VAKnieuws

Toepassing Syrisch huwelijksvermogensrecht

Nr: 26023 Rechtbank Rotterdam, 12-02-2026 ECLI:NL:RBROT:2026:1651 Jurisprudentie Geschilbeslechting Huwelijksvermogensrecht
IPR
Huwelijksvermogensverdrag 1978

Rechtsvraag

Moeten de eigendommen bij helfte worden verdeeld?

Overweging

De vrouw wil dat de goederen en het vermogen bij helfte worden verdeeld. Maar het Syrisch huwelijksvermogensrecht is van toepassing. Het Syrisch recht kent geen algehele gemeenschap van goederen. De inboedel moet bij helfte worden verdeeld en partijen moeten beiden de helft van de schulden betalen.

Lees verder
 

Ouderlijk gezag niet ter vrije bepaling ouders

Nr: 26024 Rechtbank Rotterdam, 12-02-2026 ECLI:NL:RBROT:2026:1883 Jurisprudentie Rechtseenheid Gezag en omgang 1:251a BW

Rechtsvraag

Kunnen de ouders afspreken dat een van het met het eenhoofdig gezag belast zal worden?

Overweging

Het ouderlijk gezag staat niet ter vrije bepaling van partijen. Het ouderlijk gezag omvat namelijk niet alleen het recht maar ook de plicht tot verzorging en opvoeding van het kind. De ouders kunnen dus niet in het ouderschapsplan overeenkomen dat de vrouw met het eenhoofdig gezag belast zal worden en dat de man er aan zal meewerken om dit te bewerkstelligen. De rechtbank toetst of is voldaan aan een van de gronden uit artikel 1:251a BW maar is van oordeel dat daar niet aan is voldaan. Het hof wijst het verzoek om de vrouw met het eenhoofdig gezag te belasten daarom af.

Lees verder

Al onze cursussen

Centrum Permanente Educatie biedt hoogwaardige juridische cursussen, afgestemd op de praktijk en verzorgd met enthousiasme en expertise.

Bekijken
 

Verhuisvergoeding bewindvoerder

Nr: 26022 Rechtbank Oost-Brabant, 13-02-2026 ECLI:NL:RBOBR:2026:1060 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Curatele, bewind en mentorschap artikel 1:447 lid 1 BW juncto artikel 3 lid 5 sub b van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren

Rechtsvraag

Heeft de bewindvoerder recht op een verhuiskostenvergoeding als de bewindvoerder enkel administratieve werkzaamheden heeft verricht rondom de verhuizing?

Overweging

De kantonrechter is van oordeel dat de bewindvoerder enkel aanspraak kan maken op de forfaitaire verhuiskostenvergoeding indien werkzaamheden zijn verricht in het kader van de verhuizing die niet onder de standaard jaarbeloning vallen. Oftewel: er moeten andere werkzaamheden zijn gesteld en verricht dan (de standaard) administratieve werkzaamheden. Uit de door de bewindvoerder gegeven opsomming blijkt hier niet van. Er bestaat daarom geen recht op de forfaitaire verhuiskostenvergoeding. De kantonrechter zal dan ook het beloningsverzoek afwijzen.

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Peildatum waarde woning

Nr: 26020 Gerechtshof Amsterdam, 17-02-2026 ECLI:NL:GHAMS:2026:385 Jurisprudentie Geschilbeslechting Huwelijksvermogensrecht 3:182 BW; 1:100 BW

Rechtsvraag

Naar welke peildatum moet in de verdeling de waarde van de woning bepaald worden?

Overweging

Partijen hebben in 2018 bij het hof een schikking bereikt over de wijze van verdeling van de woning. Die hebben zij niet volledig uitgevoerd. In 2024 is de woning nog steeds niet verdeeld. De man heeft de woning verkocht en de notaris heeft de helft van de overwaarde in depot gelaten. In geschil is de vraag of de vrouw recht heeft op de helft van de overwaarde anno 2024 of dat zij recht heeft op de helft van de overwaarde anno 2018. Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank dat de vrouw recht heeft op de helft van de overwaarde anno 2018. Partijen hebben immers in 2018 al afspraken gemaakt over de verdeling en de vrouw heeft nadien ook geen kosten betaald voor de woning en geen gebruiksvergoeding verzocht. Partijen hebben zich gedragen alsof de woning in 2018 al verdeeld was.

Lees verder
 

Opzettelijk verzwegen goederen

Nr: 26021 Gerechtshof Amsterdam, 17-02-2026 ECLI:NL:GHAMS:2026:367 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Huwelijksvermogensrecht 3:194 lid 2 BW

Rechtsvraag

Kan artikel 1:394 lid 2 BW van toepassing zijn als de andere deelgenoot wel op de hoogte was van het bestaan van het verborgen goed?

Overweging

Het hof overweegt als volgt. Uit artikel 3:194 lid 2 vloeit niet voort dat de deelgenoot aan wie het aandeel van de andere deelgenoot wordt verbeurd met het bestaan van het verzwegen goed compleet onbekend moet zijn. Naar het oordeel van het hof geldt artikel 3:194 lid 2 BW juist onder omstandigheden als hier gegeven, ten aanzien van goederen waarvan de andere deelgenoot -in dit geval de man- het bestaan tot op zekere hoogte kent, maar het goed niet in zijn macht heeft en de precieze omvang niet kan kennen. In de onderhavige zaak vormt het door de vrouw meerdere keren ontkennen van de aanwezigheid van contant geld in de kluis in combinatie met haar passieve houding als deelgenoot bij het verkrijgen van openheid over de inhoud van de kluis omstandigheden die maken dat artikel 3:194 lid 2 BW van toepassing is, ook nu de man wist van aanwezigheid van contant geld in de kluis.

Lees verder
 

Verplichting tot meewerken aan religieuze scheiding

Nr: 26029 Rechtbank Rotterdam, 25-02-2026 ECLI:NL:RBROT:2026:1641 Jurisprudentie Geschilbeslechting Echtscheiding 1:68 BW

Rechtsvraag

Kan de man verplicht worden mee te werken aan de islamitische en Iraakse echtscheiding?

Overweging

De rechtbank verplicht de man mee te werken aan de Iraakse en islamitische echtscheiding. Op grond van artikel 1:68 BW is hij daartoe verplicht, tenzij haar zwaarwegende belangen stelt die reden geven om niet mee te werken. Dergelijke belangen heeft de man niet gesteld. De man weigert zijn medewerken, dus de rechtbank verbindt aan de veroordeling een dwangsom.

Lees verder
 

Wilsvertrouwensleer wijziging huwelijkse voorwaarden

Nr: 26030 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26-02-2026 ECLI:NL:GHSHE:2026:522 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Huwelijksvermogensrecht 3:33 BW; 3:35 BW

Rechtsvraag

Mocht de man er op vertrouwen dat de wil van de vrouw gericht was op het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden zoals geschied?

Overweging

Beschikking na verwijzing door de Hoge Raad. Het hof oordeelt dat de man er niet op mocht vertrouwen  dat de vrouw op basis van de toezending van de concept-akten wijziging huwelijksvoorwaarden en de uitleg bij de notaris begreep waarmee zij in 2009 instemde, laat staan dat haar wil gericht was op de rechtsgevolgen die daaruit voortvloeiden. Eenzelfde conclusie geldt voor de wijzigingsakte uit 2016. Uit de beschikking van de Hoge Raad volgt dat op notarissen een waarschuwingsplicht rust voor de gevolgen van de met tussenkomst van een notaris verrichte rechtshandeling, zoals het wijzigen van huwelijkse voorwaarden. De verplichting om op de gevolgen te wijzen en zich ervan te vergewissen dat de partij(en) die gevolgen begrijpt/begrijpen, wint aan gewicht naarmate die gevolgen voor partijen of een van hen nadeliger of riskanter zijn.  De wijzigingen van de huwelijkse voorwaarden waren zeer nadelig voor de vrouw. Echter, ook op de man rustte gelet op de genoemde omstandigheden en gelet op de redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen echtgenoten beheerst, in dit geval de plicht om de vrouw goed te informeren over – en te waarschuwen voor – de nadelige gevolgen voor de vrouw van de wijziging van de huwelijkse voorwaarden. Het hof stelt vast dat de man dat heeft nagelaten en oordeelt dat hij zich niet kan verschuilen achter de voorlichting door de notarissen. 

Lees verder
 

Wijziging beslissing voortzetting crisismaatregel

Nr: 26028 Hoge Raad der Nederlanden, 27-02-2026 ECLI:NL:HR:2026:323 Jurisprudentie Rechtseenheid GGZ
Jeugdrecht
8:11 en 8:12 Wvggz; 2:1 lid 9 Wvggz

Rechtsvraag

Moet bij een wijziging van de voortzetting van de crisismaatregel opnieuw getoetst worden of aan de voorwaarden voor een crisismaatregel wordt voldaan?

Overweging

De Hoge Raad oordeelt dat bij de beoordeling van een verzoek tot wijziging van de voortzetting van een crisismaatregel opnieuw moet worden beoordeeld of op dat moment aan de voorwaarden voor een crisismaatregel wordt voldaan.

In dit geval was eerst een crisismaatregel uitgesproken met de vorm van verplichte zorg 'insluiten'. De verlenging van de crisismaatregel is uitgesproken zonder deze vorm van verplichte zorg. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de voortzetting van de crisismaatregel te wijzigen, met dien verstande dat de vorm van verplichte zorg 'insluiten' er aan wordt toegevoegd. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat psychiatrische problematiek bij de minderjarige niet voorliggend lijkt te zijn, en dat gesloten jeugdhulp passender is. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer dat niet langer aan de voorwaarden voor een crisismaatregel wordt voldaan, omdat de voortzetting van de crisismaatregel an sich volgens de rechtbank niet voorligt. De rechtbank heeft de voortzetting van de crisismaatregel gewijzigd en daar de vorm van verplichte zorg 'insluiten' aan toegevoegd. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank had moeten toetsen of op dat moment nog aan de voorwaarden voor een crisismaatregel wordt voldaan. Daarnaast had de rechtbank zich rekenschap moeten geven van de aanvullende zorgvuldigheidseisen met betrekking tot minderjarigen, zoals opgenomen in artikel 2:1 lid 1 Wvggz.

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Bruidsgave naar Iraans recht

Nr: 26027 Gerechtshof Amsterdam, 03-03-2026 ECLI:NL:GHAMS:2026:537 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Huwelijksvermogensrecht
IPR
10:154 BW

Rechtsvraag

Moet de man de bruidsgave betalen aan de vrouw?

Overweging

Partijen zijn in Iran gehuwd. Inmiddels wonen zij beiden in Nederland en hebben zij de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft in Nederland de echtscheiding verzocht, en die is ook uitgesproken. De vrouw doet een beroep op de bruidsgave, zoals overeengekomen in de Iraanse huwelijksakte. Het hof oordeelt dat het Iraans recht van toepassing is op de vraag of de man de bruidsgave aan de vrouw moet betalen. Of de man de bruidsgave moet betalen, is afhankelijk van de gronden van de religieuze echtscheiding naar Iraans recht. De man heeft aangegeven dat een religieuze echtscheiding in Iran voor hem van belang is. Er loopt daarover nog geen procedure. Het hof concludeert dat, hoewel de Nederlandse rechter bevoegd is hierover te oordelen, het hof het verzoek nu niet kan toewijzen omdat een Iraanse rechter bij een Iraanse echtscheidingsprocedure hier over zal oordelen en dat beter kan dan de Nederlandse rechter. Het hof overweegt als volgt:

"Op grond van deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat, alhoewel de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om over het verzoek tot betaling van de bruidsgave te oordelen, het verzoek van de vrouw dienaangaande op dit moment niet kan worden toegewezen. Binnen de hiervoor beschreven context, waarbij de omvang van de eventuele aanspraak van de vrouw naar het toepasselijke recht van Iran pas wordt vastgesteld als partijen zich hebben ingespannen (of hebben kunnen inspannen) om een (religieuze) echtscheiding naar Iraans recht te verkrijgen (met de daarbij behorende kwalificatie van die echtscheiding), komt het verwijzingshof (op dit moment) niet toe aan toe- of afwijzing van het verzoek van de vrouw tot betaling van de bruidsgave. Omdat de omvang van de vordering van de vrouw geenszins vast staat, terwijl de mogelijkheid om deze omvang vastgesteld te krijgen door geen van partijen wordt benut, komt haar verzoek op dit moment dus niet voor toewijzing in aanmerking."

Lees verder
 

Verhuizing lopende de procedure over het gezag en contactherstel

Nr: 26026 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 05-03-2026 ECLI:NL:GHSHE:2026:619 Jurisprudentie Rechtseenheid Gezag en omgang 1:253a BW; 1:247 lid 3 BW

Rechtsvraag

Mocht de moeder toen zij nog belast was met het eenhoofdig gezag met het kind verhuizen?

Overweging

De moeder is tijdens een procedure over het contact tussen de vader en het kind, en over het ouderlijk gezag, met het kind verhuisd naar een locatie 150 km bij de vader vandaan. Een half jaar later heeft de rechtbank bepaald dat de ouders gezamenlijk belast worden met het ouderlijk gezag. In hoger beroep beslist het hof dat de moeder moet terug verhuizen. Het hof overweegt als volgt:

Uit Hoge Raad 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1513 volgt dat in geval van gezamenlijk gezag de rechter op grond van artikel 1:253a BW de mogelijkheid heeft om de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft, te verbieden op grote afstand van de andere ouder te gaan wonen, dan wel eerstgenoemde ouder te gelasten om terug te verhuizen, of zich te vestigen op zodanige afstand van de andere ouder dat omgang tussen het kind en die ouder kan plaatsvinden. Ook bij eenhoofdig gezag bestaat een grondslag om de keuzevrijheid van de met het gezag belaste ouder ten aanzien van de woonplaats van het kind te beperken indien deze ouder niet voldoet aan de verplichting omgang tussen het kind en de andere ouder te bevorderen (artikel 1:247 lid 3 BW). [..] Het hof stelt vast dat in dit geval de rechtbank bij de (bestreden) beschikking van 13 augustus 2025 de ouders gezamenlijk, uitvoerbaar bij voorraad, heeft belast met het gezag over het kind en dat geen van partijen van deze beslissing in beroep is gekomen. Er is derhalve sprake van gezamenlijk gezag over het kind. Dit rechtsfeit dat zich heeft voorgedaan dient het hof thans bij de afweging ex nunc te betrekken. Het hof wijst in dit verband naar r.o. 3.1.3. van genoemde uitspraak waarin de Hoge Raad oordeelde dat in het geval de vader ten tijde van de beslissing van het hof inmiddels gezamenlijk met de moeder met het gezag is belast, artikel 1:253a BW voor het hof een grondslag biedt om de moeder te gelasten terug te verhuizen.

Het hof is van oordeel dat de moeder niet in het belang van het kind heeft gehandeld door te verhuizen, en ziet geen belemmeringen voor een terugverhuizing.

Lees verder
 

Gevolgen borgstelling voor huwelijksgemeenschap

Nr: 26025 Hoge Raad der Nederlanden, 06-03-2026 ECLI:NL:HR:2026:347 Jurisprudentie Rechtseenheid Huwelijksvermogensrecht 1:88 BW; 1:94 (oud) BW, 7:850 BW

Rechtsvraag

Gelden de schulden waar een van de echtgenoten zich als medeschuldenaar aan heeft verbonden of zich borg voor heeft gesteld als gemeenschapsschulden?

Overweging

De Hoge Raad oordeelt dat de schulden waar een van de echtgenoten zich als medeschuldenaar voor heeft verbonden of zich borg voor heeft gesteld in de huwelijksgemeenschap vallen. 

Een borg verbindt zich op grond van art. 7:850 lid 1 BW tot nakoming van de verbintenis die de hoofdschuldenaar tegenover zijn schuldeiser heeft of zal krijgen. De borg is daarmee (op grond van art. 7:850 lid 3 BW in beginsel hoofdelijk) aansprakelijk voor de schuld van de hoofdschuldenaar jegens de schuldeiser. Op grond van art. 1:94 lid 5 (oud) BW, dat bepaalt dat de huwelijksgoederengemeenschap in beginsel alle schulden van ieder van de echtgenoten omvat, valt ook een uit borgtocht voortvloeiende schuld van de echtgenoot in de gemeenschap. 

De (hoofdelijke) aansprakelijkheid van één van de echtgenoten jegens een schuldeiser bepaalt of en voor welke omvang de schuld in de huwelijksgoederengemeenschap valt. Indien een echtgenoot zich als medeschuldenaar (hoofdelijk) heeft verbonden tot nakoming van de gehele schuld (art. 6:7 BW), valt deze schuld krachtens art. 1:94 lid 5 (oud) BW in de gemeenschap.

Lees verder