VAKnieuws

X-registratie

Nr: 26039 Rechtbank Noord-Nederland, 03-04-2026 ECLI:NL:RBNNE:2026:1086 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Algemeen

Rechtsvraag

Moet de ambtenaar aan de geboorteakte een latere vermelding toevoegen  van de wijziging van het geslacht van betrokkene in die zin dat het geslacht "X" zal zijn?

Overweging

De rechtbank oordeelt dat de ambtenaar de X-registratie moet toevoegen aan de geboorteakte. De rechtbank overweegt dat het ontbreken van een mogelijkheid tot genderneutrale registratie op zichzelf geen rechtstekort oplevert maar dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat dit niet uitsluit dat in een concreet geval er zodanige feiten en omstandigheden kunnen zijn waardoor er toch sprake is van een rechtstekort wanneer genderneutrale registratie niet mogelijk wordt gemaakt. De rechtbank oordeelt dat de belanghebbende een gerechtvaardigde verwachting heeft gehad dat een X-registratie mogelijk is. Dit heeft de belanghebbende onderbouwd met feiten en omstandigheden die in hun onderlinge verband en samenhang beschouwd, duidelijk maken dat het niet waarmaken van de gerechtvaardigde verwachting dat genderneutrale registratie mogelijk zou zijn, voor betrokkene leidt tot meer dan slechts persoonlijk ongemak. Het veroorzaakt voor betrokkene een structurele en in het licht van de in artikel 8 EVRM beschermde rechten, ontoelaatbare ongelijkheid ten opzichte van anderen die met succes een soortgelijk verzoek hebben ingediend.

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Vervangende toestemming aanvragen paspoort

Nr: 26040 Rechtbank Noord-Nederland, 01-04-2026 ECLI:NL:RBNNE:2026:1082 Jurisprudentie Geschilbeslechting Gezag en omgang 34 Paspoortwet

Rechtsvraag

Is de vader bevoegd om vervangende toestemming te verzoeken voor het aanvragen van een paspoort voor het kind?

Overweging

De rechtbank kan niet vaststellen of de vader ouderlijk gezag heeft over het kind. De vader is met het kind naar Nederland gekomen. Volgens de vader woont de moeder nog in Iran, maar is zij onbereikbaar waardoor zij geen toestemming kan geven voor het aanvragen van een paspoort. Zoals de rechtbank het Iraanse recht beoordeelt, komt de rechtbank tot de conclusie dat naar Iraans recht alleen de moeder ouderlijk gezag heeft over het kind. De rechtbank gaat hier aan voorbij omdat op grond van artikel 3  van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) bij het nemen van de beslissing de belangen van het kind een overweging van eerste orde moeten zijn. Het kind heeft er belang bij dat zij een paspoort en/of ID-bewijs krijgt, zodat zij zich kan legitimeren in de Nederlandse samenleving.

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder

Al onze cursussen

Centrum Permanente Educatie biedt hoogwaardige juridische cursussen, afgestemd op de praktijk en verzorgd met enthousiasme en expertise.

Bekijken
 

Geen belang bij rechtmatigheidstoets

Nr: 26041 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 31-03-2026 ECLI:NL:GHARL:2026:1951 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Jeugdrecht 1:255 BW; 1:260 BW

Rechtsvraag

Moet het hof toetsen of de ondertoezichtstelling terecht niet is verleend voor de resterende duur?

Overweging

Het hof acht de moeder ontvankelijk in haar verzoek, maar stelt vast dat de moeder geen belang heeft bij toewijzing van het verzoek. De termijn van een eventuele verlening van de ondertoezichtstelling voor de resterende duur is namelijk al verlopen. 

Namens de moeder is verzocht om een rechtmatigheidstoets met verwijzing naar artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waarin het recht op eerbiediging van het gezinsleven is vastgelegd. Ter toelichting heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling op 3 maart 2026 te kennen gegeven dat zij belang heeft bij deze rechtmatigheidstoets omdat zij het niet eens is met de overweging van de kinderrechter dat er geen ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen meer is. Nu het verzoek tot ondertoezichtstelling door de kinderrechter is afgewezen, is het contact tussen de moeder en de kinderen steeds slechter geworden, hetgeen volgens de moeder een inmenging betekent in het gezinsleven van de moeder en de kinderen. Het hof volgt de moeder hierin niet. De afwijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen betekent, anders dan een toewijzing van een dergelijk verzoek, geen inmenging in het gezag van de moeder of het gezinsleven van de moeder en de kinderen. De omstandigheid dat het contact tussen de moeder en de kinderen wellicht slechter is geworden na de bestreden beslissing is geen rechtstreeks aan die beslissing toe te schrijven gevolg en rechtvaardigt niet een rechtmatigheidstoets.

 

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Wrakingsverzoek te laat ingediend

Nr: 26042 Rechtbank Midden-Nederland, 27-03-2026 ECLI:NL:RBMNE:2026:1299 Jurisprudentie Geschilbeslechting Procesrecht 36 Rv

Rechtsvraag

Tot wanneer kan een wrakingsverzoek worden ingediend?

Overweging

De verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek ingediend nadat de rechter de eindbeslissing heeft genomen.  Een wrakingsverzoek kan worden ingediend totdat de behandelend rechter einduitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak. Na een einduitspraak eindigt de procedure namelijk en is er dus geen “behandelend rechter” meer zoals wordt bedoeld in artikel 36 Rv. De verzoeker is daarom niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek.

Lees verder
 

Redelijkheid en billijkheid

Nr: 26037 Hoge Raad der Nederlanden, 27-03-2026 ECLI:NL:HR:2026:501 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Huwelijksvermogensrecht 6:2 BW; 6:248 BW: 3:12 BW

Rechtsvraag

Is de aanspraak op een onderbedelingsvordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar nadat door verloop van tijd de woning een overwaarde heeft in plaats van een onderwaarde?

Overweging

De rechtbank heeft in 2015 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat de woning aan de man wordt toebedeeld. Op dat moment had de woning een onderwaarde. Omdat de man niet de middelen had om de vrouw uit de hypothecaire aansprakelijkheid te ontslaan en de vrouw geen middelen had om de onderbedelingsvordering aan de man te betalen, hebben partijen de levering van de woning aan de man uitgesteld. In 2020 is de woning alsnog aan de man geleverd. Op dat moment had de woning een overwaarde. De man spreekt de vrouw aan om hem alsnog de onderbedelingsvordering te betalen. De vrouw heeft in hoger beroep gesteld dat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof heeft bepaald dat de man nog aanspraak maakt op de onderbedelingsvordering, omdat de datum van verdeling in 2015 ligt, ondanks dat pas in 2020 is geleverd. In cassatie klaagt de vrouw dat het hof voorbij is gegaan aan haar stelling dat dit naar maatstaven van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De Hoge Raad oordeelt dat deze klacht gegrond is. 

Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof aan een grief van de man voorbij is gegaan. 

De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar een ander hof. 

Lees verder
 

Pakistaans huwelijk niet erkend

Nr: 26038 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-03-2026 ECLI:NL:GHARL:2026:1602 Jurisprudentie Rechtseenheid Echtscheiding
IPR
10:32 sub e BW

Rechtsvraag

Is het in Pakistan gesloten huwelijk onverenigbaar met de openbare orde?

Overweging

Het hof beoordeelt ambtshalve of het huwelijk kan worden erkend in Nederland. Het hof oordeelt dat dit niet het geval is, omdat sprake is van een gedwongen huwelijk. Het hof oordeelt dat daarom het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk is, en komt niet aan de beoordeling van de nevenverzoeken toe. 

Voor zover partijen in de basisregistratie personen als gehuwd geregistreerd staan, berust dat aldus op een fout en dient dat te worden gecorrigeerd.

Lees verder
 

Verval machtiging van rechtswege door verloop termijn

Nr: 26031 Hoge Raad der Nederlanden, 13-03-2026 ECLI:NL:HR:2026:398 Jurisprudentie Rechtseenheid GGZ 6:2 Wvggz, 6:5 Wvggz en 6:6 Wvggz

Rechtsvraag

Kan de rechter de zorgmachtiging verlengen met twaalf maanden, als op het moment waarop de beslissing wordt genomen de zorgmachtiging al is verlopen?

Overweging

De Hoge Raad oordeelt dat de zorgmachtiging niet verlengd kan worden als de beslissing wordt genomen op een datum waarop de zorgmachtiging reeds is verlopen. Er kan slechts een nieuwe zorgmachtiging van zes maanden worden afgegeven. 

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Prejudiciƫle vragen

Nr: 26036 Rechtbank Midden-Nederland, 12-03-2026 ECLI:NL:RBMNE:2026:1024 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Jeugdrecht 392 Rv

Rechtsvraag

Prejudiciële vragen over de procedures met betrekking tot minderjarige asielzoekers.

Overweging

1. Welke onderbouwing van het verzoekschrift, al dan niet gestaafd met (officiële) documenten, mag de rechter in deze fase van het (recente) verblijf van de minderjarige in Nederland van Nidos verwachten afgezet tegen het belang om snel te beslissen? En welke moeite moet Nidos zich hebben getroost om aan de documenten te komen?
2. Is een verzoek van Nidos om met voogdij op grond van artikel 1:253q en r BW over een alleenstaande minderjarige asielzoeker van buiten de Europese Unie benoemd te worden een verzoek als bedoeld in artikel 800 lid 1 Rv dat voor onmiddellijke toewijzing, dus zonder zitting, gereed is.
3.  Maakt het bij de beantwoording van vraag 2) uit of van ouders verblijfs- of contactgegevens bekend zijn buiten Europa? Wanneer brengt de beschikbaarheid van contactgegevens met zich mee dat ouders in de mogelijkheid zijn om hun gezag uit te oefenen? Indien het antwoord op vraag 2 ontkennend is, wat kan dan precies van de rechtspraak worden verwacht waar het de oproep van de ouders voor een mondelinge behandeling betreft als er:
4.Indien het antwoord op vraag 2 ontkennend is, wat kan dan precies van de rechtspraak worden verwacht waar het de oproep van de ouders voor een mondelinge behandeling betreft als er:
a. (nog) geen contactgegevens bekend zijn, moet er dan toch een oproeping via de Staatscourant plaatsvinden (met een oproeptermijn van drie maanden)?
b. contactgegevens van (de) ouder(s) bekend zijn in een land buiten de Europese Unie, moet er dan op reguliere wijze betekening plaatsvinden in het buitenland (hetgeen een tijdrovende aangelegenheid kan zijn)?
5. Moeten de minderjarigen in bedoelde zaken (in alle gevallen) in de gelegenheid worden gesteld hun mening kenbaar te maken door middel van een oproep voor een kindgesprek?
6. Luidt het antwoord op vraag 5 anders indien de minderjarige – bijgestaan door een tolk – een verklaring heeft getekend waaruit blijkt dat hij/zij geïnformeerd is over de mogelijkheid op een kindgesprek te komen en van dat kindgesprek afziet?

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Gevolgen borgstelling voor huwelijksgemeenschap

Nr: 26025 Hoge Raad der Nederlanden, 06-03-2026 ECLI:NL:HR:2026:347 Jurisprudentie Rechtseenheid Huwelijksvermogensrecht 1:88 BW; 1:94 (oud) BW, 7:850 BW

Rechtsvraag

Gelden de schulden waar een van de echtgenoten zich als medeschuldenaar aan heeft verbonden of zich borg voor heeft gesteld als gemeenschapsschulden?

Overweging

De Hoge Raad oordeelt dat de schulden waar een van de echtgenoten zich als medeschuldenaar voor heeft verbonden of zich borg voor heeft gesteld in de huwelijksgemeenschap vallen. 

Een borg verbindt zich op grond van art. 7:850 lid 1 BW tot nakoming van de verbintenis die de hoofdschuldenaar tegenover zijn schuldeiser heeft of zal krijgen. De borg is daarmee (op grond van art. 7:850 lid 3 BW in beginsel hoofdelijk) aansprakelijk voor de schuld van de hoofdschuldenaar jegens de schuldeiser. Op grond van art. 1:94 lid 5 (oud) BW, dat bepaalt dat de huwelijksgoederengemeenschap in beginsel alle schulden van ieder van de echtgenoten omvat, valt ook een uit borgtocht voortvloeiende schuld van de echtgenoot in de gemeenschap. 

De (hoofdelijke) aansprakelijkheid van één van de echtgenoten jegens een schuldeiser bepaalt of en voor welke omvang de schuld in de huwelijksgoederengemeenschap valt. Indien een echtgenoot zich als medeschuldenaar (hoofdelijk) heeft verbonden tot nakoming van de gehele schuld (art. 6:7 BW), valt deze schuld krachtens art. 1:94 lid 5 (oud) BW in de gemeenschap.

Lees verder
 

Verhuizing lopende de procedure over het gezag en contactherstel

Nr: 26026 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 05-03-2026 ECLI:NL:GHSHE:2026:619 Jurisprudentie Rechtseenheid Gezag en omgang 1:253a BW; 1:247 lid 3 BW

Rechtsvraag

Mocht de moeder toen zij nog belast was met het eenhoofdig gezag met het kind verhuizen?

Overweging

De moeder is tijdens een procedure over het contact tussen de vader en het kind, en over het ouderlijk gezag, met het kind verhuisd naar een locatie 150 km bij de vader vandaan. Een half jaar later heeft de rechtbank bepaald dat de ouders gezamenlijk belast worden met het ouderlijk gezag. In hoger beroep beslist het hof dat de moeder moet terug verhuizen. Het hof overweegt als volgt:

Uit Hoge Raad 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1513 volgt dat in geval van gezamenlijk gezag de rechter op grond van artikel 1:253a BW de mogelijkheid heeft om de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft, te verbieden op grote afstand van de andere ouder te gaan wonen, dan wel eerstgenoemde ouder te gelasten om terug te verhuizen, of zich te vestigen op zodanige afstand van de andere ouder dat omgang tussen het kind en die ouder kan plaatsvinden. Ook bij eenhoofdig gezag bestaat een grondslag om de keuzevrijheid van de met het gezag belaste ouder ten aanzien van de woonplaats van het kind te beperken indien deze ouder niet voldoet aan de verplichting omgang tussen het kind en de andere ouder te bevorderen (artikel 1:247 lid 3 BW). [..] Het hof stelt vast dat in dit geval de rechtbank bij de (bestreden) beschikking van 13 augustus 2025 de ouders gezamenlijk, uitvoerbaar bij voorraad, heeft belast met het gezag over het kind en dat geen van partijen van deze beslissing in beroep is gekomen. Er is derhalve sprake van gezamenlijk gezag over het kind. Dit rechtsfeit dat zich heeft voorgedaan dient het hof thans bij de afweging ex nunc te betrekken. Het hof wijst in dit verband naar r.o. 3.1.3. van genoemde uitspraak waarin de Hoge Raad oordeelde dat in het geval de vader ten tijde van de beslissing van het hof inmiddels gezamenlijk met de moeder met het gezag is belast, artikel 1:253a BW voor het hof een grondslag biedt om de moeder te gelasten terug te verhuizen.

Het hof is van oordeel dat de moeder niet in het belang van het kind heeft gehandeld door te verhuizen, en ziet geen belemmeringen voor een terugverhuizing.

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Geen noodzaak voor beƫindiging gezag

Nr: 26032 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 03-03-2026 ECLI:NL:GHARL:2026:1264 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Jeugdrecht
Gezag en omgang
1:266 en 1:267 BW

Rechtsvraag

Is er een grond voor de beëindiging van het gezag van de moeder?

Overweging

De minderjarige is onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. Hij woont in een gezinshuis, maar verbljft in de weekende en vakanties bij de moeder. De GI heeft in eerste aanleg de beëindiging van het gezag van de moeder verzocht, en verzocht de GI te belasten met de voogdij over de minderjarige. De rechtbank heeft dit toegewezen. De raad was het destijds niet eens met het verzoek van de GI, maar in hoger beroep vindt de raad dat de rechtbank een juiste beslissing heeft genomen. 

Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank. De moeder draagt nog steeds een groot deel van de zorg over de minderjarige, accepteert dat de minderjarige in het gezinshuis woont en werkt goed samen met de gezinshuisouder. Een beëindiging van het gezag vormt een grote inbreuk op de rechten en plichten van de moeder en de belangen van de minderjarige. Op grond van de huidige omstandigheden is het hof van oordeel dat een beëindiging van het gezag van de moeder geen recht doet aan de feitelijke situatie en dat van de noodzaak voor een dergelijke maatregel onvoldoende is gebleken. 

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Bruidsgave naar Iraans recht

Nr: 26027 Gerechtshof Amsterdam, 03-03-2026 ECLI:NL:GHAMS:2026:537 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Huwelijksvermogensrecht
IPR
10:154 BW

Rechtsvraag

Moet de man de bruidsgave betalen aan de vrouw?

Overweging

Partijen zijn in Iran gehuwd. Inmiddels wonen zij beiden in Nederland en hebben zij de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft in Nederland de echtscheiding verzocht, en die is ook uitgesproken. De vrouw doet een beroep op de bruidsgave, zoals overeengekomen in de Iraanse huwelijksakte. Het hof oordeelt dat het Iraans recht van toepassing is op de vraag of de man de bruidsgave aan de vrouw moet betalen. Of de man de bruidsgave moet betalen, is afhankelijk van de gronden van de religieuze echtscheiding naar Iraans recht. De man heeft aangegeven dat een religieuze echtscheiding in Iran voor hem van belang is. Er loopt daarover nog geen procedure. Het hof concludeert dat, hoewel de Nederlandse rechter bevoegd is hierover te oordelen, het hof het verzoek nu niet kan toewijzen omdat een Iraanse rechter bij een Iraanse echtscheidingsprocedure hier over zal oordelen en dat beter kan dan de Nederlandse rechter. Het hof overweegt als volgt:

"Op grond van deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat, alhoewel de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om over het verzoek tot betaling van de bruidsgave te oordelen, het verzoek van de vrouw dienaangaande op dit moment niet kan worden toegewezen. Binnen de hiervoor beschreven context, waarbij de omvang van de eventuele aanspraak van de vrouw naar het toepasselijke recht van Iran pas wordt vastgesteld als partijen zich hebben ingespannen (of hebben kunnen inspannen) om een (religieuze) echtscheiding naar Iraans recht te verkrijgen (met de daarbij behorende kwalificatie van die echtscheiding), komt het verwijzingshof (op dit moment) niet toe aan toe- of afwijzing van het verzoek van de vrouw tot betaling van de bruidsgave. Omdat de omvang van de vordering van de vrouw geenszins vast staat, terwijl de mogelijkheid om deze omvang vastgesteld te krijgen door geen van partijen wordt benut, komt haar verzoek op dit moment dus niet voor toewijzing in aanmerking."

Lees verder