VAKnieuws

Wvggz onderzoek in bijzijn van meerdere personen

Nr: 26059 Hoge Raad der Nederlanden, 05-06-2026 ECLI:NL:HR:2026:836 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling GGZ 7:7 Wvggz

Rechtsvraag

Kan worden volstaan met een medisch onderzoek in bijzijn van derden?

Overweging

De Hoge Raad overweegt dat de eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad, gegeven in het kader van de Bopz, ook geldt voor Wvggz-zaken. De Hoge Raad heeft destijds geoordeeld dat het medisch onderzoek in beginsel dient plaats te vinden door een psychiater die fysiek bij de betrokkene aanwezig is tijdens het onderzoek en zonder aanwezigheid van anderen. De aanwezigheid van andere personen is in strijd met de privacy van de betrokkene en kan ook de uitkomst van het onderzoek beïnvloeden doordat het het gedrag van betrokkene tijdens het onderzoek kan beïnvloeden. Alleen wanneer het noodzakelijk is om de veiligheid te waarborgen of als betrokkene een tolk nodig heeft, kan het onderzoek in bijzijn van een derde plaatsvinden. 

In de voorliggende casus heeft de betrokkene aangevoerd dat het onderzoek in bijzijn van vijf andere personen plaatsvond en dat de deur van de onderzoeksruimte open stond zodat ook mensen op de gang het gesprek konden horen. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank had moeten onderzoeken o f, gelet op hetgeen aldus namens betrokkene is aangevoerd, de medische verklaring tot stand is gekomen met inachtneming van de uit de Wvggz voortvloeiende eisen, en haar oordeel daarover dienen te motiveren. Van een en ander blijkt niet uit de bestreden beschikking. 

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

De tweeconclusieregel in verhuiszaken

Nr: 26058 Hoge Raad der Nederlanden, 05-06-2026 ECLI:NL:HR:2026:845 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Procesrecht 87 lid 6 Rv; 279 lid 6 Rv; 362 Rv

Rechtsvraag

Kunnen in verhuiszaken later dan tien dagen voor de zitting nog stukken worden ingediend?

Overweging

De Hoge Raad overweegt dat de rechter in verhuiszaken rekening mag houden met  een grief of wijziging van het verzoek die na het verzoek- of verweerschrift wordt aangevoerd respectievelijk plaatsvindt, en dat de rechter dit in beginsel ook dient te doen. Daarbij moet de rechter wel beoordelen of de goede procesorde zich verzet  tegen het buiten beschouwing laten van producties die niet uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling in het geding zijn gebracht. Daarbij dient de rechter mede in aanmerking te nemen dat het gaat om een procedure op de voet van art. 1:253a BW over een verhuizing met minderjarigen, waarin de rechter zijn beslissing zoveel mogelijk dient te baseren op de omstandigheden ten tijde van de uitspraak en een grote vrijheid heeft om alles wat door partijen is aangevoerd, in zijn beoordeling te betrekken. De aard van deze procedure zal in de regel meebrengen dat ook producties die later dan op de tiende dag voor de mondelinge behandeling in het geding zijn gebracht en die van belang zijn voor de beoordeling van de omstandigheden ten tijde van de uitspraak, door de rechter in zijn beoordeling worden betrokken.

Lees verder

Al onze cursussen

Centrum Permanente Educatie biedt hoogwaardige juridische cursussen, afgestemd op de praktijk en verzorgd met enthousiasme en expertise.

Bekijken
 

Tweetrapsmaking

Nr: 26057 Hoge Raad der Nederlanden, 29-05-2026 ECLI:NL:HR:2026:813 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Erfrecht 4:71 BW; 4:137 e.v. BW

Rechtsvraag

Wie is de erfgenaam als de voorwaarde van de tweetrapsmaking op het moment van overlijden al in vervulling is gegaan? En heeft de tweetrapsmaking een waardedrukkend effect bij de bepaling van de legitieme portie?

Overweging

De erflater heeft zijn zoon en dochter als erfgenaam benoemd, maar voor beiden met de ontbindende en aansluitend opschortende voorwaarde dat in het geval hij/zij in staat van faillissement wordt verklaard of wordt toegelaten tot de WSNP, het aan hem/haar toekomende deel van de nalatenschap aan diens kinderen toekomt. 

De zoon was op het moment waarop erflater overleed al failliet verklaard. Vervolgens is hij toegelaten tot de WSNP. De bewindvoerder doet een beroep op de legtieme portie van de zoon. In geschil is of de zoon wel erfgenaam is geworden.

De Hoge Raad oordeelt van niet. Een tweetrapsmaking veronderstelt dat op het moment van overlijden de vervulling van de ontbindende en opschortende voorwaarde toekomstig en onzeker is. Als de voorwaarde op dat moment is vervuld, wordt niet de bezwaarde erfgenaam, maar uitsluitend de verwachter. De zoon was toen erflater overleed al failliet dus zijn zijn kinderen in zijn plaats erfgenaam geworden.

Ten overvloede (omdat het geschil door het voorgaande niet meer voorligt) legt de Hoge Raad nog u it dat uit de strekking van art. 4:71 BW volgt dat de invloed op de waarde van een erfrechtelijke verkrijging van een voorwaarde in een geval als dit in aanmerking moet worden genomen bij de vaststelling van de feitelijke waarde die in mindering komt op de legitieme portie. Indien het waardedrukkende effect van de voorwaarde genegeerd zou worden, zou afbreuk worden gedaan aan de aanspraak van de legitimaris op de legitieme portie.

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Verandering en vermeerdering verzoek in hoger beroep

Nr: 26056 Hoge Raad der Nederlanden, 29-05-2026 ECLI:NL:HR:2026:808 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Echtscheiding
Procesrecht
Gezag en omgang
283 Rv; 362 Rv; 827 Rv

Rechtsvraag

Kan in het verweer op het incidenteel appel nog een aanvullend verzoek worden ingediend?

Overweging

In het hoger beroep op de echtscheidingsprocedure lag het ouderlijk gezag voor. De moeder wil eenhoofdig gezag. De vader heeft in zijn verweerschrift op het incidenteel appel voor het eerst verzocht hem met het eenhoofdig gezag te belasten. Tot die tijd heeft hij steeds het standpunt ingenomen dat de ouders met het gezamenlijk gezag belast moeten blijven. Het hof heeft dit verzoek toelaatbaar geacht.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof er terecht van uit is gegaan dat het verzoek van de vader toelaatbaar is. Nevenvoorzieningen als bedoeld in art. 827 Rv kunnen worden verzocht in elke fase van de procedure, ook voor het eerst in hoger beroep. Grieven en veranderingen of vermeerderingen van het verzoek in hoger beroep dienen in beginsel bij verzoek- of verweerschrift te worden aangevoerd respectievelijk plaats te vinden. De Hoge Raad oordeelt dat het hof er terecht van uit is gegaan dat de aard van het geschil (beslissingen over het gezag moeten naar de laatste stand van zaken worden genomen) in dit geval meebrengt dat na het verzoek- en verweerschrift in hoger beroep nog een nieuwe grief of een nieuw verzoek ter zake van het eenhoofdig gezag over de kinderen kon worden aangevoerd, respectievelijk kon worden gedaan.

Lees verder
 

Perspectief- en gezagsbeëindigingsonderzoek

Nr: 26061 Rechtbank Noord-Nederland, 13-05-2026 ECLI:NL:RBNNE:2026:1796 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Jeugdrecht 8 EVRM; 1:265b e.v. BW

Rechtsvraag

Is voortzetting van de machtiging tot uithuisplaatsing echt nodig, en zo ja, kan het kind dan in hetzelfde pleeggezin geplaatst worden als zijn broer?

Overweging

De rechtbank uit zich kritisch over de uitvoering van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing, en vraagt zich openlijk af of de uithuisplaatsing niet meer schade heeft veroorzaakt dan er was geweest als het kind thuis was blijven wonen. De GI heeft de raad voor de kinderbescherming gevraagd een gezagsbeëindigende maatregel te onderzoeken. De rechtbank sluit bij dat verzoek aan en formuleert onderzoeksvragen waar de rechtbank antwoord op wil krijgen. Een van de vragen luidt: "Is een plaatsing van [kind 2] in het pleeggezin waar [kind 1] thans verblijft mogelijk, mede in het licht van artikel 8 EVRM en de daarop gebaseerde rechtspraak waarin het belang van samenplaatsing van broertjes en zusjes wordt benadrukt? Tevens wordt de Raad verzocht bij dit onderzoek rekening te houden met de voorgenomen wetgeving inzake jeugdbescherming, waarin samenplaatsing van broers en zussen als uitgangspunt wordt vastgelegd, en hierover uitdrukkelijk te rapporteren."

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Onderhoudsverplichting stiefouder

Nr: 26060 Rechtbank Rotterdam, 11-05-2026 ECLI:NL:RBROT:2026:6580 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Alimentatie 1:395 BW; 1:397 BW; 1:401 BW

Rechtsvraag

Is het feit dat de moeder getrouwd is een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die reden geeft om de kinderalimentatie te wijzigen? En moet de draagkracht van de stiefouder worden meegenomen, terwijl de ouders samen al ruim voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van de kinderen te voorzien?

Overweging

De rechtbank wijst het verzoek van de vader tot wijziging van de kinderalimentatie af. De rechtbank motiveert tweeledig. Enerzijds anticipeert de rechtbank op het plan van de wetgever om de stiefouderverplichting af te schaffen. Anderzijds haalt de rechtbank de uitspraak van het hof Den Haag van 8 januari 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:93) aan, waarin wordt overwogen dat een redelijke wetstoepassing met zich mee brengt dat bij voldoende draagkracht een wijziging in de inkomens- of gezinssituatie van partijen nog geen relevante wijziging van omstandigheden vormt die noopt tot herberekening en aanpassing van de overeengekomen onderhoudsbijdrage en een andere onderlinge verdeling van de kosten van de kinderen. In de zaak bij het hof ging het om de geboorte van een nieuw kind. De rechtbank past het analoog toe op de onderliggende situatie, waarin de wijziging van omstandigheden is dat de vrouw getrouwd is. Nu de ouders samen een draagkracht hebben die de behoefte van de kinderen ruim overstijgt, ziet de rechtbank geen grondslag om de draagkracht van de stiefvader ook mee te nemen.

Lees verder
 

Hoger beroep tegen vastlegging vaststellingsovereenkomst en toepassing beleggingsleer

Nr: 26050 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23-04-2026 ECLI:NL:GHARL:2026:2495 Jurisprudentie Rechtseenheid Huwelijksvermogensrecht 3:172 BW; 6:10 BW; 1:96 BW; 1:87 BW

Rechtsvraag

Kan de man in hoger beroep komen tegen de vastlegging van een vaststellingsovereenkomst in de beschikking van de rechtbank? Heeft de man recht op vergoeding van de na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap door hem betaalde hypotheekaflossingen ?

Overweging

In eerste aanleg hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten ten aanzien van de verdeling van de aandelen in de B.V. en de rechtbank heeft die vaststellingsovereenkomst op verzoek van partijen opgenomen in de beschikking. In hoger beroep grieft de man dat de aandelen in de B.V. op een andere manier verdeeld moeten worden. Het hof oordeelt dat de man niet-ontvankelijk is in zijn grief, omdat het geen beslissing van de rechtbank betreft maar een overeenkomst tussen partijen.

De man heeft na de ontbinding van de partnergemeenschap de hypotheekaflossingen betaald. De man vindt dat hij via de weg van de beleggingsleer recht heeft op vergoeding van de door hem voor de vrouw betaalde aflossingen. Het hof overweegt dat de beleggingsleer alleen van toepassing is op betalingen uit privévermogen die hebben plaatsgevonden vóór de ontbinding van de gemeenschap. De man heeft enkel recht op een nominale vergoeding.

Lees verder
 

Veroordeling tot medewerking aan religieuze echtscheiding

Nr: 26052 Rechtbank Amsterdam, 21-04-2026 ECLI:NL:RBAMS:2026:3963 Jurisprudentie Geschilbeslechting Echtscheiding
IPR
4 lid 3 Rv; 827 sub e Rv

Rechtsvraag

Kan de man (politiek vluchteling) gedwongen worden naar de Iraanse ambassade te gaan om de religieuze echtscheiding naar Iraans recht te regelen?

Overweging

De rechtbank veroordeelt de man tot het verlenen van zijn medewerking aan het ontbinden van het religieuze huwelijk door samen met de vrouw naar een imam te gaan, en vervolgens naar de Iraanse ambassade om daar zijn medewerking te geven voor de Mubarat (religieuze echtscheiding op verzoek van beide partijen). De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de man dat hij gevaar loopt als hij naar de Iraanse ambassade gaat. De man heeft dit verweer onvoldoende onderbouwd.

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Bruidsgave naar Iraans recht

Nr: 26053 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21-04-2026 ECLI:NL:GHARL:2026:2362 Jurisprudentie Geschilbeslechting IPR 4 lid 3 Rv; 827 sub e Rv

Rechtsvraag

Heeft de vrouw recht op de bruidsgave en heeft de man recht op compensatie?

Overweging

Het hof oordeelt dat de vrouw recht heeft op betaling van de bruidsgave maar dat de man wel recht heeft op (gedeeltelijk) compensatie voor het feit dat de vrouw gebruik maakt van haar volmacht om enige vorm van echtscheiding aan te vragen. In de (na de sluiting van het huwelijk) aan de vrouw gegeven volmacht staat namelijk ook een recht op compensatie van de man opgenomen. 

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Gezamenlijk gezag zonder onderlinge communicatie

Nr: 26054 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21-04-2026 ECLI:NL:GHARL:2026:2381 Jurisprudentie Geschilbeslechting Gezag en omgang 1:253c BW

Rechtsvraag

Moeten de ouders belast worden met het gezamenlijk ouderlijk gezag, ondanks dat er geen communicatie tussen hen is?

Overweging

Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank, dat voortaan aan de ouders het gezamenlijk gezag toekomt. De moeder heeft in haar verweer naar voren gebracht dat zij niet in staat is tot communicatie met de vader, omdat zij aan de relatie met de vader PTSS heeft overgehouden. Het hof wijst de moeder erop dat het de verantwoordelijkheid van de moeder is om het ex-partnerschap los te zien van het ouderschap. Als ouder van de minderjarige heeft zij de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat er voldoende communicatie met de vader is om gezamenlijk beslissingen te kunnen nemen. Tot nu toe heeft zij nog onvoldoende inspanningen verricht om dit te bereiken. 

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Grenzen van de rechtsstrijd en partiële vernietiging

Nr: 26043 Hoge Raad der Nederlanden, 17-04-2026 ECLI:NL:HR:2026:681 Jurisprudentie Geschilbeslechting Huwelijksvermogensrecht 1:88 BW; 1:89 lid 1 BW; 3:41 BW; 25 Rv

Rechtsvraag

Heeft het hof de grenzen van de rechtsstrijd overschreden door de overeenkomst slechts partieel te vernietigen?

Overweging

De man is DGA van een B.V. Hij heeft in het kader van een geschil met een handelspartner de  bedrijfspanden verkocht aan de handelspartner en een hypotheek gevestigd op de echtelijke woning, met recht van terugkoop. De vrouw heeft vervolgens de conceptovereenkomst gevonden met daarop haar naam en handtekening. Zij heeft de gesloten overeenkomst op grond van artikel 1:88 BW en 1:89 lid 1 BW vernietigd omdat zij daar niet bij betrokken is geweest en zij haar handtekening niet heeft gezet.

De handelspartner heeft vervolgens nakoming van de overeenkomst gevorderd, met veroordeling van de man, de vrouw en de B.V. tot levering van de verkochte percelen. De man en de vrouw hebben zich beroepen op de vernietiging van de overeenkomst. Het hof heeft geoordeeld dat de overeenkomst enkel partieel is vernietigd, namelijk voor zover het ziet op de echtelijke woning, omdat artikel 1:89 BW enkel de echtelijke woning beschermt maar niet de bedrijfspanden. Volgens de man en de vrouw behoren de bedrijfsmatig gebruikte percelen ook tot de echtelijke woning. In cassatie stellen de man en de vrouw dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden.

De Hoge Raad oordeelt dat de overeenkomst vernietigd is voor zover het ziet op de echtelijke woning. Voor de bedrijfsmatig gebruikte delen van de percelen blijft de overeenkomst wél in stand op grond van  artikel 3:41 BW . Volgens de Hoge Raad is er geen onverbrekelijk verband tussen het privégedeelte (de woning) en de zakelijke delen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door een overeenkomst partieel te vernietigen, aangezien het hof op grond van artikel 25 Rv rechtsgronden mag aanvullen en artikel 3:41 BW toepassing vereiste. Het hof mocht zelfstandig beoordelen of de transactie uit scheidbare onderdelen bestond, omdat dit debat feitelijk al tussen partijen was gevoerd en de man en de vrouw zelfs subsidaire vorderingen hadden gedaan die zagen op partiële vernietiging.

Lees verder
 

De draagkracht moet verdeeld worden over alle kinderen waarvoor de onderhoudsplichtige een onderhoudsverplichting heeft

Nr: 26044 Hoge Raad der Nederlanden, 17-04-2026 ECLI:NL:HR:2026:664 Jurisprudentie Geschilbeslechting Alimentatie 1:392 BW; 1:397 BW

Rechtsvraag

Hoe moet de rechter om gaan met een gebrek aan gegevens bij samengestelde gezinnen?

Overweging

Bij het bepalen van de draagkracht van de onderhoudsplichtige ouder moet rekening worden gehouden met onderhoudsverplichtingen jegens andere kinderen. Wanneer een onderhoudsplichtige ouder onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit verschillende relaties, terwijl zijn draagkracht niet voldoende is om aan die verplichtingen volledig te voldoen, moet het voor onderhoud beschikbare bedrag in beginsel gelijkelijk tussen die kinderen worden verdeeld, tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij een duidelijk verschil in behoefte.

Als de rechter niet de beschikking krijgt over de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de behoefte van de kinderen uit de andere relatie en de draagkracht van de andere ouder van die kinderen (hierna: de andere ouder), moet hij die behoefte en draagkracht zoveel als mogelijk schatten aan de hand van de hem wel ter beschikking staande gegevens. Het staat hem daarbij, gelet op de art. 21 en 22 Rv, vrij rekening te houden met het feit dat de benodigde gegevens niet verstrekt zijn en met de eventuele verklaring die daarvoor is gegeven. Als de andere ouder geacht moet worden in eigen levensonderhoud te voorzien, kan de rechter in dat geval, zonder nader onderzoek naar diens draagkracht, ervan uitgaan dat de andere ouder ten minste voor de helft bijdraagt in de behoefte van de kinderen uit die andere relatie.

De rechter moet zijn oordeel over (de hoogte van) de kinderbijdrage zodanig motiveren dat het voldoende inzicht geeft in de gedachtegang die daaraan ten grondslag ligt, teneinde dat oordeel voor zowel partijen als derden – de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken.

Lees verder