenis van deze bepaling kan niet worden afgeleid dat de wetgever bedoeld heeft om ook een verkrijging krachtens erfrecht aan te nemen wanneer de langstlevende echtgenoot na het overlijden van de andere echtgenoot op grond van de huwelijkse voorwaarden meer dan de helft van de gemeenschappelijke goederen toekomt.


 
24009

Maatstaf voor het gelasten van een DNA-onderzoek.

Hoge Raad der Nederlanden, 16-02-2024 ECLI:NL:HR:2024:252
Jurisprudentie - Rechtsontwikkeling
Vaststelling vaderschap
1:207 BW; 194 lid 1 Rv.
Rechtsvraag

Wanneer zijn er bij een verzoek tot vaststelling vaderschap voldoende feiten gesteld om een DNA-onderzoek te gelasten?

Overweging

De Hoge Raad oordeelt dat op grond van artikel 1:207 BW het ouderschap van een man gerechtelijk kan worden vastgesteld op de grond dat de man de verwekker van het kind is. De rechter kan op grond van artikel 194 lid 1 Rv een DNA-onderzoek bevelen. Daarvoor is noodzakelijk en voldoende dat de moeder feiten en/of omstandigheden stelt die de conclusie rechtvaardigen dat de man de verwekker van het kind kan zijn. Niet hoeft vast te staan dat de man de verwekker van het kind is of zelfs dat de man geslachtsgemeenschap met de moeder heeft gehad in de periode waarin het kind is verwekt.


 
24004

Verwarring over de reikwijdte van artikel 807 Rv.

Hoge Raad der Nederlanden, 09-02-2024 ECLI:NL:HR:2024:212
Jurisprudentie - Rechtseenheid
Procesrecht
807 Rv, 1:265d BW
Rechtsvraag

Staat het hoger beroep open tegen een beslissing ex artikel 1:265d?

Overweging

Artikel 807 Rv heeft hoger beroep tegen beslissingen ex artikel 1:265 BW uitgesloten. Tegen beslissingen ex artikel 1:265a tot en met 1:265j staat het hoger beroep wel open. Het oordeel van het hof dat tegen beslissingen ex artikel 1:265d BW geen hoger beroep open staat, is onjuist.


 
24007

Verwijtbaar inkomensverlies kan niet hersteld worden, maar wel voor beperkte duur met vermogen gecompenseerd worden.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 08-02-2024 ECLI:NL:GHSHE:2024:379
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Alimentatie
1:401 BW
Rechtsvraag

Is er sprake van verwijtbaar en voor herstel vatbaar inkomensverlies? 

Overweging

De man is met een vaststellingsovereenkomst uit dienst getreden. Hij is overgestapt naar een ander werkgebied en is als ondernemer aan de slag gegaan. Zijn inkomen is zodanig gedaald dat hij uit zijn inkomen de vastgestelde partneralimentatie niet kan betalen. Het Hof oordeelt dat de man onvoldoende heeft gedaan om een baan te vinden waarmee hij een vergelijkbaar inkomen of in ieder geval voldoende inkomen kan verwerven, zodat hij aan zijn onderhoudsverplichting kan voldoen. Van de man kan niet verwacht worden dat hij naar het buitenland verhuist zodat hij hetzelfde soort werk kan doen. Wel kan van hem verwacht worden dat hij op lagere functies solliciteert, waarmee hij alsnog voldoende inkomen kan verwerven om aan zijn onderhoudsverplichting te voldoen. Inmiddels heeft de man ook te maken met psychische problemen en lijkt hij niet langer in staat om voldoende inkomen te verwerven om partneralimentatie te betalen. Van de man kan echter verwacht worden dat hij zijn woning verkoopt, zodat hij met de aanzienlijke overwaarde aan zijn onderhoudsplicht kan voldoen. Wel vindt het hof de situatie van de man reden om de partneralimentatie in duur te beperken. Nu de partneralimentatie in duur wordt beperkt, vindt het hof het niet redelijk om een jusvergelijking toe te passen.


 
24005

Bij een beroep op de wilsvertrouwensleer is ook de zorgplicht van de notaris van belang.

Hoge Raad der Nederlanden, 02-02-2024 ECLI:NL:HR:2024:165
Jurisprudentie - Rechtsontwikkeling
Echtscheiding
Huwelijksvermogensrecht
1:115 BW, 3:33 BW, 3:35 BW, 43 lid 1 Wna.
Rechtsvraag

Speelt de betrokkenheid van de notaris bij de wijziging van de huwelijkse voorwaarden een rol bij de vraag of een echtgenoot er op mocht vertrouwen dat de wil van zijn echtgenote overeen kwam met haar verklaring?

Overweging

De Hoge Raad overweegt dat huwelijkse voorwaarden enkel bij notariële akte kunnen worden gewijzigd, mede omdat de betrokkenheid van de notaris strekt ter bescherming van de echtgenoten. Op de notaris rust een zorgplicht om naar vermogen te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van juridische onkunde en feitelijk overwicht. Op grond van artikel 43 lid 1 van de Wet op het notarisambt dient de notaris partijen zo nodig te wijzen op de gevolgen die voor hen of een van hen uit de inhoud van de (gewijzigde) akte voortvloeien. Daarbij dient de notaris ook te controleren of partijen die gevolgen begrijpen. Dit geldt des te meer wanneer de gevolgen voor partijen of een van hen nadeliger of riskanter zijn. De Hoge Raad oordeelt dat de rechter bij een beroep op vernietiging en de wilsvertrouwensleer dient te onderzoeken of de notaris aan deze zorgplicht zoals door de Hoge Raad omschreven, heeft voldaan.


 
24006

Verzoek tot vervangende toestemming erkenning: instemming daad van verwekking bij kunstmatige bevruchting.

Hoge Raad der Nederlanden, 02-02-2024 ECLI:NL:HR:2024:148
Jurisprudentie - Rechtsontwikkeling
Algemeen
Erkenning
1:204 lid 4 BW
Rechtsvraag

Wanneer is bij kunstmatige bevruchting sprake van instemming met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad?

Overweging

De Hoge Raad oordeelt dat bij kunstmatige bevruchting onder een ‘daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad’ in de zin van artikel 1:204 lid 4 BW het gehele traject van kunstmatige bevruchting verstaan wordt. Het gaat dus niet enkel om het moment van bevruchting of het moment van plaatsing van de embryo in de baarmoeder. Van ‘instemming als levensgezel’ als bedoeld in die bepaling is dan pas sprake als de levensgezel en de moeder samen hebben besloten om langs de gevolgde weg van kunstmatige bevruchting (te proberen) een kind te krijgen.


 
24017

Rechtmatigheidstoets voorlopige ondertoezichtstelling en (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing

Gerechtshof Den Haag, 20-12-2023 ECLI:NL:GHDHA:2023:2743
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Jeugdrecht
artikel 1:255 BW; artikel 1:257 BW, artikel 1:265b BW.
Rechtsvraag

Is het feit dat de moeder met het destijds onder toezicht gestelde kind naar het buitenland is vertrokken, bij terugkeer grond voor een voorlopige ondertoezichtstelling?

Overweging

In 2020 stond de minderjarige onder toezicht gesteld, en verzocht de gecertificeerde instelling de kinderrechter een machtiging om de minderjarige uit huis te plaatsen bij de vader (destijds zonder gezag). De moeder is toen met de minderjarige naar het buitenland vertrokken, zonder te laten weten waar zij naartoe gingen. Daardoor hebben vader en de minderjarige drie jaar geen contact met elkaar gehad. De moeder en de minderjarige zijn in 2023 teruggekeerd, en bij terugkeer is de minderjarige direct voorlopig onder toezicht gesteld en met spoed uit huis geplaatst bij de (inmiddels met het gezag belaste) vader. Het hof toetst de rechtmatigheid van deze beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling en (spoed)machtiging uithuisplaatsing. Het hof oordeelt dat de kinderrechter op goede gronden heeft geoordeeld dat er sprake was van een ernstig vermoeden dat de minderjarige ernstig in haar ontwikkeling werd bedreigd, omdat de moeder door het kind mee te nemen naar het buitenland, de minderjarige uit haar vertrouwde omgeving heeft weggehaald en heeft onttrokken aan het toezicht van de gecertificeerde instelling. Ook heeft de kinderrechter gezien de omstandigheden op goede gronden een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend.

Het hof wijst de verzoeken om een contra-expertise, benoeming bijzondere curator en benoeming deskundige af.


 
24003

Ouder onbehoorlijk opgeroepen door verzending brief aan het adres van de GI.

Hoge Raad der Nederlanden, 22-09-2023 ECLI:NL:HR:2023:1282
Jurisprudentie - Rechtseenheid
Jeugdrecht
Procesrecht
272 Rv, 362 Rv.
Rechtsvraag

Is een ouder behoorlijk opgeroepen als het beroepschrift en de oproep voor de mondelinge behandeling aangetekend zijn verstuurd aan de ouder per adres van de gecertificeerde instelling?

Overweging

De Hoge Raad oordeelt dat ook in hoger beroep geldt dat de niet in de procedure verschenen belanghebbende per aangetekende post moet worden opgeroepen. Artikel 272 Rv is namelijk op grond van artikel 362 Rv ook in hoger beroep van toepassing. De ouder die per aangetekende post per adres van de gecertificeerde instelling is opgeroepen is daarom onbehoorlijk opgeroepen. Deze fout in de oproeping betekent dat de beschikking van het hof over de beëindiging van het ouderlijk gezag niet in stand kan blijven.


 

VAKnieuws is een initiatief van en wordt u aangeboden door centrum permanente educatie.


VAKnieuws houdt u middels praktische en uitgekiende samenvattingen op de hoogte van belangrijke juridische ontwikkelingen. Al het vaknieuws wordt met uiterste zorg samengesteld. De samenstellers, makers en centrum permanente educatie zijn niet aansprakelijk voor enigerlei schade als gevolg van het gebruik van dit vaknieuws.