VAKnieuws

Geen bevoegdheid echtscheidingsverzoek, wel bevoegdheid gezagsverzoeken

Nr: 18015 Hoge Raad der Nederlanden, 12-01-2018 ECLI:NL:HR:2018:31 Jurisprudentie Rechtseenheid Gezag en omgang
Procesrecht
1:251a BW, 8 lid 1 Verordening Brussel II-bis, 827 Rv

Rechtsvraag

Kunnen er voorzieningen worden getroffen voor wat betreft het gezag over een in Nederland wonende minderjarige, terwijl er ten aanzien van het echtscheidingsverzoek geen Nederlandse bevoegdheid bestaat?

Overweging

Ja. De omstandigheid dat bij de Nederlandse rechter geen echtscheidingsprocedure tussen de vrouw en de man aanhangig is of kan worden gemaakt, staat niet in de weg aan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van art. 8 lid 1 Verordening Brussel II-bis. Evenmin staat daaraan in de weg dat het stelsel van art. 827 lid 1, aanhef en onder c, Rv in verbinding met art. 1:251a lid 2 BW berust op het uitgangspunt dat voorzieningen betreffende, onder meer, “het gezag over, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over, de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van of de omgang met, de informatie en raadpleging over (…) minderjarige kinderen van de echtgenoten” als ‘nevenvoorziening’ kunnen worden getroffen door de rechter die de echtscheiding uitspreekt. De Nederlandse rechter die op grond van art. 8 lid 1 Verordening Brussel II-bis bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind, kan zijn beslissing op dat verzoek aanhouden in afwachting van de uitkomst van een bij een buitenlandse rechter aanhangige of aanhangig te maken echtscheidingsprocedure, dan wel aan zijn beslissing voorwaarden verbinden die verband houden met een in het buitenland uit te spreken echtscheiding.

Lees verder

Al onze cursussen

Centrum Permanente Educatie biedt hoogwaardige juridische cursussen, afgestemd op de praktijk en verzorgd met enthousiasme en expertise.

Bekijken
 

Hoge billijke schadevergoeding voor journalist Heijdendael in conflict met VPRO

Nr: 18025 Rechtbank Midden-Nederland, 12-01-2018 ECLI:NL:RBMNE:2018:100 Jurisprudentie Geschilbeslechting Arbeidsovereenkomstenrecht
Algemeen
7:669 lid 3 sub g BW

Rechtsvraag

Heeft werkgever VPRO in het kader van ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen de VPRO en journalist Heijdendael ernstig verwijtbaar gehandeld of nagelaten?

Overweging

Partijen vinden allebei dat de tussen hen ontstane onherstelbare vertrouwensbreuk terug te voeren is tot de uitzending van Argos van 13 juni 2015, en meer in het bijzonder tot de discussie over het fotorolletje (met foto’s van het afvoeren van mannen in moslimenclave Srebrenica, red.). Voorafgaand aan de uitzending heeft tussen partijen een stevige inhoudelijke discussie plaatsgevonden over het wel of niet uitzenden van de tweede reconstructie die Heijdendael en B hadden uitgevoerd. Niet in geschil is dat de eindredacteur de uiteindelijke beslissing neemt over wat wel en niet in een uitzending wordt opgenomen. C heeft, als eindredacteur van het programma Argos, besloten om de reconstructie niet op te nemen in de uitzending. Als belangrijkste argument heeft hij hiervoor destijds gegeven – en ook bij de mondelinge behandeling herhaald – dat hij de kwestie ‘journalistiek niet zo belangrijk’ vond. Met name, zo begrijpt de kantonrechter, omdat ook van de tweede reconstructie niet met zekerheid te zeggen valt dat het op die manier gegaan is. Het is niet de bedoeling om op de stoel van de eindredacteur te gaan zitten. De afwegingen die de eindredacteur gemaakt heeft worden door de kantonrechter als een gegeven beschouwd, maar deze worden wel op hun waarde geschat en worden meegewogen bij de beoordeling van het ontstane arbeidsconflict. (...)

Gelet op het grote belang dat Heijdendael – met een beroep op deze beginselen – hechtte aan het uitzenden van het voor het Ministerie van Defensie ontlastende materiaal, was naar het oordeel van de kantonrechter een zeer zorgvuldige wijze van omgaan met de kwestie geboden. VPRO heeft die zorgvuldigheid niet betracht. Zij had kunnen begrijpen dat het afdoen van de kwestie als journalistiek niet belangrijk genoeg, niet alleen inhoudelijk te weinig gemotiveerd is, maar ook kwetsend ten opzichte van Heijdendael als gewaardeerd en gerespecteerd onderzoeksjournalist. Dat de kwestie onzorgvuldig is behandeld, wordt (achteraf) overigens ook erkend door VPRO-directeur M, zo valt te lezen in zijn e-mail van 13 januari 2017 aan Heijdendael. Ook C zegt achteraf dat hij beter had kunnen communiceren en dat hij wel een paar zinnen aan de reconstructie had kunnen wijden. 

En daar zit naar het oordeel van de kantonrechter het grootste probleem. VPRO zegt steeds achteraf dat er onzorgvuldig en/of onjuist is gehandeld, maar daarmee heeft ze onvoldoende de bij Heijdendael ontstane schade kunnen wegnemen. Als goed werkgever heeft zij de verantwoordelijkheid om vooraf na te denken over hoe zij met haar werknemers omgaat. Natuurlijk kan er wel eens een fout gemaakt worden en kunnen excuses soms voldoende zijn. In dit geval is er echter sprake van een opeenstapeling van fouten en toezeggingen die niet nagekomen worden die ervoor gezorgd hebben dat Heijdendael ziek werd en ziek bleef.

Lees verder
 

Partneralimentatie en inspanningen rond voorzien in eigen levensonderhoud

Nr: 18017 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11-01-2018 ECLI:NL:GHARL:2018:355 Jurisprudentie Geschilbeslechting Alimentatie 1:157 BW

Rechtsvraag

Heeft de rechtbank terecht de behoeftigheid van de vrouw na zes jaar op nihil gezet en is daarmee voorbijgegaan aan haar recht op twaalf jaar alimentatie?

Overweging

De vrouw heeft gesteld dat zij voldoende inspanningen heeft verricht om betaald werk te vinden en zij heeft ter onderbouwing daarvan diverse sollicitatiebrieven overgelegd. De man heeft deze stelling van de vrouw gemotiveerd betwist. Volgens de man zijn de betreffende sollicitatiebrieven niet te kwalificeren als serieuze inspanningen van de vrouw om inkomen te verwerven, gelet op de ontmoedigende openingszin, de minimale omvang en de vele gemaakte type- en taalfouten in de brieven. Dat de vrouw, zoals zij zelf stelt, gebrekkig Nederlands spreekt, behoeft volgens de man geen belemmering te vormen bij het vinden van een betaalde baan, temeer nu zij de Engelse taal uitstekend beheerst (zowel mondeling als schriftelijk) en derhalve bij een Engelstalig bedrijf zou kunnen werken. De vrouw heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat er in de omgeving van A geen Engelstalige bedrijven zitten en zij daarvoor niet (naar het westen) wil verhuizen. De man heeft daartegen ingebracht dat hijzelf ook woonachtig is in A en dagelijks naar C afreist voor zijn werk, hetgeen volgens hem ook van de vrouw verlangd kan worden. Voorts is gebleken dat de vrouw tot op heden - ondanks de door haar overgelegde inschrijvingsbewijzen - nimmer daadwerkelijk met een taalcursus (Nederlands) is aangevangen. De kinderen van partijen zijn thans 20 jaar en 16 jaar oud, zodat de vrouw evenmin heeft aangetoond dat de zorg voor de kinderen een belemmering kan vormen voor het vinden van een betaalde baan. De vrouw heeft in het verleden (administratieve) werkervaring opgedaan bij verschillende bedrijven en zij werkt thans al langere tijd op vrijwillige basis op D te A. De man meent dat van de vrouw verwacht kan worden dat zij een opleiding gaat volgen om haar kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Gebleken is dat de vrouw enkel via haar eigen (beperkte) netwerk getracht heeft een betaalde baan te vinden en via internet sollicitatieactiviteiten heeft verricht. Van de vrouw kan verlangd worden dat zij zich inschrijft bij verschillende uitzendbureaus en zich laat bijstaan bij het verrichten van sollicitatieactiviteiten.

Het hof is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat de vrouw haar stelling dat zij voldoende inspanningen heeft verricht om betaald werk te vinden, onvoldoende heeft onderbouwd gelet op het gemotiveerde verweer van de zijde van de man en hetgeen voorts is komen vast te staan. Dat de vrouw niet in staat zou zijn om (voldoende) inkomsten te verwerven is derhalve niet komen vast te staan. Dit brengt met zich dat de vrouw in hoger beroep niet heeft aangetoond dat zij behoeftig is, hetgeen een afwijzingsgrond vormt voor de door haar verzochte bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud.

Lees verder
 

Ontbinding mogelijk omdat het geen verband heeft met opzegverbod wegens ziekte

Nr: 18022 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11-01-2018 ECLI:NL:GHSHE:2018:65 Jurisprudentie Geschilbeslechting Ziekte
Ontslag en ontbinding
7:669 lid 3 aanhef en onder d BW

Rechtsvraag

Heeft de kantonrechter het verzoek tot ontbinding op grond van artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder d BW terecht toegewezen, nu bij appellante sprake is van arbeidsongeschiktheid wegens een operatie?  

Overweging

Ja. Het feit dat appellante arbeidsongeschikt was op het moment van indiening van het verzoekschrift tot ontbinding stond niet in de weg aan toewijzing van dit verzoek, nu het verzoek geen verband houdt met de arbeidsongeschiktheid wegens de operatie van appellante aan haar baarmoeder op 24 maart 2017 en ook voor het overige geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod wegens ziekte betrekking heeft. (...) Voorts is niet gebleken dat het verzoek eigenlijk gestoeld is op grond van artikel 7:699 lid 3 onder c BW in plaats van op grond van artikel 7:699 lid 3 onder d BW, zoals appellante stelt.   Het hof is derhalve van oordeel dat de kantonrechter het verzoek tot ontbinding op de grond vermeld in artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder d BW terecht heeft toegewezen.  

Lees verder
 

Kort geding inzake rechtsgeldigheid van een relatie- en non-concurrentiebeding in een tijdelijke arbeidsovereenkomst

Nr: 18024 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 09-01-2018 ECLI:NL:GHSHE:2018:68 Jurisprudentie Geschilbeslechting Arbeidsovereenkomstenrecht 7:653 BW

Rechtsvraag

Heeft de kantonrechter terecht het tussen partijen gesloten concurrentiebeding en relatiebeding geschorst totdat in een bodemgeding over de rechtsgeldigheid ervan een einduitspraak zal zijn gedaan?

Overweging

Ja. Naar haar aard kan in de onderhavige kort gedingprocedure de vraag of zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen bestaan die het opnemen van de onderhavige bedingen in een tijdelijke arbeidsovereenkomst rechtvaardigen niet ten gronde worden beantwoord. Het is aan de bodemrechter om het bestaan van die belangen vast te stellen. In een daartoe tussen partijen te voeren bodemgeding zal als uitgangspunt hebben te gelden dat, gegeven de omstandigheid dat partijen een tijdelijke arbeidsovereenkomst zijn aangegaan, het overeengekomen relatiebeding en het overeengekomen non-concurrentiebeding in beginsel nietig zijn. Wanneer de vennootschap zich in de bodemprocedure op de rechtsgevolgen van deze bedingen wil beroepen, zal het aan haar zijn om te stellen dat zij in weerwil van artikel 7:653, lid 1 aanhef en onder a BW rechtsgeldig tot stand zijn gekomen. In dat verband zal zij feiten moeten stellen en, bij betwisting, bewijzen die het oordeel rechtvaardigen dat het overeenkomen van deze bedingen bij het aangaan van de overeenkomst en ten tijde van het beroep dat zij erop heeft gedaan noodzakelijk was vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. In het onderhavige kort geding heeft de vennootschap ook gesteld dat bedingen bij het aangaan van de overeenkomst en ook nu nog noodzakelijk zijn vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen.

Geïntimeerde heeft dit echter gemotiveerd betwist. In dat verband voert geïntimeerde tal van feiten en omstandigheden aan die maken dat in het onderhavige, specifiek hem betreffende geval het gewicht van het belang van de vennootschap niet van dien aard is dat het aangaan van de omstreden bedingen vanuit zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen (nog) noodzakelijk is. Zoals eerder overwogen, leent de onderhavige procedure zich niet voor een uitvoerig onderzoek naar de juistheid van door partijen gestelde feiten en omstandigheden. Of de vennootschap in een te voeren bodemprocedure in staat is om aan te tonen dat vanuit zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen de noodzaak bestond om, behalve een geheimhoudingsbeding, ook een relatiebeding en een non-concurrentiebeding overeen te komen, laat zich naar het voorlopig oordeel van het hof op dit moment niet met een zodanige mate van zekerheid vaststellen dat nu reeds kan worden geoordeeld dat deze bedingen, anders dan volgt uit het bepaalde in artikel 7:653, lid 1 aanhef en onder a BW, rechtsgeldig zijn overeengekomen en dat geïntimeerde gehouden is deze bedingen na te komen.

Lees verder
 

Verdeling pensioenrechten naar recht van de staat New York

Nr: 18031 Gerechtshof Amsterdam, 09-01-2018 ECLI:NL:GHAMS:2018:62 Jurisprudentie Geschilbeslechting Echtscheiding
Huwelijksvermogensrecht
1:100 BW

Rechtsvraag

Had de rechtbank het pensioen van de vrouw dienen te verdelen volgens de 50/50-regel uit de uitspraak van het New York Court of Appeals van 3 april 1984, Majauskas v. Majauskas en dat in de beschikking ook in het Engels te verwoorden, ten behoeve van executie in het buitenland?

Overweging

Vast staat dat de gerechtigdheid tot het pensioenrecht vanwege het huwelijk van partijen dient te worden beoordeeld naar het recht van de staat New York (Verenigde Staten van Amerika). Vanwege dit uitgangspunt heeft het hof bij tussenbeschikking van 20 december 2016 een aan het Asser Instituut verbonden persoon tot deskundige benoemd om antwoord te krijgen op de volgende vragen. (...)(niet opgenomen, red.)

Het hof maakt uit het deskundigenbericht op dat het huwelijksvermogensregime naar het recht van de staat New York wordt beheerst door de Domestic Relations Law (hierna: DRL) van New York. Voor wat betreft de omvang van het huwelijksvermogen (marital property) geldt een vergelijkbare peildatum als naar Nederlands recht en kan worden aangesloten bij de datum van indiening van het inleidend verzoek tot echtscheiding: 22 oktober 2014. Op deze peildatum bestond het pensioenrecht van de vrouw en in zoverre kan dat vermogensrecht behoren tot het huwelijksvermogen.

Ten aanzien van de vraag naar de relevante peildatum voor de (verdeling van de) waarde van het huwelijksvermogen geeft de deskundige aan dat de rechter enige vrijheid heeft, waarbij een datum kan worden bepaald die ligt tussen de dag van indiening van het inleidende stuk en de dag van de behandeling. Nu in het deskundigenbericht melding wordt gemaakt van het uitgangspunt dat, wanneer het gaat om een passieve stijging van het “marital” deel van de pensioenrechten - genoemd wordt een toename vanwege beleggingen - een datum dicht gelegen bij de zitting de voorkeur heeft. Nu voorts in het bericht is aangegeven dat deze toename van het vermogen ook onderworpen is aan de “equitable distribution” (hierna, op basis van Van Dale: billijke verdeling) zal het hof deze “autonome” vermogenstoename vanaf de datum van indiening van het verzoek tot de datum van de laatste zitting bij het hof waarin de verdeling aan de orde kwam (19 oktober 2017) in het kader van de toets van de billijke verdeling meenemen.

Nu de man ervan uitgegaan is dat de pensioenrechten staande huwelijk zijn opgebouwd en de vrouw in haar verweerschrift in hoger beroep niet nader gespecificeerd heeft aangegeven dat zij in het jaar 2000 – dus in het jaar dat partijen in het huwelijk traden – is toegetreden tot het fonds, gaat het hof ervan uit dat het pensioenrecht in kwestie staande huwelijk is opgebouwd. Het voorgaande brengt mee dat de zogenaamde “marital component”, dit is het (breuk)deel van de opgebouwde waarde in het pensioen dat kan worden toegerekend aan de huwelijkse periode, als genoemd onder punt 6 van het deskundigenbericht, op 1 kan worden gesteld.

De tussenconclusie op grond van het voorgaande is dat het gehele tot 19 oktober 2017 opgebouwde pensioenvermogen tot het huwelijksvermogen behoort.

Lees verder
 

Conclusie AG: motivering schadebeperking bij tekortkoming in inleenovereenkomst van uitzendkrachten

Nr: 18034 Hoge Raad der Nederlanden, 05-01-2018 ECLI:NL:PHR:2018:11 Jurisprudentie Geschilbeslechting Algemeen 6:97 BW

Rechtsvraag

Heeft het hof ten onrechte in het midden gelaten hoeveel uitzendkrachten zouden worden overgenomen en waarom niet met hulp van uitzendkrachten van andere bureaus de productie weer op orde zou kunnen hebben, ook niet voor zover werkgeefster uitzendkrachten zou hebben overgenomen?

Overweging

A-G: Bij de behandeling van de tegen deze overwegingen gerichte onderdelen moet worden vooropgesteld dat de rechter bij het begroten van de schade op de voet van art. 6:97 BW een grote vrijheid heeft. Dat brengt mee dat het oordeel dienaangaande zich slechts in beperkte mate leent voor toetsing in cassatie. In cassatie kan worden getoetst of de rechter blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip schade of ter zake van de wijze van begroting van de schade, maar de wijze van begroting is verder sterk met de feiten verweven en kan in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. De begroting van de schade kan wel met motiveringklachten worden bestreden

(...)

Het hof legt niet uit wat het onder “de productie weer op orde hadden kunnen hebben” verstaat. Mogelijk is daarmee bedoeld dat inleenster c.s. na 10 juli 2012 weer over hetzelfde aantal uitzendkrachten kon beschikken als daarvoor.

De stellingen waarnaar inleenster/eiseres c.s. onder b), c) en d) verwijzen, komen er evenwel op neer dat de toerekenbare tekortkoming van uitleenster/verweerster op 6 juli 2012 meebracht dat 100-135 werknemers in de vakantieperiode moesten worden vervangen. Dat het een vervanging van 100-135 uitzendkrachten betrof, volgt ook uit het door het hof zelf vastgestelde feit dat het aantal over de periode begin juli 2011 tot begin juli 2012 door uitleenster ter beschikking gestelde uitzendkrachten varieerde van 100 tot 135 per week. Ook de stelling onder a) dat dat aantal ongeveer de helft van het bij inleenster c.s. werkzame werknemers was, is door het hof als een vaststaand feit bestempeld. Gegeven deze vaststellingen is de aanname van het hof, dat inleenster c.s. met de hulp van uitzendkrachten van andere uitzendbureaus na 10 juli 2012 weer over hetzelfde aantal uitzendkrachten kon beschikken als daarvoor, ook omdat inleenster c.s. uitzendkrachten van uitleenster hebben overgenomen, - zonder nadere motivering - niet begrijpelijk.

Daar komt bij dat het hof niet heeft vastgesteld hoeveel uitzendkrachten inleenster c.s. van uitleenster hebben overgenomen. 

Het is ook mogelijk dat hof heeft bedoeld dat inleenster c.s. na 10 juli 2012 geen verstoring van het productieproces meer hoefden te ondervinden. In de stellingen van inleenster c.s. onder e) en g) wordt er echter op gewezen dat inleenster c.s. vanwege de beëindiging van de overeenkomst met uitleenster genoodzaakt waren om elders uitzendkrachten te betrekken die veelal aanzienlijk minder ervaring hadden dan de uitzendkrachten van uitleenster.

In het licht van deze stellingen is de aanname van het hof, (ook) zo begrepen dat inleenster c.s. met de hulp van uitzendkrachten van andere uitzendbureaus na 10 juli 2012 geen verstoring van het productieproces meer hoefden te ondervinden, ook omdat inleenster c.s. uitzendkrachten van uitleenster hebben overgenomen, m.i. - zonder nadere motivering - onbegrijpelijk.

Lees verder
 

Bewindvoerder kan geen BV oprichten om vermogen in te beheren

Nr: 18131 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28-12-2017 ECLI:NL:GHARL:2017:11433 Jurisprudentie Geschilbeslechting Curatele, bewind en mentorschap 1:431 BW

Rechtsvraag

Heeft de kantonrechter terecht toestemming onthouden aan de bewindvoerder om het vermogen van een rechthebbende onder te brengen in een besloten vennootschap?

Overweging

Ja. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter op de juiste gronden tot het oordeel is gekomen dat aan de bewindvoerder geen toestemming wordt verleend om de besloten vennootschap op te richten. Zoals ook door bewindvoerder wordt beaamd is deze beslissing geheel in lijn met de beschikking van de Hoge Raad van 20 november 2015 (ECLI:HR:2015:3334), waarin sprake was van vergelijkbare omstandigheden als in de onderhavige kwestie. Indachtig voormelde uitspraak heeft de kantonrechter terecht geoordeeld dat er geen wettelijke basis is voor het toezicht door de kantonrechter op het vermogen van de besloten vennootschap, zodat het de bewindvoerder in zijn hoedanigheid van bestuurder van de besloten vennootschap vrij staat hierover naar eigen inzicht te beschikken en beheershandelingen te verrichten mits in het belang van de vennootschap. Of dit belang van de vennootschap duurzaam zal worden gelijkgesteld aan het belang van de rechthebbende is aan het oordeel van het bestuur overgelaten. Het voorstel van de bewindvoerder om de kantonrechter tot niet-uitvoerend bestuurder te benoemen acht het hof alleen al niet uitvoerbaar omdat het uitoefenen van zijn toezichthoudende taken door toe te treden tot de organen van de vennootschap niet tot de taken van de kantonrechter behoort.

(...)

Ten aanzien van het verzoek van de bewindvoerder te bepalen dat de kosten voor rekening van rechthebbende dienen te komen, overweegt het hof als volgt. Het hof is van oordeel dat de advieskosten voor de oprichting van de besloten vennootschap [belanghebbende] B.V. voor rekening van rechthebbende dienen te komen. Weliswaar is geen toestemming verleend om deze besloten vennootschap op te richten, maar de bewindvoerder heeft met het maken van deze kosten de belangen van rechthebbende voorafgaand aan het instellen van het bewind behartigd. De kosten voor het daadwerkelijk oprichten van de besloten vennootschap dienen evenwel voor rekening van de bewindvoerder te blijven nu de bewindvoerder toestemming aan de kantonrechter had moeten verzoeken alvorens tot deze handeling over te gaan.

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Erfrecht: aard van rekening en verantwoording bewindvoering na overlijden onder bewind gestelde meerderjarige

Nr: 18001 Hoge Raad der Nederlanden, 22-12-2017 ECLI:NL:HR:2017:3262 Jurisprudentie Rechtseenheid Erfrecht 1:445 BW, 1:373, 1:374 BW

Rechtsvraag

Heeft het hof terecht geoordeeld dat de kantonrechter de door bewindvoerder afgelegde rekening en verantwoording kennelijk heeft behandeld als een aan hem gedane rekening en verantwoording,en niet als een aan de erfgenamen van de erflaatster gedane rekening en verantwoording?

Overweging

Nee. Ingevolge art. 1:445 lid 5 BW moet voor het overige overeenkomstige toepassing worden gegeven aan hetgeen ten aanzien van de voogdijrekening is bepaald in de regeling van de paragrafen 10 en 11 van afdeling 6 van titel 14 van Boek 1 BW. Tot laatstgenoemde regeling behoort art. 1:373 lid 1 BW, dat bepaalt dat de voogd de rekening en verantwoording doet hetzij aan de meerderjarig gewordene, hetzij aan de erfgenamen van de minderjarige, wanneer deze is overleden, hetzij aan zijn opvolger in het bewind. Voorts is van belang dat art. 1:374 lid 1 BW bepaalt dat de in art. 1:373 BW bedoelde rekening en verantwoording wordt afgelegd “ten overstaan van de kantonrechter”; art. 1:374 lid 2 BW bepaalt dat geschillen die bij de aflegging van de rekening en verantwoording mochten rijzen, worden beslist door de kantonrechter.

Uit dit samenstel van bepalingen volgt dat in geval van meerderjarigenbewind als bedoeld in titel 19 van Boek 1 BW, de bewindvoerder bij overlijden van de rechthebbende, op de voet van art. 1:445 lid 1 BW in verbinding met de art. 1:373-374 BW, ten overstaan van de kantonrechter rekening en verantwoording aflegt aan de erfgenamen van de rechthebbende, en dat de kantonrechter in dit verband rijzende geschillen beslist.

De Aanbevelingen meerderjarigenbewind van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton & Toezicht (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.9) sluiten bij het vorenstaande aan.

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de onderdelen 1.1 en 1.2 slagen. Anders dan het hof heeft geoordeeld, moet de door bewindvoerder afgelegde rekening en verantwoording worden aangemerkt als afgelegd aan de erfgenamen van de erflaatster ten overstaan van de kantonrechter, als bedoeld in art. 1:445 lid 1 BW in verbinding met de art. 1:373-374 BW. Hieruit volgt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep van eiser c.s. op het gezag van gewijsde van hetgeen is beslist in de beschikking van 17 juni 2010 reeds erop afstuit dat hier sprake is van aan de kantonrechter afgelegde rekening en verantwoording, als bedoeld in art. 1:445 lid 2, tweede volzin, BW.

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

81 RO: overdracht van aan man toebehorende woning aan stichting tijdens huwelijk te beschouwen als wijziging huwelijkse voorwaarden

Nr: 18002 Hoge Raad der Nederlanden, 22-12-2017 ECLI:NL:HR:2017:3256 Jurisprudentie Geschilbeslechting Huwelijksvermogensrecht
Fiscale aspecten
81 RO, 1:115 BW

Rechtsvraag

Heeft het hof terecht kunnen oordelen dat de  (gestelde) titel voor de levering van de aan de man toebehorende woning aan de stichting gekwalificeerd moet worden als een  huwelijkse voorwaarde  en daarmee onderworpen is aan de vormvereisten van art. 1:115 lid 1 BW en art. 1:119 lid 1 BW (oud)?

Overweging

HR: verwerping beroep op grond van art. 81 lid 1 RO.

A-G: Ja. Bij de beoordeling van deze twee onderdelen staat in cassatie als onbestreden vast dat de in 1979 tussen de man en de vrouw overeengekomen huwelijkse voorwaarden neerkomen op  een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen   tijdens het huwelijk (‘koude uitsluiting’) , met een finaal verrekenbeding   in geval van echtscheiding (rov. 3.3 en 4.15 van het bestreden arrest). 

Voorts is, naar hieronder zal blijken, het oordeel van het hof dat de (gestelde) titel voor de levering (VVHV), inclusief de bepaling over de inbreng van de woning in de stichting, redelijkerwijs (mede) moet worden aangemerkt als een overeenkomst tot (een vorm van)  tussentijdse (periodieke) verrekening staande huwelijk  ten aanzien van  alle daarin benoemde vermogensbestanddelen, inclusief de woning  (rov. 4.14, 4.19), niet onjuist noch onbegrijpelijk.

Nu de man en de vrouw bij huwelijkse voorwaarden in 1979 zijn overeengekomen dat tijdens het huwelijk sprake zou zijn van koude uitsluiting zónder verrekening ,  is het oordeel van het hof dat, gezien die in 1979 opgestelde oorspronkelijke huwelijkse voorwaarden, de hiervoor bedoelde afspraak tot periodieke verrekening staande het huwelijk gekwalificeerd moeten worden als  een (wijziging van) huwelijkse voorwaarde(n)  (rov. 4.14, 4.19) niet onjuist noch onbegrijpelijk. Het betreft hier immers een afspraak tussen echtgenoten krachtens welke de situatie op huwelijksvermogensrechtelijk terrein anders is dan zonder deze afspraak het geval zou zijn. Ik verwijs naar de opvattingen van een groot aantal auteurs op het gebied van het huwelijksvermogensrecht (...). (Zie onderdeel 3.8 van de Conclusie, red).

Lees verder
 

81 RO: uitvoerbaarheid bij voorraad van nevenvoorziening bij echtscheiding inzake woonruimte

Nr: 18003 Hoge Raad der Nederlanden, 22-12-2017 ECLI:NL:HR:2017:3265 Jurisprudentie Geschilbeslechting Echtscheiding
Procesrecht
81 RO, 827 Rv, 7:266 lid 5 BW

Rechtsvraag

Heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te bepalen dat de vrouw huurder van de echtelijke woning zal zijn met ingang van de datum die gelegen is 13 weken na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand en op dit punt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren?

Overweging

HR: verwerping beroep op grond van art. 81 lid 1 RO.

A-G: In theorie zou ook de beslissing omtrent een nevenvoorziening als bedoeld in art. 827, lid 1 onder e, Rv in verbinding met art. 7:266 lid 5 BW uitvoerbaar bij voorraad kunnen worden verklaard. Het praktisch nut hiervan is evenwel te verwaarlozen, omdat de vaststelling wie van beide echtgenoten in de toekomst de huurder zal zijn, constitutief van aard is. Zolang de rechterlijke uitspraak geen kracht van gewijsde heeft, blijft de ‘oude’ huurverhouding rechtens bestaan. Daarom moet m.i. worden aangenomen dat hier sprake is van een geval waarin uit de aard van de zaak anders voortvloeit.

Bij het bepalen van het tijdstip waarop de ene echtgenoot huurder wordt en de andere echtgenoot zijn huurrecht verliest, heeft de rechter enige vrijheid, met dien verstande dat dit tijdstip nimmer kan liggen vóór de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het hof stond in dit geval voor de moeilijkheid dat ten tijde van zijn beslissing nog niet bekend was wanneer de echtscheidingsbeschikking zou worden ingeschreven.

Indien – zoals in dit geval – voor de duur van het geding een voorlopige voorziening is getroffen met betrekking tot het gebruik van de echtelijke woning (art. 822, lid 1 onder a, Rv), geldt bovendien dat deze voorlopige voorziening van kracht blijft tot de dag waarop de beslissing als bedoeld in art. 827, lid 1 onder e, Rv in verbinding met art. 7:266 lid 5 BW kracht van gewijsde heeft verkregen. Kortom, de echtgenoot aan wie het huurrecht is toegewezen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (al dan niet verlengd met een termijn om vervangende woonruimte te zoeken) zou van een door hem verkregen huurrecht, ook al is het eventueel uitvoerbaar bij voorraad verklaard, geen gebruik kunnen maken.

Lees verder