personen-, familie- en erfrecht
VAKnieuws
OnderbewindstellingRechtsvraagHeeft de kantonrechter terecht en op juiste gronden ten behoeve van de betrokkene een bewind ingesteld wegens zijn lichamelijke en/of geestelijke toestand? OverwegingDe betrokkene vindt dat zijn goederen onterecht onder bewind zijn gesteld. Dat hij in een psychiatrische kliniek is opgenomen is onvoldoende om te concluderen dat hij vanwege zijn geestelijke toestand niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Voor het hof is voldoende aannemelijk geworden dat de gronden voor een bewind ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en nog steeds zijn. Het hof overweegt dat de betrokkene onvoldoende overzicht heeft over zijn financiële situatie. Voorafgaand aan het bewind bleef belangrijke post ongeopend liggen, werden rekeningen niet betaald en ontbrak er actieve communicatie met [naam 3] over lopende verplichtingen. De betrokkene beschikte ook niet over een geldige identiteitskaart en wist niet bij welke energieleverancier hij was aangesloten. Ter zitting in hoger beroep heeft de bewindvoerder naar voren gebracht dat de betrokkene regelmatig zijn betaalpas kwijt is en dat zij dan voor hem een nieuwe betaalpas aanvraagt. Het hof acht ondersteuning van het netwerk van de betrokkene onvoldoende, omdat de betrokkene slechts beperkt hulp toelaat en geen volledig inzicht geeft in zijn financiële positie. Hierdoor is het hof van oordeel dat de betrokkene door zijn netwerk niet afdoende begeleid kon en kan worden bij het op orde brengen van zijn financiële situatie. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter, gelet op het voorgaande, terecht ten behoeve van de betrokkene een bewind ingesteld dat in de huidige situatie van de betrokkene ook moet worden voortgezet. |
|
Beëindiging ondertoezichtstellingRechtsvraagIs de ondertoezichtstelling terecht verlengd? OverwegingHet enige doel van de ondertoezichtstelling is nog het contactherstel tussen de vader en de 17-jarige zoon. De vader vindt dat de ondertoezichtstelling terecht door de rechtbank is verleend, omdat hij graag weer contact wil met zijn zoon. De zoon geeft al meerdere jaren aan geen contact te willen met de vader. De door de kinderrechter bij beschikking van 10 januari 2025 opgestelde doelen van de ondertoezichtstelling waren onder meer dat de zoon de emotionele ruimte krijgt om contact met de vader te kunnen hebben, dat hulpverlening voor de zoon en de ouders wordt opgestart en dat duidelijkheid wordt verkregen over de mogelijkheden van contact tussen de zoon en de vader. De GI heeft over deze doelen toegelicht dat daarbij niet voorop stond dat contactherstel daadwerkelijk plaatsvindt, maar dat eerst moet worden onderzocht of contact mogelijk was en zo ja, op welke wijze het contact ingevuld kan worden. Het hof is van oordeel dat ten tijde van de bestreden beschikking nog een reële mogelijkheid bestond om de doelen van de ondertoezichtstelling te behalen. Door middel van SiS zou nader onderzoek worden gedaan om te proberen de verschillende perspectieven van de betrokkenen over het verleden bijeen te brengen. In hoger beroep is de situatie echter anders gebleken. De GI heeft toegelicht dat SiS na een tweede intakegesprek heeft geconcludeerd dat onvoldoende basis bestaat om het traject te starten. De GI heeft ter zitting in hoger beroep verklaard op dit moment geen andere reële mogelijkheden meer te zien om binnen de ondertoezichtstelling de gestelde doelen te bereiken. Hoewel het hof oordeelt dat de ontwikkelingsbedreiging nog steeds aanwezig is, beëindigt het hof de ondertoezichtstelling met ingang van de datum van de beschikking van het hof.
Cursussen binnenkort:Al onze cursussenCentrum Permanente Educatie biedt hoogwaardige juridische cursussen, afgestemd op de praktijk en verzorgd met enthousiasme en expertise. Bekijken |
|
Verwijtbaar inkomensverliesRechtsvraagIs het inkomensverlies van de vader verwijtbaar of vermijdbaar? OverwegingHet hof overweegt dat de beslissing om de vermindering van het inkomen bij de bepaling van de draagkracht van de vader al dan niet buiten beschouwing te laten, afhangt van de vraag of de vader redelijkerwijs zijn oude inkomen weer kan verdienen en of dit van hem kan worden gevergd. Is het antwoord op beide vragen positief, dan kan worden uitgegaan van het oorspronkelijke inkomen van de vader. Is echter het antwoord op een van de vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing moet blijven. In het bijzonder moet dan worden bezien of de onderhoudsplichtige zich uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. In dit geval heeft de vader zelf zijn baan opgezegd, wegens lichamelijke klachten, met het plan om als zzp'er te gaan werken. Het is hem niet gelukt om werk te vinden als zzp'er. Het hof oordeelt dat de vader verwijtbaar heeft gehandeld door zijn baan op te zeggen in plaats van zich ziek te melden. Cursussen binnenkort: |
|
Andere machtiging uithuisplaatsing dan verzochtRechtsvraagMag de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor een andere categorie (accommodatie jeugdhulpaanbieder) dan door de raad is verzocht (pleeggezin)? OverwegingDe raad heeft verzocht een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een pleeggezin. De minderjarige is een pasgeboren baby. De kinderrechter heeft een machtiging verleend tot uithuisplaatsing in een accomodatie jeugdhulpaanbieder, zodat de GI de minderjarige samen met de moeder in een moeder-kindhuis kon plaatsen. Dat is zo geschied en dat gaat goed. Het hof oordeelt als volgt. Mocht een uithuisplaatsing in het belang van een minderjarige noodzakelijk zijn, dan heeft de overheid op grond van art 8 lid 2 EVRM een positieve verplichting tot het treffen van maatregelen om te bevorderen dat het gezin, zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk, wordt herenigd. Wel dient deze verplichting steeds afgewogen te worden tegen de verplichting om rekening te houden met het belang van het kind, en het grote gewicht van dat belang. De inspanningen moeten erop zijn gericht om persoonlijke banden tussen ouder en kind zoveel mogelijk in stand te houden. Aan de kinderrechter komt tegen deze achtergrond een zekere beoordelingsruimte toe met betrekking tot de vraag binnen welke categorie of setting van jeugdhulp de uithuisplaatsing van een minderjarige moet worden gerealiseerd. Dit geldt temeer als een minderverstrekkende setting dan verzocht volstaat om het boogde doel - door de raad omschreven als: het waarborgen van de veiligheid, het welzijn en de ontwikkeling van de minderjarige – te realiseren. Een plaatsing van een pasgeboren baby bij een jeugdhulpaanbieder, samen met de moeder, is minder verstrekkend dan plaatsing in een pleeggezin, zonder de moeder. Cursussen binnenkort: |
|
Duurzame samenwoning als het ware gehuwdRechtsvraagIs de vrouw duurzaam, als het ware zij gehuwd, gaan samenwonen met haar partner? OverwegingHet hof oordeelt dat de vrouw duurzaam met haar partner samenwoont, als het ware zij gehuwd. De vrouw stelt dat zij uit noodzaak tijdelijk bij haar partner is ingetrokken, maar zij heeft de noodzaak om haar huur op te zeggen niet aangetoond. Zij woont inmiddels al ruim anderhalf jaar samen met haar partner en er is geen zicht op een verhuizing naar een eigen woning. De samenwoning is daarmee duurzaam. Het samenstel van gedragingen, waaronder het kosteloze woongenot dat de vrouw geniet, het gezamenlijk wassen, boodschappen doen, eten en in één bed slapen, maakt dat gesproken kan worden van wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding. Dat de vrouw en haar partner geen gezamenlijke bankrekening hebben doet aan het voorgaande niet af. Het beroep van de man op artikel 1:160 BW slaagt daarom en daarmee is zijn onderhoudsverplichting jegens de man geëindigd. Cursussen binnenkort: |
|
Draagkracht gedetineerdeRechtsvraagHeeft de vader draagkracht om kinderalimentatie te betalen? OverwegingDe vader heeft in hoger beroep aangetoond dat hij een WIA-uitkering ontvangt en dat hij daardoor een minimale draagkracht heeft van € 50,- per maand. Daarnaast is het hof er ambtshalve mee bekend dat de vader sinds 14 januari 2026 in voorlopige hechtenis is genomen op verdenking van een niet nader genoemd - maar volgens zijn advocaat ernstig - strafbaar feit. Het is het hof bekend dat de WIA-uitkering na één maand hechtenis automatisch wordt stop gezet. Het hof gaat er daarom vanuit dat de vader vanaf 1 februari 2026 geen draagkracht meer heeft. Voor zover de vader in de afgelopen maanden meer kinderalimentatie heeft betaald dan het hof vastlegt, hoeft de moeder dat niet aan hem terug te betalen. Cursussen binnenkort: |
|
Minderjarige maakt gemotiveerd bezwaar tegen contactherstel met zijn vaderRechtsvraagIs contact(herstel) met de vader in het belang van de minderjarige? OverwegingHet hof oordeelt dat contact(herstel) niet in het belang van de minderjarige is. De minderjarige heeft gemotiveerd en consequent aangegeven dat hij op dit moment geen contact wil met zijn vader. Het hof overweegt dat gelet op de leeftijd van de minderjarige, er belang moet worden gehecht aan zijn mening. Het hof stelt vast dat de vader herhaaldelijk handelt op een manier die niet in het belang van de minderjarige is, onder meer door onverwachts bij zijn school te staan en zich bedreigend uit te laten over de hond, de moeder en de stiefvader van de minderjarige. De vader moet inzicht krijgen in de gevolgen van zijn handelen en uitlatingen voor de minderjarige. Cursussen binnenkort: |
|
Bruidsgave naar Iraans rechtRechtsvraagMoet de man de bruidsgave betalen aan de vrouw? OverwegingPartijen zijn in Iran gehuwd. Inmiddels wonen zij beiden in Nederland en hebben zij de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft in Nederland de echtscheiding verzocht, en die is ook uitgesproken. De vrouw doet een beroep op de bruidsgave, zoals overeengekomen in de Iraanse huwelijksakte. Het hof oordeelt dat het Iraans recht van toepassing is op de vraag of de man de bruidsgave aan de vrouw moet betalen. Of de man de bruidsgave moet betalen, is afhankelijk van de gronden van de religieuze echtscheiding naar Iraans recht. De man heeft aangegeven dat een religieuze echtscheiding in Iran voor hem van belang is. Er loopt daarover nog geen procedure. Het hof concludeert dat, hoewel de Nederlandse rechter bevoegd is hierover te oordelen, het hof het verzoek nu niet kan toewijzen omdat een Iraanse rechter bij een Iraanse echtscheidingsprocedure hier over zal oordelen en dat beter kan dan de Nederlandse rechter. Het hof overweegt als volgt: "Op grond van deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat, alhoewel de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om over het verzoek tot betaling van de bruidsgave te oordelen, het verzoek van de vrouw dienaangaande op dit moment niet kan worden toegewezen. Binnen de hiervoor beschreven context, waarbij de omvang van de eventuele aanspraak van de vrouw naar het toepasselijke recht van Iran pas wordt vastgesteld als partijen zich hebben ingespannen (of hebben kunnen inspannen) om een (religieuze) echtscheiding naar Iraans recht te verkrijgen (met de daarbij behorende kwalificatie van die echtscheiding), komt het verwijzingshof (op dit moment) niet toe aan toe- of afwijzing van het verzoek van de vrouw tot betaling van de bruidsgave. Omdat de omvang van de vordering van de vrouw geenszins vast staat, terwijl de mogelijkheid om deze omvang vastgesteld te krijgen door geen van partijen wordt benut, komt haar verzoek op dit moment dus niet voor toewijzing in aanmerking." Cursussen binnenkort: |
|
Opzettelijk verzwegen goederenRechtsvraagKan artikel 1:394 lid 2 BW van toepassing zijn als de andere deelgenoot wel op de hoogte was van het bestaan van het verborgen goed? OverwegingHet hof overweegt als volgt. Uit artikel 3:194 lid 2 vloeit niet voort dat de deelgenoot aan wie het aandeel van de andere deelgenoot wordt verbeurd met het bestaan van het verzwegen goed compleet onbekend moet zijn. Naar het oordeel van het hof geldt artikel 3:194 lid 2 BW juist onder omstandigheden als hier gegeven, ten aanzien van goederen waarvan de andere deelgenoot -in dit geval de man- het bestaan tot op zekere hoogte kent, maar het goed niet in zijn macht heeft en de precieze omvang niet kan kennen. In de onderhavige zaak vormt het door de vrouw meerdere keren ontkennen van de aanwezigheid van contant geld in de kluis in combinatie met haar passieve houding als deelgenoot bij het verkrijgen van openheid over de inhoud van de kluis omstandigheden die maken dat artikel 3:194 lid 2 BW van toepassing is, ook nu de man wist van aanwezigheid van contant geld in de kluis. Cursussen binnenkort: |
|
Peildatum waarde woningRechtsvraagNaar welke peildatum moet in de verdeling de waarde van de woning bepaald worden? OverwegingPartijen hebben in 2018 bij het hof een schikking bereikt over de wijze van verdeling van de woning. Die hebben zij niet volledig uitgevoerd. In 2024 is de woning nog steeds niet verdeeld. De man heeft de woning verkocht en de notaris heeft de helft van de overwaarde in depot gelaten. In geschil is de vraag of de vrouw recht heeft op de helft van de overwaarde anno 2024 of dat zij recht heeft op de helft van de overwaarde anno 2018. Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank dat de vrouw recht heeft op de helft van de overwaarde anno 2018. Partijen hebben immers in 2018 al afspraken gemaakt over de verdeling en de vrouw heeft nadien ook geen kosten betaald voor de woning en geen gebruiksvergoeding verzocht. Partijen hebben zich gedragen alsof de woning in 2018 al verdeeld was. Cursussen binnenkort: |
|
Rol inwonend meerderjarig kind bij het bepalen van de behoeftigheid voor de partneralimentatieRechtsvraagMoet bij het bepalen van de behoeftigheid van de vrouw rekening worden gehouden met het feit dat de thuiswonende meerderjarige zoon kostgeld aan de vrouw kan betalen? OverwegingDe 28-jarige zoon van partijen woont bij de vrouw. Hij heeft een baan en verdient ongeveer € 2.000,- netto per maand. De vrouw vraagt geen kostgeld van haar zoon, omdat zij vindt dat hij moet kunnen sparen voor een eigen woning. Het hof oordeelt dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij wel kostgeld aan haar zoon vraagt. Hij is volwassen en heeft een eigen inkomen, waarmee van hem verwacht mag worden dat hij in zijn eigen onderhoud voorziet. Het hof ziet niet in waarom niet van de zoon kan worden verwacht dat hij maandelijks bijdraagt in de woonlasten en de kosten van de huishouding analoog aan de situatie dat sprake zou zijn van een werkende inwonende partner. Dat de vrouw om haar moverende redenen geen bijdrage vraagt aan de zoon, leidt niet tot een ander oordeel. Cursussen binnenkort: |
|
Meemoeder kan ouderschap niet ontkennenRechtsvraagKan de ontkenning van het ouderschap door de meemoeder gegrond worden verklaard? OverwegingHet kind is geboren tijdens het huwelijk van moeder 1 en moeder 2, maar moeder 1 is niet van rechtswege door het huwelijk de juridisch ouder geworden van het kind omdat het kind niet afstamt van een onbekende donor. Bij de echtscheiding van de moeders is het ouderschap van moeder 1 gerechtelijk vastgesteld. Moeder 1 is daartegen destijds niet in hoger beroep gegaan. Nu wil moeder 1 haar ouderschap over het kind ontkennen. Het hof wijst dit af. Op grond van artikel 1:202a BW kan de moeder wiens ouderschap gerechtelijk is vastgesteld haar moederschap niet ontkennen op de grond dat zij niet de biologische moeder van het kind is. Ook artikel 3 van het IVRK biedt hier geen grond voor. Moeder 1 heeft zich namelijk wel als moeder over het kind ontfermd en er is een hechtingsband opgebouwd. Dat er nu geen contact is tussen moeder 1 en het kind maakt daarin geen verschil. |
