VAKnieuws
Erkenning huwelijkRechtsvraagMag de rechter de BRP volgen bij het vaststellen van het al dan niet bestaan van een huwelijk? OverwegingIn de BRP staat vermeld dat partijen gehuwd zijn. De vrouw heeft geen bewijs van het huwelijk kunnen overleggen en tegenstrijdig over de huwelijkssluiting verklaard. De rechter heeft het huwelijk in een eerdere procedure niet erkend. In deze procedure vindt de ambtenaar van de burgerlijke stand dat de rechter het huwelijk wel had moeten erkennen, omdat het huwelijk is vermeld in de BRP en die vermelding op grond van verklaringen onder ede tot stand is gkeomen. De rechtbank oordeelt dat de bevoegdheid om vast te stellen of sprake is van een (voor erkenning vatbaar) huwelijk uiteindelijk bij de rechter ligt en niet bij het college of (een door het college gemandateerde) gemeentelijk ambtenaar, omdat het hier gaat om de toepassing van materieel recht op een concreet geschil – en dat is naar het stelsel van de wet een rechterlijke taak. De gemeentelijke ambtenaar registreert rechtsfeiten aan de hand van akten en brondocumenten, maar neemt daarmee geen bindend materieelrechtelijk oordeel over de geldigheid of erkenning van het huwelijk in de zin van het familierecht. De BRP is een basisregistratie met "authentieke gegevens", geen constitutief register: de vermelding van een huwelijk in de BRP is een zwaarwegende administratieve aanwijzing, maar geen rechterlijk oordeel over het bestaan of de rechtsgeldigheid van dat huwelijk. In procedures waarin het huwelijk rechtsgevolgen heeft (echtscheiding, afstamming, gezag, verblijfsrecht, sociale zekerheids- of belastingrechtelijke vragen) is het daarom de rechter die zelfstandig moet beoordelen of van een rechtsgeldig en voor erkenning vatbaar huwelijk sprake is.
Cursussen binnenkort: |
|
Perspectief- en gezagsbeëindigingsonderzoekRechtsvraagIs voortzetting van de machtiging tot uithuisplaatsing echt nodig, en zo ja, kan het kind dan in hetzelfde pleeggezin geplaatst worden als zijn broer? OverwegingDe rechtbank uit zich kritisch over de uitvoering van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing, en vraagt zich openlijk af of de uithuisplaatsing niet meer schade heeft veroorzaakt dan er was geweest als het kind thuis was blijven wonen. De GI heeft de raad voor de kinderbescherming gevraagd een gezagsbeëindigende maatregel te onderzoeken. De rechtbank sluit bij dat verzoek aan en formuleert onderzoeksvragen waar de rechtbank antwoord op wil krijgen. Een van de vragen luidt: "Is een plaatsing van [kind 2] in het pleeggezin waar [kind 1] thans verblijft mogelijk, mede in het licht van artikel 8 EVRM en de daarop gebaseerde rechtspraak waarin het belang van samenplaatsing van broertjes en zusjes wordt benadrukt? Tevens wordt de Raad verzocht bij dit onderzoek rekening te houden met de voorgenomen wetgeving inzake jeugdbescherming, waarin samenplaatsing van broers en zussen als uitgangspunt wordt vastgelegd, en hierover uitdrukkelijk te rapporteren." Cursussen binnenkort:Al onze cursussenCentrum Permanente Educatie biedt hoogwaardige juridische cursussen, afgestemd op de praktijk en verzorgd met enthousiasme en expertise. Bekijken |
|
X-registratieRechtsvraagMoet de ambtenaar aan de geboorteakte een latere vermelding toevoegen van de wijziging van het geslacht van betrokkene in die zin dat het geslacht "X" zal zijn? OverwegingDe rechtbank oordeelt dat de ambtenaar de X-registratie moet toevoegen aan de geboorteakte. De rechtbank overweegt dat het ontbreken van een mogelijkheid tot genderneutrale registratie op zichzelf geen rechtstekort oplevert maar dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat dit niet uitsluit dat in een concreet geval er zodanige feiten en omstandigheden kunnen zijn waardoor er toch sprake is van een rechtstekort wanneer genderneutrale registratie niet mogelijk wordt gemaakt. De rechtbank oordeelt dat de belanghebbende een gerechtvaardigde verwachting heeft gehad dat een X-registratie mogelijk is. Dit heeft de belanghebbende onderbouwd met feiten en omstandigheden die in hun onderlinge verband en samenhang beschouwd, duidelijk maken dat het niet waarmaken van de gerechtvaardigde verwachting dat genderneutrale registratie mogelijk zou zijn, voor betrokkene leidt tot meer dan slechts persoonlijk ongemak. Het veroorzaakt voor betrokkene een structurele en in het licht van de in artikel 8 EVRM beschermde rechten, ontoelaatbare ongelijkheid ten opzichte van anderen die met succes een soortgelijk verzoek hebben ingediend. Cursussen binnenkort: |
|
Vervangende toestemming aanvragen paspoortRechtsvraagIs de vader bevoegd om vervangende toestemming te verzoeken voor het aanvragen van een paspoort voor het kind? OverwegingDe rechtbank kan niet vaststellen of de vader ouderlijk gezag heeft over het kind. De vader is met het kind naar Nederland gekomen. Volgens de vader woont de moeder nog in Iran, maar is zij onbereikbaar waardoor zij geen toestemming kan geven voor het aanvragen van een paspoort. Zoals de rechtbank het Iraanse recht beoordeelt, komt de rechtbank tot de conclusie dat naar Iraans recht alleen de moeder ouderlijk gezag heeft over het kind. De rechtbank gaat hier aan voorbij omdat op grond van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) bij het nemen van de beslissing de belangen van het kind een overweging van eerste orde moeten zijn. Het kind heeft er belang bij dat zij een paspoort en/of ID-bewijs krijgt, zodat zij zich kan legitimeren in de Nederlandse samenleving. Cursussen binnenkort: |
|
KindgesprekRechtsvraagMoet de rechter de kinderen van 7 en 9 jaar horen? OverwegingDe rechter heeft besloten de kinderen niet uit te nodigen voor een kindgesprek. Het zijn erg kwetsbare kinderen van zeven en negen jaar oud die veel spanning ervaren over hun perspectief. Met name deze rechtszaak is voor hen beladen. De kinderen zijn op de hoogte gesteld van de datum van de mondelinge behandeling en denken dat de rechter dan zal bepalen of zij wel of niet bij de vader gaan wonen. In deze situatie zou een gesprek of een uitnodiging voor een gesprek een ongewenste druk op de kinderen leggen, die wellicht menen dat de uitkomst van de zaak afhankelijk is van wat zij zeggen. De rechter vindt het daarom in strijd met het belang van de kinderen om hen voor een gesprek uit te nodigen en verwijst naar ECLI:NL:HR:2013:1084. Daarbij weegt de rechter mee dat de kinderen al een stem in deze procedure hebben doordat zij door de raadsmedewerker zijn gesproken en dat het participatierecht van kinderen tot doel heeft hen een stem te geven in de beslissingen die over hen worden genomen, en niet is bedoeld om aan waarheidsvinding te doen ten behoeve van een belanghebbende. Cursussen binnenkort: |
|
De GI moet een neutrale derde zijnRechtsvraagIs de GI in casu nog wel in staat om als neutrale derde op te treden in het belang van het kind? OverwegingDe kinderrechter vraagt de Raad voor de Kinderbescherming om te onderzoeken of de GI in casu nog wel in staat is om als neutrale derde op te treden en of de ondertoezichtstelling met de huidige jeugdbeschermers nog wel effectief kan zijn. De kinderrechter kan zich namelijk niet aan de indruk onttrekken dat de jeugdbeschermers onderdeel zijn geworden van de strijd tussen de ouders en hun objectiviteit in de situatie zijn verloren. Cursussen binnenkort: |
|
Ondertoezichtstelling zonder vaste jeugdbeschermer geen op de wet gegronde maatregelRechtsvraagIs er grond voor een (verlenging van een) ondertoezichtstelling als er geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar is? OverwegingDe kinderrechter wijst het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af, omdat er al ruim een half jaar geen vaste jeugdbeschermer betrokken is en de verwachting ook niet is dat er op korte termijn een jeugdbeschermer beschikbaar zal zijn. De kinderrechter oordeelt dat de wijze waarop de GI de ondertoezichtstelling uitvoert zonder dat er een vaste jeugdbeschermer aan het gezin is gekoppeld, niet op de wet kan worden gegrond en, los en onafhankelijk daarvan, de maatregel inhoudsloos en doelloos is als er geen jeugdbeschermer is gekoppeld aan het kind en zijn of haar ouders. Hoewel de Jeugdwet niet expliciet voorschrijft dat er een jeugdbeschermer moet worden toegewezen aan een kind wanneer het onder toezicht is gesteld, volgt dit wel uit het systeem en de totstandkomingsgeschiedenis van de Jeugdwet. Een ondertoezichtstelling zonder (vaste) jeugdbeschermer is volgens de kinderrechter onmogelijk, omdat de Jeugdwet uitgaat van een jeugdbeschermer die feitelijk belast is met de wettelijke taken en verantwoordelijkheden van een ondertoezichtstelling, waaronder het opstellen van het hulpverleningsplan of plan van aanpak, waarin de zorg en begeleiding van het kind wordt vastgelegd, het wijzigen van dat plan als de omstandigheden daartoe aanleiding geven, de evaluatie van het verloop van de ondertoezichtstelling, het houden van toezicht op het onder toezicht gestelde kind en zijn of haar gezin en het beoordelen of crisismaatregelen moeten worden genomen en uiteindelijk, of de maatregel kan worden beëindigd. Zonder aan het kind en het gezin gekoppelde jeugdbeschermer is de ondertoezichtstelling niet langer gericht op het uitvoeren van de wettelijke taken en verantwoordelijkheden van de jeugdbeschermer. De kinderrechter concludeert dat ingevolge het bepaalde in artikel 8 lid 2 EVRM het verzoek tot verlenging moet worden afgewezen.
Cursussen binnenkort: |
|
Machtiging gesloten jeugdhulp zonder instemming gedragswetenschapperRechtsvraagKan voorbij worden gegaan aan de door artikel 6.1.2 lid 5 Jeugdwet vereiste instemming van de gedragswetenschapper? OverwegingDe rechtbank verleent de machtiging voor gesloten jeugdhulp, ondanks dat de gedragswetenschapper er niet mee heeft ingestemd. De rechtbank overweegt dat de machtiging alsnog noodzakelijk is, omdat er geen alternatief is voor de minderjarige. De enige optie is dat de minderjarige naar een crisisopvang gaat, maar de kans is groot dat de minderjarige dan de motivatie verliest om traumatherapie te volgen, terwijl hij dat wel nodig heeft. Cursussen binnenkort: |
|
Toetsingsverzoek verhuizing niet-ontvankelijk, geen gewijzigde omstandighedenRechtsvraagZijn er relevante gewijzigde omstandigheden naar voren gebracht die rechtvaardigen dat de rechter zich – na drie uitspraken - opnieuw kan buigen over de vraag of de vrouw met de kinderen mag verhuizen? OverwegingTen aanzien van de door de vrouw aangevoerde omstandigheden wordt als volgt overwogen. De rechter neemt in overweging dat het standpunt van de vrouw (i) dat de kinderen zijn geworteld in de woonplaats van de vrouw, voor zover dat al heeft gegolden, inmiddels is achterhaald. De kinderen verblijven immers inmiddels weer in de hen vertrouwde woon- en sociale omgeving bij hun vader. Zij zijn ook weer in hun vertrouwde omgeving naar de school waar zij altijd naar toe zijn gegaan. In zoverre mist de stelling van de vrouw dat sprake is van gewijzigde omstandigheden doel. De tweede feitelijke, gewijzigde omstandigheid die de vrouw stelt komt erop neer dat zij geen geschikte woonruimte in de geografische nabijheid van de man kan vinden. Die stelling heeft de vrouw onvoldoende concreet onderbouwd. De vrouw heeft louter producties in het geding gebracht waaruit blijkt dat zij gedurende twee maanden woonruimte heeft gezocht (in een voor haar onbereikbare prijsklasse) in een geografische omgeving van de man. Uit wat de vrouw stelt volgt dat zij ook in dit verband zich niet heeft gehouden aan wat het Hof heeft overwogen en beslist. Niet kan blijken dat de vrouw binnen de door het Hof daarvoor gegeven termijn heeft gezocht naar mogelijkheden om terug te verhuizen naar een plek op een zodanige geografische afstand van de man dat, de eerder overeengekomen en eerder door de rechter vastgestelde zorgregeling, kan worden uitgevoerd. In tegendeel; de vrouw is verhuisd naar [woonplaats 1] en heeft op geen enkel moment aantoonbaar getracht terug te verhuizen. Ware dat al anders, dan valt niet in te zien dat de door de vrouw gestelde onmogelijkheid om woonruimte te vinden, die louter het gevolg is van haar eigen beslissing om zich niet te houden aan wat rechters hebben beslist, ertoe zou moeten leiden dat de kinderen dan bij haar zouden moeten komen te wonen, in aanmerking genomen dat de man, die zich wel houdt aan rechterlijke uitspraken, dan zijn rol als verzorgende en opvoedende ouder zou kwijt raken. De man en de Raad hebben een duidelijk standpunt ingenomen. Zij vinden niet dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden en zij vinden dat het verzoek om vervangende toestemming voor verhuizing opnieuw moet worden afgewezen. De man en de Raad baseren hun standpunt op de vaststelling dat de door de vrouw gestelde omstandigheden louter het gevolg zijn van haar eigen beslissing om zich niet te houden aan rechterlijke beslissingen en toch te verhuizen en niets afdoen aan de feiten en omstandigheden die nu tot drie maal toe door de rechters zijn getoetst. De rechter begrijpt dat standpunt en constateert dat wat de man en de raad aanvoeren feitelijk juist is. Een en ander leidt tot de slotsom dat de vrouw niet kan worden ontvangen in haar verzoek om vervangende toestemming te verlenen tot verhuizing. Cursussen binnenkort: |
|
Geen vervangende toestemming besnijdenis zoonRechtsvraagVerleent de rechtbank vervangende toestemming voor besnijdenis van de zoon van partijen? OverwegingNee. De Raad onthoudt zich van advies. De Raad onderschrijft het standpunt van de KNMG en de jeugdgezondheidszorg, dat er begrip voor is dat ouders vanuit hun cultuur, geloof of overtuiging hun kind willen laten besnijden terwijl er geen medische noodzaak is, maar dat de besnijdenis een inbreuk is op het recht van kind om over het eigen lichaam te beslissen. Ook in deze kwestie gaat het vooral over het gebrek aan communicatie tussen de ouders onderling, immers de ouders vinden beiden dat de besnijdenis moet plaatsvinden. Juist in deze kwestie zullen de ouders er samen uit moeten komen. Mocht de besnijdenis wel plaatsvinden, dan is het van belang dat bij een zodanig ingrijpende gebeurtenis niet alleen de moeder maar ook de vader aanwezig is. De rechtbank zal, onder verwijzing naar het standpunt van de Raad en de artsenfederatie KNMKG (De Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst), het verzoek van de vrouw en het subsidiaire verzoek van de man afwijzen. De KNMG ziet niet-therapeutische circumcisie bij minderjarigen (jongensbesnijdenis) als een schending van de integriteit van het lichaam. Dit grondwettelijk vastgelegde recht beschermt mensen tegen ongewilde ingrepen in of aan het lichaam. Volgens de KNMG mogen minderjarigen alleen blootgesteld worden aan medische handelingen als er sprake is van ziekte of afwijkingen, of als overtuigend aangetoond kan worden dat de ingreep in het belang is van het kind, zoals bij vaccinaties. Het zonder medische reden chirurgisch verwijderen van de voorhuid bij jongens is schadelijk en een ernstige schending van fundamentele kinderrechten, stelt de KNMG in haar standpunt niet-therapeutische circumcisie bij minderjarige jongens. De rechtbank voegt hier nog aan toe, onder verwijzing naar "De rol van de staat in familierelaties: meer of minder?", druk I, 2015, door Katharina Boele-Woelki, dat de Nederlandse context zwaar weegt naast het feit dat jongensbesnijdenis een onherstelbare fysieke ingreep zonder medische noodzaak is, die de jongen later zelf kan uitvoeren als hij een leeftijd heeft bereikt waarop hij daarover kan oordelen. Nu er in de onderhavige kwestie geen sprake is van een medische noodzaak is het, gelet op dat standpunt, niet aan de rechtbank om vervangende toestemming te verlenen voor een zodanig ingreep. Het is aan de ouders, die beiden achter de besnijdenis staan, om hierover met elkaar in gesprek te gaan, al dan niet met ondersteuning van hulpverlening. Cursussen binnenkort: |
|
Perspectiefbesluit kan worden getoetst via geschillenregelingRechtsvraagKan een perspectiefbesluit via de geschillenregeling worden getoetst door de kinderrechter? OverwegingJa. Het perspectiefbesluit is een interne beslissing van de GI die in grote mate bepalend is voor de wijze van uitvoering van de ondertoezichtstelling. Als de GI besluit dat het opgroeiperspectief van een kind niet meer bij de ouder(s) ligt, dan is de hulpverlening niet meer op thuisplaatsing gericht, maar op het ondersteunen van de ouder(s) bij het invullen van hun rol van ouder op afstand. Ook de duur en frequentie van de omgang wijzigt hierdoor over het algemeen. De ondertoezichtstelling wordt vanaf dat moment dus op een andere manier uitgevoerd en de gevolgen hiervan zijn groot voor de ouders en de minderjarige. In zoverre is sprake van een geschil over de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Weliswaar komt het perspectiefbesluit (impliciet) aan de orde bij de beoordeling van een verzoek tot gezagsbeëindiging of verlenging van de uithuisplaatsing en kan daarmee beargumenteerd worden dat een andere weg dan de geschillenregeling open staat, maar de rechtbank is van oordeel dat dit de ouders de facto geen effectieve en adequate rechtsbescherming biedt. Doorgaans wordt een verzoek tot gezagsbeëindiging immers pas aanzienlijk later beoordeeld, zodat de kans groot is dat tegen die tijd de in artikel 1:266 BW genoemde aanvaardbare termijn is verstreken. Ook de verlengingszitting vindt in voorkomende gevallen geruime tijd na het perspectiefbesluit plaats (zoals ook in deze zaak). Toetsing van het perspectiefbesluit is dan mosterd na de maaltijd. Verder zijn de ouders gehouden ook na het perspectiefbesluit mee te blijven werken aan de (ingrijpend gewijzigde) uitvoering van de ondertoezichtstelling. Dit kan bezwaarlijk van hen gevergd worden als zij het perspectiefbesluit pas veel later in rechte kunnen betwisten. Het is ook niet doelmatig om de ondertoezichtstelling op deze manier uit te voeren. Het voorgaande betekent dat een effectieve en adequate mogelijkheid om op te komen tegen een perspectiefbesluit (vooralsnog) ontbreekt. De rechtbank acht dit niet wenselijk en is daarom van oordeel dat het perspectiefbesluit op grond van de geschillenregeling van artikel 1:262b BW kan worden voorgelegd aan de kinderrechter. Cursussen binnenkort: |
|
Vervangende toestemming coronavaccinatie 12-jarigeRechtsvraagKan een minderjarige zelf aan de rechter vragen om vervangende toestemming voor een coronavaccinatie? OverwegingHet geschil tussen de ouders van [de minderjarige 1] heeft betrekking op de zorg voor zijn lichamelijke gezondheid. Dat valt onder de verantwoordelijkheid van de ouders die samen het gezag over hem uitoefenen. Het geschil over de vaccinatie kan in de gegeven context worden gezien als een geschil over de uitoefening van het ouderlijk gezag in de zin van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek. Dat artikel regelt dat wanneer ouders het niet eens zijn en het ook tijdens een mondelinge behandeling bij de rechter niet alsnog eens worden, de rechter beslist wat hij in het belang van een kind wenselijk vindt. (…) De rechter stelt voorop dat kinderen wel degelijk corona kunnen krijgen en dat zij er weliswaar gemiddeld minder erg en minder vaak ziek van worden dan volwassenen, maar dat ook kinderen net zo goed ernstig ziek kunnen worden en ook langdurig de gevolgen van die ziekte kunnen ervaren (long-covid). Verder is het risico op het besmetten van anderen significant kleiner bij gevaccineerden dan bij ongevaccineerden. Begrijpelijk maakt de vader zich zorgen over de risico’s van vaccinatie en er is inderdaad een klein risico op ernstige bijwerkingen, zoals de door de vader bedoelde ontsteking van het hartzakje of de harstspier die naar nu verworven inzichten ongeveer voorkomt bij 1 op de 15.000 gevaccineerde jongens van 12 tot 18 jaar. Een ernstige bijwerking die gelukkig goed kan worden herkend en die ook in nagenoeg alle gevallen tot een volledig herstel kan leiden. Het zijn in ieder geval allemaal risico’s die de gezondheidsraad in haar afweging heeft meegenomen voorafgaand aan het geven van het advies om kinderen van 12 tot 18 jaar de mogelijkheid te bieden om voor vaccinatie te kiezen. De door de vader ervaren risico’s op de lange termijn, missen iedere feitelijke grondslag. Er zijn op dit moment, op grond van de huidige wetenschappelijke inzichten, geen denkbare risico’s op de lange termijn die overeenkomen met de door de vader ervaren zorgen. Gelet op het positieve advies van de gezondheidsraad en de bij vaccinatie betrokken belangen, in het bijzonder de belangen van [de minderjarige 1] zoals die hiervoor zijn verwoord, brengen met zich dat de rechter vervangende toestemming geeft die het mogelijk maakt dat [de minderjarige 1] zich laat vaccineren. De rechter vindt het belangrijk dat deze vaccinatie ook daadwerkelijk op korte termijn plaatsvindt en dat het belang van [de minderjarige 1] bij de vaccinatie op korte termijn zwaarder weegt dan het belang dat wordt gediend met een schorsing door het instellen van hoger beroep of herbeoordeling van zijn beslissing in een executie kortgeding. Om die reden zal de rechter zijn beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren (voor de beperkingen die dit met zich brengt om tot een andere voorlopige beslissing te komen, zie: HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Cursussen binnenkort: |
