VAKnieuws
Wijziging beslissing voortzetting crisismaatregelRechtsvraagMoet bij een wijziging van de voortzetting van de crisismaatregel opnieuw getoetst worden of aan de voorwaarden voor een crisismaatregel wordt voldaan? OverwegingDe Hoge Raad oordeelt dat bij de beoordeling van een verzoek tot wijziging van de voortzetting van een crisismaatregel opnieuw moet worden beoordeeld of op dat moment aan de voorwaarden voor een crisismaatregel wordt voldaan. In dit geval was eerst een crisismaatregel uitgesproken met de vorm van verplichte zorg 'insluiten'. De verlenging van de crisismaatregel is uitgesproken zonder deze vorm van verplichte zorg. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de voortzetting van de crisismaatregel te wijzigen, met dien verstande dat de vorm van verplichte zorg 'insluiten' er aan wordt toegevoegd. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat psychiatrische problematiek bij de minderjarige niet voorliggend lijkt te zijn, en dat gesloten jeugdhulp passender is. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer dat niet langer aan de voorwaarden voor een crisismaatregel wordt voldaan, omdat de voortzetting van de crisismaatregel an sich volgens de rechtbank niet voorligt. De rechtbank heeft de voortzetting van de crisismaatregel gewijzigd en daar de vorm van verplichte zorg 'insluiten' aan toegevoegd. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank had moeten toetsen of op dat moment nog aan de voorwaarden voor een crisismaatregel wordt voldaan. Daarnaast had de rechtbank zich rekenschap moeten geven van de aanvullende zorgvuldigheidseisen met betrekking tot minderjarigen, zoals opgenomen in artikel 2:1 lid 1 Wvggz. Cursussen binnenkort: |
|
Wilsvertrouwensleer wijziging huwelijkse voorwaardenRechtsvraagMocht de man er op vertrouwen dat de wil van de vrouw gericht was op het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden zoals geschied? OverwegingBeschikking na verwijzing door de Hoge Raad. Het hof oordeelt dat de man er niet op mocht vertrouwen dat de vrouw op basis van de toezending van de concept-akten wijziging huwelijksvoorwaarden en de uitleg bij de notaris begreep waarmee zij in 2009 instemde, laat staan dat haar wil gericht was op de rechtsgevolgen die daaruit voortvloeiden. Eenzelfde conclusie geldt voor de wijzigingsakte uit 2016. Uit de beschikking van de Hoge Raad volgt dat op notarissen een waarschuwingsplicht rust voor de gevolgen van de met tussenkomst van een notaris verrichte rechtshandeling, zoals het wijzigen van huwelijkse voorwaarden. De verplichting om op de gevolgen te wijzen en zich ervan te vergewissen dat de partij(en) die gevolgen begrijpt/begrijpen, wint aan gewicht naarmate die gevolgen voor partijen of een van hen nadeliger of riskanter zijn. De wijzigingen van de huwelijkse voorwaarden waren zeer nadelig voor de vrouw. Echter, ook op de man rustte gelet op de genoemde omstandigheden en gelet op de redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen echtgenoten beheerst, in dit geval de plicht om de vrouw goed te informeren over – en te waarschuwen voor – de nadelige gevolgen voor de vrouw van de wijziging van de huwelijkse voorwaarden. Het hof stelt vast dat de man dat heeft nagelaten en oordeelt dat hij zich niet kan verschuilen achter de voorlichting door de notarissen. Cursussen binnenkort:Al onze cursussenCentrum Permanente Educatie biedt hoogwaardige juridische cursussen, afgestemd op de praktijk en verzorgd met enthousiasme en expertise. Bekijken |
|
Benadeling gemeenschapRechtsvraagHeeft de vrouw de gemeenschap benadeeld? OverwegingDe vrouw had tijdens het huwelijk een woning in Turkije in eigendom. De woning behoorde tot de huwelijksgemeenschap. De vrouw heeft de woning kort voor de ontbinding van de huwelijksgemeenschap overgedragen aan haar moeder en haar moeder heeft de woning aan een derde verkocht. De vrouw stelt dat partijen de woning hadden gefinancierd met een lening van haar moeder, en dat zij de woning aan haar moeder heeft overgedragen ter voldoening van die lening. Het hof oordeelt dat v an verzwijging, zoekmaking of verborgen houden ex artikel 3:194 lid 2 BW geen sprake kan zijn aangezien de huwelijksgoederengemeenschap nog niet was ontbonden op het moment van de overdracht van de woning door de vrouw. Anders gezegd: art. 3:194 lid 2 BW is alleen van toepassing op de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap (zie ook art. 3:189 lid 2 BW). Op de peildatum behoorde de woning echter niet meer tot de huwelijksgoederengemeenschap en kon dus ook geen sprake ervan zijn dat een goed behorend tot de gemeenschap opzettelijk is verzwegen, zoekgemaakt of verborgen is gehouden, zoals bedoel in art. 3:194 lid 2 BW. Het hof oordeelt dat de vrouw de gemeenschap wel heeft benadeeld in de zin van artikel 1:164 lid 1 BW, doordat zij de woning aan haar moeder heeft overgedragen zonder daarvoor een tegenprestatie ten goede te laten komen aan de huwelijksgoederengemeenschap. De door de vrouw gestelde lening bij haar moeder, met welke schuld de vordering tot betaling van een koopsom zou zijn verrekend, is, gezien de gemotiveerde betwisting daarvan door de man, immers niet aangetoond. Door de vrouw zijn geen objectieve gegevens of verificatoire bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat de woning is aangeschaft met een lening bij haar moeder. Het hof veroordeelt de vrouw de aangerichte schade ter zake die benadeling aan de (inmiddels ontbonden) gemeenschap te vergoeden. Cursussen binnenkort: |
|
Zorgregeling ten tijde van mondelinge behandeling in hoger beroep alweer gewijzigd in eerste aanlegRechtsvraagKan het hof nog beslissen als de zorgregeling waartegen in hoger beroep is gekomen, in eerste aanleg al is gewijzigd? OverwegingDe moeder is in hoger beroep gekomen tegen onder meer een beslissing over de zorgregeling. Tegen de tijd dat haar verzoek in hoger beroep werd beoordeeld, was de zorgregeling in eerste aanleg al gewijzigd. Het hof stelt vast dat de zorgregeling waartegen hoger beroep is ingesteld niet langer geldt, maar dat de moeder nog wel belang heeft bij de beoordeling van haar hoger beroep. Het hof dient bij de beoordeling wel te kijken naar de feiten zoals zij op het moment van beoordelen zijn. Gelet op de gewijzigde omstandigheden, wijst het hof het verzoek van de moeder af. Cursussen binnenkort: |
|
Verplichting tot meewerken aan religieuze scheidingRechtsvraagKan de man verplicht worden mee te werken aan de islamitische en Iraakse echtscheiding? OverwegingDe rechtbank verplicht de man mee te werken aan de Iraakse en islamitische echtscheiding. Op grond van artikel 1:68 BW is hij daartoe verplicht, tenzij haar zwaarwegende belangen stelt die reden geven om niet mee te werken. Dergelijke belangen heeft de man niet gesteld. De man weigert zijn medewerken, dus de rechtbank verbindt aan de veroordeling een dwangsom. Cursussen binnenkort: |
|
Peildatum waarde woningRechtsvraagNaar welke peildatum moet in de verdeling de waarde van de woning bepaald worden? OverwegingPartijen hebben in 2018 bij het hof een schikking bereikt over de wijze van verdeling van de woning. Die hebben zij niet volledig uitgevoerd. In 2024 is de woning nog steeds niet verdeeld. De man heeft de woning verkocht en de notaris heeft de helft van de overwaarde in depot gelaten. In geschil is de vraag of de vrouw recht heeft op de helft van de overwaarde anno 2024 of dat zij recht heeft op de helft van de overwaarde anno 2018. Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank dat de vrouw recht heeft op de helft van de overwaarde anno 2018. Partijen hebben immers in 2018 al afspraken gemaakt over de verdeling en de vrouw heeft nadien ook geen kosten betaald voor de woning en geen gebruiksvergoeding verzocht. Partijen hebben zich gedragen alsof de woning in 2018 al verdeeld was. Cursussen binnenkort: |
|
Opzettelijk verzwegen goederenRechtsvraagKan artikel 1:394 lid 2 BW van toepassing zijn als de andere deelgenoot wel op de hoogte was van het bestaan van het verborgen goed? OverwegingHet hof overweegt als volgt. Uit artikel 3:194 lid 2 vloeit niet voort dat de deelgenoot aan wie het aandeel van de andere deelgenoot wordt verbeurd met het bestaan van het verzwegen goed compleet onbekend moet zijn. Naar het oordeel van het hof geldt artikel 3:194 lid 2 BW juist onder omstandigheden als hier gegeven, ten aanzien van goederen waarvan de andere deelgenoot -in dit geval de man- het bestaan tot op zekere hoogte kent, maar het goed niet in zijn macht heeft en de precieze omvang niet kan kennen. In de onderhavige zaak vormt het door de vrouw meerdere keren ontkennen van de aanwezigheid van contant geld in de kluis in combinatie met haar passieve houding als deelgenoot bij het verkrijgen van openheid over de inhoud van de kluis omstandigheden die maken dat artikel 3:194 lid 2 BW van toepassing is, ook nu de man wist van aanwezigheid van contant geld in de kluis. Cursussen binnenkort: |
|
Verhuisvergoeding bewindvoerderRechtsvraagHeeft de bewindvoerder recht op een verhuiskostenvergoeding als de bewindvoerder enkel administratieve werkzaamheden heeft verricht rondom de verhuizing? OverwegingDe kantonrechter is van oordeel dat de bewindvoerder enkel aanspraak kan maken op de forfaitaire verhuiskostenvergoeding indien werkzaamheden zijn verricht in het kader van de verhuizing die niet onder de standaard jaarbeloning vallen. Oftewel: er moeten andere werkzaamheden zijn gesteld en verricht dan (de standaard) administratieve werkzaamheden. Uit de door de bewindvoerder gegeven opsomming blijkt hier niet van. Er bestaat daarom geen recht op de forfaitaire verhuiskostenvergoeding. De kantonrechter zal dan ook het beloningsverzoek afwijzen. Cursussen binnenkort: |
|
Toepassing Syrisch huwelijksvermogensrechtRechtsvraagMoeten de eigendommen bij helfte worden verdeeld? OverwegingDe vrouw wil dat de goederen en het vermogen bij helfte worden verdeeld. Maar het Syrisch huwelijksvermogensrecht is van toepassing. Het Syrisch recht kent geen algehele gemeenschap van goederen. De inboedel moet bij helfte worden verdeeld en partijen moeten beiden de helft van de schulden betalen. Cursussen binnenkort: |
|
Ouderlijk gezag niet ter vrije bepaling oudersRechtsvraagKunnen de ouders afspreken dat een van het met het eenhoofdig gezag belast zal worden? OverwegingHet ouderlijk gezag staat niet ter vrije bepaling van partijen. Het ouderlijk gezag omvat namelijk niet alleen het recht maar ook de plicht tot verzorging en opvoeding van het kind. De ouders kunnen dus niet in het ouderschapsplan overeenkomen dat de vrouw met het eenhoofdig gezag belast zal worden en dat de man er aan zal meewerken om dit te bewerkstelligen. De rechtbank toetst of is voldaan aan een van de gronden uit artikel 1:251a BW maar is van oordeel dat daar niet aan is voldaan. Het hof wijst het verzoek om de vrouw met het eenhoofdig gezag te belasten daarom af. Cursussen binnenkort: |
|
Beleggingsleer bij vergoedingsrechtenRechtsvraagMoet het vergoedingsrecht naar aanleiding van de aflossing op een schuld worden berekend aan de hand van de beleggingsleer op grond van artikel 1:87 lid 2 sub a BW of 1:87 lid 2 sub b BW? OverwegingIn de parlementaire geschiedenis staat vermeld dat in het geval van een vergoedingsrecht dat is ontstaan naar aanleiding van een aflossing op een geldlening die is aangegaan ten behoeve van de koop van een woning, de beleggingsleer ex artikel 1:87 lid 2 sub a BW moet worden toegepast. In dat geval moet de hoogte van het vergoedingsrecht worden berekend als volgt: (hoogte aflossing/waarde woning bij aangaan woning) x waarde woning bij verzilveren vergoedingsrecht. Het Hof Den Haag wijkt in deze zaak van de parlementaire geschiedenis is, en beslist dat de hoogte van het vergoedingsrecht volgens de letter van de wet moet worden berekend ex 1:87 lid2 sub b BW, als volgt: (hoogte aflossing/waarde woning op het moment van aflossing) x waarde woning bij verzilveren vergoedingsrecht. Het hof oordeelt dat wat in de parlementaire geschiedenis is overwogen afwijkt van de wettekst en niet juist is, en tot een onredelijke uitkomst leidt. Het hof verwijst naar het artikel van prof. mr. P.C. van Es, ‘Huwelijksvermogensrechtelijk beleggen met voorkennis’, in: J.H.M. ter Haar e.a. (red), Met grootse passen door het recht. Footprints in law (Ars Notariatus nr. 183), Deventer: Wolters Kluwer 2024/7. Cursussen binnenkort: |
|
Geen ruimte voor zelfstandig verzoek jegens andere ouder in procedure GIRechtsvraagKan een ouder in een door de GI gestarte procedure ex 1:265g BW een zelfstandig verzoek over de zorgregeling indienen? OverwegingArtikel 1:265g BW biedt, dat volgt uit het systeem van de wet en is ook kenbaar uit jurisprudentie en literatuur, niet de mogelijkheid om een zelfstandig (tegen)verzoek dat een gezagsgeschil met de andere ouder betreft in te dienen in een door de GI gestarte procedure waarbij het verzoek niet gericht is tegen de andere ouder. Cursussen binnenkort: |
