VAKnieuws

Afgedwongen beslissing door verhuizing zonder toestemming

Nr: 26055 Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 09-04-2026 ECLI:CE:ECHR:2026:0409JUD000665624 Jurisprudentie Rechtseenheid Gezag en omgang 8 EVRM

Rechtsvraag

Moet de rechter bij de beoordeling van verzochte voorlopige voorzieningen alleen naar de noodzaak op basis van de status quo kijken, of moet de rechter ook meewegen wat de gevolgen van het voortduren van de status quo kunnen zijn voor de beslissing in de bodemzaak?

Overweging

De moeder is kort na het indienen van het echtscheidingsverzoek zonder toestemming van de vader met de kinderen verhuisd naar een plaats op 200 km afstand. In de echtscheidingsprocedure heeft de moeder het eenhoofdig gezag en een beperkte omgangsregeling verzocht, en de vader gezamenlijk gezag en een co-ouderschapsregeling. Nadat de moeder met de kinderen is verhuisd, heeft de vader verzocht spoedmaatregelen te treffen zoals het dwingen van de moeder om met de kinderen terug te keren en een voorlopige beslissing over het gezag. De voorzieningenrechters hebben die verzoeken afgewezen omdat de kinderen veilig waren, de moeder goed voor de kinderen zorgde en de vader de kinderen nog steeds eens per veertien dagen in het weekend kon zien. In de bodemprocedure is de moeder uiteindelijk met het eenhoofdig gezag belast en is een zorgregeling van om de week een weekend vastgelegd. Daarbij heeft meegewogen dat de kinderen inmiddels gewend waren aan de situatie waarin zij 200 km bij de vader vandaan wonen.

De vader klaagt bij het EHRM. Het EHRM oordeelt dat de rechter in de bodemzaak teveel belang heeft gehecht aan de bewust en onrechtmatig door de moeder gecreeërde situatie, en dat de moeder met de beslissing is beloond voor haar gedrag. Dat is in strijd met artikel 8 EVRM. De rechters (zowel in kort geding als in de bodemzaak) hadden niet alleen naar de feiten moeten kijken maar zich rekenschap moeten geven van de belangen van de kinderen en de vader, en van het feit dat de moeder door te verhuizen zonder toestemming de door haar gewenste situatie feitelijk afdwong.

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Aanvaardbare termijn

Nr: 25045 Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 15-04-2025 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Gezag en omgang
Jeugdrecht
1:266 BW; 8 EVRM.

Rechtsvraag

Heeft de Nederlandse overheid te weinig gedaan om het kind te herenigen met moeder?

Overweging

Het kind is onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst (2015). Al vier maanden na de uithuisplaatsing heeft de GI een perspectiefbesluit genomen, luidende dat het kind haar perspectief niet bij de moeder had. De reden hiervoor was dat de moeder niet wilde meewerken aan een plaatsing in een moeder-kind huis. Op het perspectiefbesluit volgde een verzoek tot gezagsbeëindiging, welke in eerste aanleg werd toegewezen en in hoger beroep werd bekrachtigd. Het kind was zich aan het hechten aan de pleegouders en de aanvaardbare termijn was verstreken.

De moeder heeft zich gewend tot het EHRM. Zij vindt dat er te weinig is gedaan om te onderzoeken of het kind terug geplaatst kon worden bij de moeder. 

Het EHRM oordeelt dat de GI en de Raad het doel van terugplaatsing te snel hebben opgegeven. Dat de moeder niet wilde meewerken aan een plaatsing in het moeder-kind huis, betekent nog niet dat er geen andere mogelijkheden waren om te onderzoeken of de moeder een veilige opvoedomgeving kon bieden aan het kind. Dit brengt het EHRM tot het oordeel dat in de procedure die heeft geleid tot de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder, onvoldoende gewicht is toegekend aan de bescherming van het gezinsleven van de moeder en het kind. Er is sprake van een schending van artikel 8 EVRM.

Het EHRM kent aan de moeder een immateriële schadevergoeding toe van € 20.000,- (belastingvrij). 

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder

Al onze cursussen

Centrum Permanente Educatie biedt hoogwaardige juridische cursussen, afgestemd op de praktijk en verzorgd met enthousiasme en expertise.

Bekijken
 

Geheimhouden informatie over adoptieouders vormt schending van artikel 8 EVRM

Nr: 24045 Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 14-05-2024 ECLI:CE:ECHR:2024:0514JUD002094921 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Afstamming en adoptie 8 EVRM

Rechtsvraag

Mag een lidstaat informatie over de adoptieouders geheim houden tegenover het geadopteerde kind?

Overweging

In de aan het EHRM voorgelegde casus wilde klaagster informatie hebben over haar adoptie, meer specifiek over de vraag of haar depressie, angststoornis en spraakproblemen een erfelijke herkomst hebben of hun oorzaak vinden in haar ontwikkeling en vroege jeugd. De Noord-Macedonische  autoriteiten hebben dit verzoek direct afgewezen omdat die informatie geheim moest blijven op grond van de Noord-Macedonische Familiewet. Het EHRM heeft overwogen dat er een belangenafweging moet worden gemaakt tussen het recht van het geadopteerde kind om informatie te hebben over zijn/haar afkomst en erfelijke gezondheidsproblemen, en anderzijds het recht van de adoptieouder(s) om anoniem te blijven. In deze casus is niet eerst onderzocht of de biologische ouder er bezwaar tegen had dat deze informatie met klaagster gedeeld zou worden. Ook bevat de Familiewet geen uitzonderingen op de regel dat informatie over de adoptie geheim gehouden moet worden. Dit acht het EHRM in strijd met artikel 8 EVRM. De autoriteiten die een dergelijk verzoek voorgelegd krijgen, zijn gehouden om bij de beslissing een belangenafweging te maken.

Lees verder