VAKnieuws

Stelplicht behoefte en behoeftigheid

Nr: 26069 Rechtbank Midden-Nederland, 25-06-2026 ECLI:NL:RBMNE:2026:3782 Jurisprudentie Geschilbeslechting Alimentatie
Procesrecht
1:392 lid 2 BW; 150 Rv.

Rechtsvraag

Kan voor de onderbouwing van een alimentatieverzoek verwezen worden naar de stukken uit de voorlopige voorzieningen procedure?

Overweging

De rechtbank wijst het nevenverzoek tot partneralimentatie af. Voor de onderbouwing van haar behoefte en behoeftigheid heeft de vrouw in haar verzoekschrift verwezen naar beschikking en de stukken in de procedure over de voorlopige voorziening. Die maken geen onderdeel uit van de echtscheidingsprocedure.

Lees verder
 

Wrakingsverzoek te laat ingediend

Nr: 26042 Rechtbank Midden-Nederland, 27-03-2026 ECLI:NL:RBMNE:2026:1299 Jurisprudentie Geschilbeslechting Procesrecht 36 Rv

Rechtsvraag

Tot wanneer kan een wrakingsverzoek worden ingediend?

Overweging

De verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek ingediend nadat de rechter de eindbeslissing heeft genomen.  Een wrakingsverzoek kan worden ingediend totdat de behandelend rechter einduitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak. Na een einduitspraak eindigt de procedure namelijk en is er dus geen “behandelend rechter” meer zoals wordt bedoeld in artikel 36 Rv. De verzoeker is daarom niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek.

Lees verder

Al onze cursussen

Centrum Permanente Educatie biedt hoogwaardige juridische cursussen, afgestemd op de praktijk en verzorgd met enthousiasme en expertise.

Bekijken
 

Prejudiciële vragen

Nr: 26036 Rechtbank Midden-Nederland, 12-03-2026 ECLI:NL:RBMNE:2026:1024 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Jeugdrecht 392 Rv

Rechtsvraag

Prejudiciële vragen over de procedures met betrekking tot minderjarige asielzoekers.

Overweging

1. Welke onderbouwing van het verzoekschrift, al dan niet gestaafd met (officiële) documenten, mag de rechter in deze fase van het (recente) verblijf van de minderjarige in Nederland van Nidos verwachten afgezet tegen het belang om snel te beslissen? En welke moeite moet Nidos zich hebben getroost om aan de documenten te komen?
2. Is een verzoek van Nidos om met voogdij op grond van artikel 1:253q en r BW over een alleenstaande minderjarige asielzoeker van buiten de Europese Unie benoemd te worden een verzoek als bedoeld in artikel 800 lid 1 Rv dat voor onmiddellijke toewijzing, dus zonder zitting, gereed is.
3.  Maakt het bij de beantwoording van vraag 2) uit of van ouders verblijfs- of contactgegevens bekend zijn buiten Europa? Wanneer brengt de beschikbaarheid van contactgegevens met zich mee dat ouders in de mogelijkheid zijn om hun gezag uit te oefenen? Indien het antwoord op vraag 2 ontkennend is, wat kan dan precies van de rechtspraak worden verwacht waar het de oproep van de ouders voor een mondelinge behandeling betreft als er:
4.Indien het antwoord op vraag 2 ontkennend is, wat kan dan precies van de rechtspraak worden verwacht waar het de oproep van de ouders voor een mondelinge behandeling betreft als er:
a. (nog) geen contactgegevens bekend zijn, moet er dan toch een oproeping via de Staatscourant plaatsvinden (met een oproeptermijn van drie maanden)?
b. contactgegevens van (de) ouder(s) bekend zijn in een land buiten de Europese Unie, moet er dan op reguliere wijze betekening plaatsvinden in het buitenland (hetgeen een tijdrovende aangelegenheid kan zijn)?
5. Moeten de minderjarigen in bedoelde zaken (in alle gevallen) in de gelegenheid worden gesteld hun mening kenbaar te maken door middel van een oproep voor een kindgesprek?
6. Luidt het antwoord op vraag 5 anders indien de minderjarige – bijgestaan door een tolk – een verklaring heeft getekend waaruit blijkt dat hij/zij geïnformeerd is over de mogelijkheid op een kindgesprek te komen en van dat kindgesprek afziet?

Lees verder
 

Ondertoezichtstelling

Nr: 25036 Rechtbank Midden-Nederland, 06-03-2025 ECLI:NL:RBMNE:2025:1306 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Jeugdrecht 1:255 BW.

Rechtsvraag

Mag bij de beoordeling van een verzoek tot het ondertoezichtstellen van een kind, mee wegen dat de gemeente terughoudend is in het verlenen van hulp?

Overweging

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt de minderjarige voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Er is al zeven jaar hulpverlening in het vrijwillige kader betrokken bij de minderjarige en zijn ouders, en dit baat niet. 

De GI vindt dat een ondertoezichtstelling weinig zal toevoegen. De ouders staan achter de hulpverlening en uithuisplaatsing, zodat hulpverlening en een uithuisplaatsing in het vrijwillige kader volstaat. Daarbij brengt de GI naar voren dat de gemeente terughoudend is in het aanbieden van hulp, waardoor de GI ook weinig (meer) denkt te kunnen betekenen dan de hulpverlening in het vrijwillig kader. De kinderrechter volgt de GI hierin niet. Z ij toetst aan het criterium van de wet en is van oordeel dat sprake is van ernstige ontwikkelingsbedreigingen. De GI voert de regie over de in te zetten hulpverlening en de gemeente is op grond van de Jeugdwet verplicht deze hulp te bieden. 

Lees verder
 

Mondelinge uitspraak eenhoofdig gezag in afwezigheid vader

Nr: 24072 Rechtbank Midden-Nederland, 20-08-2024 ECLI:NL:RBMNE:2024:5265 Jurisprudentie Geschilbeslechting Gezag en omgang 29a Rv

Rechtsvraag

Kan de rechter bij mondelinge uitspraak het gezamenlijk gezag wijzigen in eenhoofdig gezag terwijl de vader daarbij niet aanwezig is?

Overweging

De rechtbank heeft bij mondelinge uitspraak het gezamenlijk gezag gewijzigd in eenhoofdig gezag voor de moeder. De vader was daar niet bij aanwezig. In artikel 29a Rv staat dat de rechter enkel een mondelinge uitspraak kan doen wanneer alle partijen daarbij aanwezig zijn, óf als er een spoedeisend belang is bij een mondelinge uitspraak. De rechtbank overweegt dat in dit geval sprake is van een spoedeisend belang bij een mondelinge uitspraak over het ouderlijk gezag. De minderjarige is onder toezicht gesteld maar de GI wil de ondertoezichtstelling niet verlengen. De ondertoezichtstelling richt zich enkel nog op de gezagsuitoefening door de vader. Nu de ondertoezichtstelling eindigt, ontstaat er een periode waarin de ouders gezamenlijk gezag hebben zonder dat de GI betrokken is om bij gezagsbeslissingen in te grijpen. Deze situatie acht de rechtbank niet in het belang van de minderjarige. 

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Rechtbank weigert betrokkene als gemachtigde in alle familie- en jeugdzaken voor de duur van twee jaar.

Nr: 24036 Rechtbank Midden-Nederland, 16-05-2024 ECLI:NL:RBMNE:2024:3068 Jurisprudentie Rechtseenheid Procesrecht 81 Rv; 280 Rv.

Rechtsvraag

Kan de rechtbank bijstand of vertegenwoordiging door een gemachtigde weigeren?

Overweging

Op grond van artikel 81 lid 1 en artikel 280 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de rechtbank in verzoekschriftprocedures bijstand of vertegenwoordiging weigeren door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan en die geen advocaat of deurwaarder is. De weigering geldt voor een bepaalde zaak of voor een door de rechtbank te bepalen tijd.

De betrokkene in deze zaak was voorheen advocaat. Hij is door de raad van discipline van het tableau geschrapt, en deze beslissing is door het hof van discipline bekrachtigd. Betrokkene wil nu als gemachtigde in jeugdbeschermingszaken optreden. De rechtbank oordeelt dat er ernstige bezwaren bestaan tegen betrokkene en dat deze ernstige bezwaren structureel van aard zijn. De rechtbank haalt verschillende overwegingen van het hof van discipline aan, en overweegt dat j eugdbeschermingszaken bij uitstek gevoelige zaken zijn, omdat de overheid hier diep ingrijpt in het gezinsleven van kinderen en hun ouders. Van een professioneel rechtsbijstandsverlener wordt dus juist in deze procedures verwacht dat hij/zij met gepaste onafhankelijkheid, deskundigheid en integriteit optreedt en binnen de regels van de wet een eerlijk proces voor zijn/haar cliënten voert.  De rechtbank is onvoldoende overtuigd dat betrokkene in de toekomst als gemachtigde anders zal handelen dan als advocaat.  

Lees verder
 

Voorlopige voogdij over kinderen in Gaza afgewezen omdat het onuitvoerbaar is.

Nr: 24040 Rechtbank Midden-Nederland, 30-04-2024 ECLI:NL:RBMNE:2024:2661 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Jeugdrecht 1:241 BW; 1:253q BW; 1:253r BW

Rechtsvraag

Onder welke omstandigheden kan de (kinder)rechter een voorlopige voogdij over kinderen uitspreken?

Overweging

Uit de wet volgt dat de rechtbank op verzoek van (onder meer) de Raad een voogd benoemt wanneer de ouder die het gezag uitoefent al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen; of het bestaan of de verblijfplaats van de ouders of één van hen die het gezag uitoefenen, onbekend is.  Gedurende de periode waarin één van voornoemde omstandigheden zich voordoet is het gezag van de ouder (tijdelijk) geschorst.

In deze casus verblijft een deel van de minderjarige kinderen van de met het eenhoofdig gezag belaste moeder al ruim anderhalf jaar bij familie in Gaza zonder toestemming van de moeder. De moeder en de vader (zonder gezag) zijn familie van elkaar. Door angst voor de vader en de familie is de moeder niet in staat om de nodige gezagsbeslissingen te nemen. De rechtbank wijst daarom de door de raad verzochte voogdij over de in Nederland verblijvende kinderen toe. De rechtbank wijst het verzoek van de raad om ook de voogdij uit te spreken over de in Gaza verblijvende kinderen af. De kinderen hebben ook al onder toezicht gestaan en dat bleek onuitvoerbaar. Daarnaast is het ministerie van buitenlandse zaken nog altijd aan het proberen de kinderen te repatriëren. Zolang de kinderen in Gaza verblijven treft de maatregel van een voogdij geen doel. 

Lees verder
 

Advocaat toegevoegd bij procedure uithuisplaatsing kinderen

Nr: 22066 Rechtbank Midden-Nederland, 12-04-2022 ECLI:NL:RBMNE:2022:1950 Jurisprudentie Geschilbeslechting Jeugdrecht
Procesrecht
817 Rv, 6 EVRM, 1:265a BW

Rechtsvraag

Is er aanleiding ambtshalve een advocaat toe te voegen aan een zieke moeder tijdens de procedure tot uithuisplaatsing van haar kinderen?

Overweging

Uit de ingediende stukken en verklaringen van de GI en de Raad blijkt dat de moeder ernstige medische problemen heeft waardoor zij in het ziekenhuis ligt. De moeder is recent met de kinderen gevlucht uit Oekraïne. De kinderen verblijven momenteel in een pleeggezin in de buurt van de moeder. De vader van de kinderen is in Oekraïne achter gebleven. De moeder is bekend met de lopende procedure, maar kon niet deelnemen aan de laatste zitting van 12 april 2022 vanwege haar slechte gezondheid, zo verklaarde de GI tijdens die zitting. Ook heeft zich voor haar geen advocaat gesteld.

De rechtbank stelt vast dat het hier om een ingrijpende kwestie gaat, die de belangen van de moeder rechtstreeks raakt. Het is de vraag of de moeder – gelet op haar problematiek en omstandigheden – voldoende begrijpt welk verzoek op dit moment voorligt. De rechtbank vindt het om die reden van belang dat de moeder in deze procedure wordt bijgestaan door een advocaat gelet op het ingrijpende karakter van de verzochte beslissing en de zeer kwetsbare omstandigheden van de moeder.  

Lees verder
 

Alimentatie voor 21-plusser gelet op ouderschapsplan en derdenbeding

Nr: 21066 Rechtbank Midden-Nederland, 22-04-2021 ECLI:NL:RBMNE:2021:1829 Jurisprudentie Geschilbeslechting Alimentatie 1:395a BW

Rechtsvraag

Dient de alimentatie voor een jongmeerderjarige van ouder dan 21 worden voortgezet gelet op hetgeen partijen hebben afgesproken in het ouderschapsplan?

Overweging

Ouders zijn verplicht om te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun jongmeerderjarige kinderen die de leeftijd van éénentwintig jaren niet hebben bereikt. In aanvulling op de wettelijke onderhoudsplicht voor een kind tot eenentwintig jaar, kunnen ouders contractueel overeenkomen dat zij onderhoudsplichtig zijn voor hun meerderjarige kinderen nadat deze kinderen de leeftijd van eenentwintig hebben bereikt, op welke onderhoudsplicht het betreffende kind aanspraak kan maken als er in de overeenkomst tussen de ouders sprake is van een derdenbeding. 

(...)

Tussen [verzoekster (voornaam)] en de vader is in geschil of de afspraak in het ouderschapsplan geciteerd onder 2.3. een derdenbeding inhoudt. Van een derdenbeding is sprake indien de overeenkomst voor een derde het recht schept een prestatie van een van de partijen te vorderen of op een andere wijze jegens een van hen een beroep te doen op de overeenkomst, indien de overeenkomst een beding van die strekking inhoudt en de derde dit beding aanvaardt. Het ouderschapsplan is een overeenkomst tussen de vader en de moeder. De rechtbank moet daarom eerst beoordelen of [verzoekster (voornaam)] als derde een beroep kan doen op de onder 2.3. aangehaalde bepaling. 

 

(...)

De rechtbank leest de bepaling in het ouderschapsplan zo dat deze ertoe strekt dat de vader en de moeder zich jegens elkaar verbinden om ook na het eenentwintigste levensjaar van [verzoekster (voornaam)] naar vermogen bij te dragen in de financiële ondersteuning totdat zij haar opleiding heeft voltooid. Dit is op te maken uit de inhoud van de bepaling in combinatie met de verklaringen van de vader en de moeder. De vader heeft ter zitting toegelicht dat het de intentie was van de ouders om ervoor te zorgen dat [verzoekster (voornaam)] kon studeren. De moeder heeft in een e-mailbericht aan de advocaat van [verzoekster (voornaam)] laten weten dat bij het opstellen van het ouderschapsplan het de bedoeling was dat [verzoekster (voornaam)] na haar eenentwintigste verjaardag een studiebijdrage zou ontvangen van beide ouders als zij aantoonbaar zou studeren. 

Wat betreft de vraag of [verzoekster (voornaam)] rechtstreeks een aanspraak kan ontlenen aan wat de vader en de moeder in het ouderschapsplan zijn overeengekomen zijn alle omstandigheden van het geval van beslissende betekenis, waarbij die omstandigheden moeten worden gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Een ouderschapsplan waarin de ouders verplichtingen aangaan om gedurende jaren bij te dragen in de opvoeding en verzorging van hun dochter en in het verlengde daarvan afspreken om het financieel mogelijk te maken dat zij ook na haar eenentwintigste jaar zal kunnen studeren, strekt er in de regel toe dat er op termijn een rechtstreekse rechtsbetrekking tussen de dochter en ieder van de ouders tot stand komt. De vader en de moeder hebben in dit verband immers geen belang ten opzichte van elkaar, de afspraken zien op de belangen van de dochter. De moeder heeft in het e-mailbericht expliciet verklaard dat zij hoopt dat de vader de afspraken nakomt die bij het ouderschapsplan zijn gemaakt over de bijdrage aan [verzoekster (voornaam)] na haar eenentwintigste jaar. Om deze redenen concludeert de rechtbank dat de bepaling in het ouderschapsplan waarin de ouders van [verzoekster (voornaam)] de verplichting vastleggen om haar na haar eenentwintigste jaar een (studie-)bijdrage te blijven betalen zolang zij met redelijke resultaten en overleg met partijen met een beroepsopleiding bezig is of studeert, een derdenbeding inhoudt ten gunste van [verzoekster (voornaam)] .

Lees verder
 

Mondkapjesplicht

Nr: 21028 Rechtbank Midden-Nederland, 13-01-2021 ECLI:NL:RBMNE:2021:51 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Arbeidsovereenkomstenrecht

Rechtsvraag

Valt het instellen van de mondkapjesplicht onder het instructierecht?

Overweging

[werkgever] beroept zich ten aanzien van de door haar op 13 oktober 2020 ingestelde mondkapjesplicht op haar instructierecht als werkgever. Dit instructierecht vindt zijn grondslag in artikel 7:660 BW waarin staat dat de werknemer zich moet houden aan de voorschriften omtrent het verrichten van de arbeid, alsmede aan die welke strekken ter bevordering van de goede orde in de onderneming die hem door de werkgever binnen de grenzen van algemeen verbindende voorschriften of overeenkomst, al dan niet tegelijk met andere werknemers, worden gegeven.

Deze verplichting volgt uit de aard van het dienstverband en brengt de zeggenschap van de werkgever over de werknemer tot uitdrukking. Kenmerkend voor het instructierecht is dat de voorschriften eenzijdig door de werkgever kunnen worden gegeven, tenzij er een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging bestaat. Dat [werkgever] een verplichting tot het instellen van een ondernemingsraad heeft dan wel dat er een personeelsvertegenwoordiging is, is niet gesteld of gebleken. Dit maakt dat [werkgever] eenzijdig een instructie heeft kunnen geven aan haar werknemers, waar haar werknemers zich in beginsel aan hebben te houden.

De kantonrechter is voorshands van oordeel dat de verplichting tot het dragen van een mondkapje in de panden van [werkgever] twee legitieme doelen dient.

Ten eerste is [werkgever] als werkgever wettelijk verplicht de individuele belangen van haar werknemers te beschermen door zorg te dragen voor een gezonde en veilige werkomgeving. Dit brengt met zich dat [werkgever] gedurende de corona pandemie gehouden is datgene te doen wat nodig is en wat binnen haar macht ligt om besmetting van haar werknemers op de werkvloer met het corona virus te voorkomen.

Ten tweede heeft [werkgever] haar bedrijfsbelang te beschermen, omdat zij onder meer een loondoorbetalingsverplichting heeft bij ziekte. 

Lees verder
 

Weigering i-grond

Nr: 20060 Rechtbank Midden-Nederland, 27-03-2020 ECLI:NL:RBMNE:2020:1221 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Arbeidsprocesrecht 7:669 BW

Rechtsvraag

Is ontbinding op de i-grond gerechtvaardigd bij afwijzing van andere ontslaggronden?

Overweging

Uit het voorgaande volgt dat zowel de d-grond als de g-grond niet voldragen zijn. In het verzoekschrift heeft [verzoeker] echter nauwelijks toegelicht om welke reden de combinatie van beide onvoldragen gronden ontbinding toch rechtvaardigt. Op de zitting heeft zij nader toegelicht dat volgens haar de i-grond aan de orde is omdat de verhouding teveel is verstoord omdat verbetering in het functioneren weinig kansen heeft. Ook dit is een onvoldoende nadere onderbouwing. Toewijzing op grond van deze redenering zou er in dit geval op neerkomen dat aan [verweerder ] de waarborgen die gelden voor de d-grond hem alsnog worden onthouden.

De kantonrechter neemt hierbij in aanmerking (zoals ook hiervóór al is overwogen) dat van [verzoeker] verwacht had mogen worden dat zij, voor zover de arbeidsverhouding naar haar mening teveel verstoord is, moeite had behoren te doen dit te normaliseren. Daarvan is echter niet gebleken. 

Lees verder
 

Geen vergoeding voor slapend dienstverband

Nr: 20034 Rechtbank Midden-Nederland, 19-02-2020 ECLI:NL:RBMNE:2020:563 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Arbeidsovereenkomstenrecht 7:669 BW, 7:671b BW

Rechtsvraag

Is een een transitievergoeding verschuldigd bij een dienstverband dat slapend werd voor 1 juli 2015?

Overweging

Met het voorgaande hangt vervolgens samen de vraag naar de hoogte van de vergoeding in het geval dat er uit het Xella-arrest wel zou moeten worden afgeleid dat er een verplichting bestaat voor de Arbo Unie om mee te werken aan de beëindiging van het dienstverband van [eiser].

De Hoge Raad heeft in het Xella-arrest de hoogte van de vergoeding wegens schending van goed werkgeverschap gelijk gesteld aan het bedrag aan transitievergoeding dat verschuldigd zou zijn bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de dag na die waarop de werkgever wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer de arbeidsovereenkomst zou kunnen (doen) eindigen.

Deze maximering komt uit artikel 7:673e lid 2 BW. De wachttijd van [eiser] is op 27 mei 2015 verstreken. Op dat moment was er geen sprake van re-integratie of zicht op herstel binnen een periode van 26 weken, waardoor opzegging door de werkgever op grond van 7:669 lid 1 en lid 3, aanhef en onder b, BW mogelijk was. Een opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige ziekte gaf toen nog geen recht op een vergoeding, tenzij er sprake was van bijkomende omstandigheden. Die zijn niet gesteld of gebleken.

Op 27 mei 2015 bestond er nog geen wettelijke verplichting tot betaling van een transitievergoeding. Die verplichting is eerst met de inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid (Wwz) op 1 juli 2015 ontstaan. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] geen recht heeft op een vergoeding. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit niet onredelijk, omdat [eiser] ook geen recht op een (transitie)vergoeding had gehad als Arbo Unie destijds direct een einde aan het dienstverband had gemaakt. 

Lees verder