VAKnieuws 2021

sorteer op datum sorteer op nummer  
 
21036

Miskenning devolutieve werking hoger beroep bij partneralimentatie

Hoge Raad der Nederlanden, 26-03-2021 ECLI:NL:HR:2021:445
Jurisprudentie - Rechtseenheid
Alimentatie
Procesrecht
1:156 BW, 1:401 BW
Rechtsvraag

Heeft het hof in zijn oordeel over de partneralimentatie de devolutieve werking van het hoger beroep miskend door te oordelen dat de man in hoger beroep opnieuw verweer diende te voeren tegen de hoogte van de door de vrouw gestelde behoefte?

Overweging

De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat het hof was gehouden de toewijsbaarheid van de door de vrouw verzochte partneralimentatie opnieuw te beoordelen en daarbij ambtshalve acht diende te slaan op alle door de man in eerste aanleg naar voren gebrachte stellingen en verweren over de behoefte van de vrouw, ook voor zover deze door de rechtbank waren verworpen of buiten behandeling waren gelaten, en dat het hof een zelfstandig oordeel had moeten geven over de behoefte van de vrouw (en de draagkracht van de man). Anders dan het hof heeft overwogen, was de man niet gehouden om in hoger beroep opnieuw bezwaren aan te voeren tegen de hoogte van de door de rechtbank vastgestelde behoefte van de vrouw indien hij zich niet kon verenigen met het oordeel van de rechtbank dienaangaande.

 


 
21039

Hoger beroep schadevergoeding Wvggz

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 25-03-2021 ECLI:NL:GHSHE:2021:919
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
GGZ
8:11, 8:12, 8:13 Wvggz
Rechtsvraag

Is de hoogte van de verleende schadevergoeding in verhouding met het niet in acht nemen van de wettelijke voorschriften van informeren van de advocaat over de tijdelijke noodzorg?

Overweging

Nee. Vast is komen te staan dat de advocaat van de man pas op 10 maart 2020 via de patiëntenvertrouwenspersoon (PVP) op de hoogte is gesteld van de insluiting van de man in de separeer, terwijl de man reeds sinds 6 maart 2020 ingesloten was.  
Het hof stelt voorop dat de toepassing van tijdelijke interventies in noodsituaties op grond van art. 8:11 en 8:12 Wvggz aan strenge criteria is onderworpen en dat de mogelijkheid van bijstand van een advocaat daarbij een wettelijk en fundamenteel recht is van de patiënt. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat er voldoende causaal verband is tussen de door de insluiting zelf geleden schade en de gemaakte fouten in de informatieverplichtingen, in het bijzonder het niet in kennis stellen van de advocaat van de beslissing tot het verlenen van de tijdelijke verplichte zorg in noodsituatie, zoals art. 8:13 lid 3 Wvggz voorschrijft.  

Met enige mate van waarschijnlijkheid kan immers worden aangenomen dat wanneer de advocaat van de man na de insluiting van de man op 6 maart 2020 onverwijld was geïnformeerd, de overschrijding van de termijn van drie dagen tijdelijke verplichte zorg, in dit geval het verblijf in de separeerruimte, met nog eens drie dagen, niet zou hebben plaatsgevonden, met een mogelijk andere uitkomst van verblijf of behandeling van de man. Immers de advocaat had als gespecialiseerde Wvggz-advocaat de zorgverantwoordelijke er op kunnen wijzen dat deze in strijd handelde met art. 8:12 lid 4 Wvggz, op grond waarvan de zorgverantwoordelijke, indien hij meende dat de betreffende tijdelijke verplichte zorg langer dan drie dagen zou moeten duren, een wijziging had moeten vragen van de zorgmachtiging. Dat de man wel de bijstand had van de PVP kan hier niet aan afdoen, omdat deze bijstand niet op een lijn gesteld kan worden met de rechtsbijstand van een advocaat. De stelling van de behandelaren dat de man zelf telefonisch contact op had kunnen nemen met zijn advocaat acht het hof niet realistisch, aangezien de man wegens zijn psychische toestand in de separeer werd gezet, nog daargelaten dat deze zienswijze bovendien geheel voorbijgaat aan de wettelijke plicht van de zorgverantwoordelijke om de geneesheer-directeur zo spoedig mogelijk op de hoogte te stellen van de toepassing van de tijdelijke interventies, aangezien op de geneesheer-directeur de verplichting rust om de betrokkene, zijn vertegenwoordiger en de advocaat een afschrift te zenden van de beslissing van de zorgverantwoordelijke


 
21037

Kinderalimentatie en afwijking van de wettelijke maatstaven

Hoge Raad der Nederlanden, 19-03-2021 ECLI:NL:HR:2021:422
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Alimentatie
1:401 BW
Rechtsvraag

Heeft het hof terecht geoordeeld dat het niet van belang is dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven voor kinderalimentatie?

Overweging

In zijn prejudiciële beslissing van 1 november 2019 3   heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de contractsvrijheid van ouders bij afspraken over kinderalimentatie wordt begrensd door de dwingendrechtelijke regel dat de kinderalimentatie ten minste moet voldoen aan de wettelijke maatstaven. Uit het dwingendrechtelijke karakter van deze regel volgt dat daarvan niet ten nadele van minderjarige kinderen kan worden afgeweken, ook niet als die afwijking bewust is overeengekomen. De rechter die bij de beoordeling van een wijzigingsverzoek heeft vastgesteld dat de overeenkomst over kinderalimentatie is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, oordeelt zelfstandig over de kinderalimentatie met inachtneming van die wettelijke maatstaven, zonder gebonden te zijn aan hetgeen de ouders onderling over die alimentatie zijn overeengekomen.

Uit het voorgaande volgt dat bij afwijking van de wettelijke maatstaven voor kinderalimentatie ten nadele van minderjarige kinderen voor de toepassing van art. 1:401 lid 5 BW niet van belang is of de ouders daarvan bewust zijn afgeweken of dat die afwijking het gevolg is van onjuist inzicht in de betekenis van de maatstaven of doordat zij uitgingen van onjuiste of onvolledige gegevens. Op die grond faalt onderdeel 1.

Opmerking verdient nog het volgende. Uit de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing en het oordeel daarin dat de kinderalimentatie ten minste moet voldoen aan de wettelijke maatstaven, volgt dat wel ten gunste van minderjarige kinderen mag worden afgeweken van die wettelijke maatstaven. Is dat het geval dan is wijziging van de overeengekomen kinderalimentatie op de voet van art. 1:401 lid 5 BW in beginsel niet mogelijk als die afwijking bewust heeft plaatsgevonden, en dus niet het gevolg is van onjuist inzicht in de betekenis van de maatstaven of doordat is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. 4   Dat kan anders zijn als de onderhoudsplichtige ouder ook onderhoudsverplichtingen heeft jegens andere kinderen, onder wie kinderen uit andere relaties. In dat geval zou de niet-toepasselijkheid van art. 1:401 lid 5 BW bij bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven voor kinderalimentatie ten gunste van minderjarige kinderen immers in strijd kunnen komen met de regel dat bij het bepalen van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, rekening gehouden moet worden met onderhoudsverplichtingen jegens andere kinderen.

Indien de ouders bewust van de wettelijke maatstaven voor kinderalimentatie zijn afgeweken ten gunste van minderjarige kinderen, is een wijziging van die afspraak op de grond dat zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven in de zin van art. 1:401 lid 5 BW desalniettemin mogelijk als de omstandigheden van het geval toepassing rechtvaardigen van art. 6:216 BW in verbinding met art. 6:248 lid 2 BW en met art. 6:258 BW.


 
21038

Afgekocht in eigen beheer opgebouwd pensioen valt niet onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 09-03-2021 ECLI:NL:GHARL:2021:2423
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Huwelijksvermogensrecht
2 Wvps
Rechtsvraag

Heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de afkoopbedragen ter zake van het opgebouwde pensioen in eigen beheer verrekend moeten worden?

Overweging

Ja. Op grond van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen hebben beide partijen hun in eigen beheer opgebouwde pensioen afgekocht en hebben zij elk als partner ingestemd met de afkoop door de ander. Het gevolg hiervan is dat er op het moment van ontbinding van het huwelijk geen pensioen (meer) aanwezig was in de zin van de Wvps. Er kan dan ook geen sprake zijn van verrekening van pensioen op grond van de Wvps. 

De vrouw stelt dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, die de rechtsverhouding tussen de ex-echtgenoten beheersen, voortvloeit dat partijen hun in eigen beheer opgebouwde afgekochte pensioenen moeten verrekenen. Het hof volgt de vrouw hierin niet.

Uit het systeem van de wet volgt dat het moment om over enige compensatie te spreken het moment was waarop de vrouw als partner de overeenkomst tot afkoop ondertekende. Zij heeft dit toen niet gedaan. De vrouw heeft verder geen relevante feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven van het wettelijk systeem af te wijken. Uit de stukken blijkt dat de vrouw heeft aangestuurd op afkoop van het door haar in eigen beheer opgebouwde pensioen, omdat dit volgens de accountant fiscale voordelen had. Uit de weergave van de feiten blijkt dat zowel de man als de vrouw er op zijn gewezen dat de positie van de partner een belangrijke positie is met belangen die gewaarborgd moeten worden. Partijen zijn hierop gewezen en dat wetende hebben zij over en weer ingestemd met afkoop van de pensioenrechten. Daarbij had de vrouw bijstand van een eigen adviseur, zodat het er voor gehouden moet worden dat zij wist wat de gevolgen van afkoop waren. Ook de stelling van de vrouw dat zij hebben geleefd als waren ze in gemeenschap van goederen getrouwd, ook al zou dit juist zijn, kan niet tot een verdeling bij helfte van de afgekochte pensioenrechten leiden.


 
21031

GGZ: stapeling van crisismaatregelen is mogelijk

Hoge Raad der Nederlanden, 05-03-2021 ECLI:NL:HR:2021:350
Jurisprudentie - Rechtseenheid
GGZ
7:1, 7:7 Wvggz
Rechtsvraag

Kan er opvolgend op een crisismaatregel een nieuwe crisismaatregel worden genomen?

Overweging

Ja. Het strookt met het stelsel van de Wvggz, in het bijzonder met art. 7:7 Wvggz, dat de officier van justitie verzoekt om een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel indien verplichte zorg ook noodzakelijk is na afloop van de geldigheidsduur van een crisismaatregel. Desalniettemin staat het stelsel van de Wvggz niet eraan in de weg dat een nieuwe crisismaatregel op de voet van art. 7:1 Wvggz wordt genomen nadat de geldigheidsduur van een eerdere crisismaatregel is verstreken, mits op dat tijdstip is voldaan aan de voorwaarden van art. 7:1 Wvggz.


 
21032

GGZ: gevolg van termijnoverschrijding mededelingsplicht voorgenomen verzoek zorgmachtiging van officier van justitie

Hoge Raad der Nederlanden, 05-03-2021 ECLI:NL:HR:2021:349
Jurisprudentie - Rechtseenheid
GGZ
5:16 Wvggz
Rechtsvraag

Wat is het rechtsgevolg als de officier van justitie zich niet houdt aan de vier weken (van art. 5:16 lid 1 Wvggz) waarbinnen hij/zij de beslissing dat is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg moet mededelen, en waaruit een verzoek om een zorgmachtiging bij de rechtbank zal voortvloeien?

Overweging

In de Wvggz wordt aan de niet-naleving van de in art. 5:16 lid 1 Wvggz genoemde termijn van vier weken niet het rechtsgevolg verbonden van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in het verzoek voor een zorgmachtiging, dan wel van afwijzing van dat verzoek. Hoewel het onderdeel terecht aanvoert dat van de officier van justitie mag worden verwacht dat hij zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen vier weken zijn beslissing meedeelt of is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg, strookt het niet met de bij het verkrijgen van een zorgmachtiging betrokken belangen om op de grond dat sprake is van overschrijding van deze termijn, de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek voor een zorgmachtiging, dan wel dat verzoek af te wijzen.

In geval van een termijnoverschrijding waardoor de betrokkene nadeel heeft ondervonden, kan op grond van art. 10:12 lid 3 Wvggz schadevergoeding worden toegekend.


 
21040

Bepalen netto besteedbaar gezinsinkomen bij inkomen verdiend in het buitenland

Rechtbank Gelderland, 05-03-2021 ECLI:NL:RBGEL:2021:1149
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Alimentatie
1:401 BW
Rechtsvraag

Hoe dient het netto besteedbaar gezinsinkomen worden berekend bij een belastingplicht in het buitenland?

Overweging

Niet ter discussie staat dat de vrouw geen inkomsten had en het netto besteedbaar gezinsinkomen aldus gevormd wordt door het inkomen van de man.

De man is belastingplichtig in [het buitenland] . Blijkens de door de vrouw overgelegde [buitenlandse] belastingaanslag ( [buitenlandse naam] ) over het jaar 2018 had de man een bruto inkomen van € 312.408. Dit inkomen staat tussen partijen niet ter discussie. Partijen verschillen wel van mening over de hoogte van de te heffen belastingen in [het buitenland] , hetgeen relevant is voor de berekening van het netto inkomen van de man.

De vrouw heeft onder verwijzing naar de [buitenlandse] belastingaanslag over het jaar 2018 gesteld dat de belastingheffing in 2018 € 88.602 bedroeg.

De man heeft gesteld dat de vrouw van een te laag belastingtarief uitgaat en heeft gesteld dat rekening gehouden moet worden met een heffing van € 100.259 (van een belastingvrije voet, via 14% en 30% naar het hoogste tarief van 41%). Hij heeft verder aangevoerd dat er rekening gehouden moet worden met de loonheffing in Nederland van €9.483 in 2018.

De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de man niet overeenkomt met hetgeen in de [buitenlandse] belastingaanslag over het jaar 2018 valt af te leiden. In deze aangifte staat immers dat er een bedrag van € 88.602 aan belasting is ingehouden. Uit de door de man overgelegde salarisafrekening van december 2018 blijkt ook niet dat de man in het jaar 2018 in Nederland loonbelasting moest betalen. De rechtbank zal de vrouw dan ook volgen in haar standpunt en uitgaan van een belastingheffing van € 88.602.

Het netto besteedbaar gezinsinkomen bedroeg in 2018 dan ook € 223.806 per jaar

(€ 312.408 -/- € 88.602), zijnde € 18.650,50 per maand.


 
21035

Verdeling gouden sieraden bij ontbinding huwelijksgoederengemeenschap

, 03-03-2021 ECLI:NL:RBMNE:2021:779
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Huwelijksvermogensrecht
1:94 BW
Rechtsvraag

Hoe dienen de gouden sieraden die zijn gegeven tijdens de Turkse bruiloft te worden verdeeld bij ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap?

Overweging

De rechtbank is van oordeel dat de sieraden in de gemeenschap vallen en dus moeten worden verdeeld. De vrouw heeft in het licht van de gemotiveerde betwisting van de man namelijk onvoldoende onderbouwd dat de sieraden haar privé-eigendom zijn omdat deze exclusief aan haar zouden zijn geschonken. Weliswaar kan het naar Turks recht of gebruik zo zijn dat de sieraden de vrouw toekomen, maar de rechtbank moet hier oordelen naar Nederlands recht. Partijen wonen in Nederland, zij hebben (ook) de Nederlandse nationaliteit en zij zijn hier getrouwd. Het is hier gebruikelijk dat cadeaus die worden geschonken tijdens een bruiloft beide echtgenoten toekomen. Dat de vrouw de sieraden in ontvangst heeft genomen tijdens de bruiloft, maakt niet dat de sieraden aan haar in privé zijn geschonken en dus haar privé-eigendom zijn. Aan het horen van de gasten van de bruiloft als getuigen, zoals de vrouw heeft aangeboden, komt de rechtbank dan ook niet toe. 

De vervolgvraag is hoe de sieraden moeten worden verdeeld. In beginsel komt ieder de helft van de sieraden toe. Partijen hebben allebei een lijstje gemaakt met de aanwezige sieraden en hoe deze te verdelen. Deze lijstjes corresponderen niet met elkaar, omdat partijen ieder eigen benamingen en omschrijvingen gebruiken. Ondanks een poging daartoe tijdens de zitting, is het voor de rechtbank niet volstrekt helder geworden welke sieraden er precies te verdelen zijn. In dat licht acht de rechtbank het voorstel van de man dat ieder de sieraden krijgt die hen door de eigen familieleden zijn geschonken een redelijk voorstel. Door wiens familie de sieraden zijn geschonken, staat tussen partijen niet ter discussie. De rechtbank zal daarom beslissen dat ieder de sieraden krijgt die hem/haar door de eigen familie zijn geschonken, met de veroordeling deze sieraden aan de ander te geven voor zover deze nog niet in het bezit van de ander zijn.


 
21033

Convenant over partneralimentatie en Haviltex

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 02-03-2021 ECLI:NL:GHARL:2021:1939
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Alimentatie
1:401 BW
Rechtsvraag

Heeft de rechtbank terecht de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om de contractuele partneralimentatie-afspraken te wijzigen?

Overweging

Ja. De uitleg van de in het echtscheidingsconvenant vermelde afspraken van partijen dient op grond van vaste rechtspraak te geschieden aan de hand van het zogenoemde Haviltex-criterium. Het komt daarbij aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de afspraak mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij deze uitleg dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.

Het hof acht het aannemelijk dat partijen met hun echtscheidingsconvenant een ‘packagedeal’ hebben bedoeld te sluiten. Zij hebben zich beiden bij de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant laten bijstaan door een eigen advocaat (de advocaten die hen ook in deze procedure bijstaan) en zij hebben een regeling afgesproken waarbij maatwerk is geleverd op heel veel punten. Zonder verrekening is de echtelijke woning die tot de huwelijkse gemeenschap van partijen behoort met de daarmee verband houdende rechten en lasten toegedeeld aan de man, is de lijfrentepolis aan de man toebedeeld en neemt de man de schuld van partijen aan de [E] BV van € 67.482,90 per 1 januari 2017 voor zijn rekening (waarbij de vrouw niet meer aansprakelijk is voor deze vordering). Ten aanzien van de [E] BV hebben partijen in het convenant opgenomen de man dit privévermogen tot zich heeft genomen en dat dit aan hem is verknocht, terwijl dit – anders dan de man stelt – niet in lijn is met de vaste rechtspraak waar het een aanspraak op inkomenssuppletie betreft die bedoeld is voor de huwelijkse periode. Partijen hebben verder de wettelijke pensioenverevening en pensioenverrekening uitgesloten. Waardestijgingen en -dalingen van vermogensbestanddelen komen ten goede, respectievelijk ten laste van degene aan wie het vermogensbestanddeel is toegedeeld. In het geval de beschikking van de rechtbank afwijkt van hetgeen in het convenant is overeengekomen zullen de bepalingen van het convenant gelden boven hetgeen in de beschikking is bepaald, voor zover het niet om dwingend recht gaat. Partijen vermelden aan het eind van het convenant dat zij bij het maken van de afspraken de redelijkheid en billijkheid in acht hebben genomen.

Wat opvalt is dat in het echtscheidingsconvenant wat betreft de partneralimentatie expliciet is vermeld dat partijen ervan op de hoogte zijn dat de alimentatieplicht van de man volgens de wettelijke bepalingen (maximaal) 12 jaar duurt, te rekenen vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk en dat ten aanzien van de lijfrentepolis bij de [D] specifiek is vermeld dat deze expireert per februari 2020.

Alle afspraken die in het echtscheidingsconvenant zijn opgenomen in samenhang overziende, is de stelling van de man dat partijen hebben bedoeld overeen te komen dat zij de hoogte van de partneralimentatie zouden aanpassen op het moment dat de Aegonlijfrentepolis zou expireren naar het oordeel van het hof niet aannemelijk. Dat partijen niet expliciet een niet-wijzigingsbeding hebben opgenomen maakt dit niet anders. Het hof acht het aannemelijk dat partijen het eindigen van de uitkering uit de [D] al als een omstandigheid in het echtscheidingsconvenant in aanmerking hebben genomen. Het gevolg daarvan is dat de man op grond van deze omstandigheid geen verzoek tot wijziging van de partneralimentatie kan indienen.

In de loop van deze procedure is overigens wel gebleken dat de financiële situatie van de man op een aantal andere punten is gewijzigd. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt onder meer dat de hoogte van de ZVW-premie en de hoogte van de hypotheekrente zijn gewijzigd. Deze wijzigingen leiden gezamenlijk echter niet tot een verslechtering van zijn financiële situatie als het eindigen van de uitkering uit de [D] buiten beschouwing wordt gelaten.


 
21034

Spanningsveld tussen contractsvrijheid en kinderalimentatie

Rechtbank Gelderland, 01-03-2021 ECLI:NL:RBGEL:2021:999
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Alimentatie
1:401 BW
Rechtsvraag

Zijn de contractuele afspraken over de kinderalimentatie – waarbij de man geen kinderalimentatie hoeft te betalen omdat partijen gelijk netto besteedbaar inkomen hebben en verblijfsoverstijgende kosten delen – nietig?

Overweging

Kortom: de afspraken die partijen maken zijn niet zonder meer geldig, maar de rechter mag hier ook niet zomaar van afwijken. Als de rechter na eigen onderzoek vaststelt dat rekening is gehouden met de behoefte van de kinderen en de draagkracht van partijen, en er dus niet is gecontracteerd in strijd met de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 1:404 BW, kunnen de afspraken in stand worden gelaten. De rechtbank merkt hierbij op dat deze regels er zijn om ervoor te zorgen dat kinderen niet tekort komen als gevolg van de afspraken tussen hun ouders.

(...)

Uit het voorgaande blijkt dus dat de kinderen tekort worden gedaan door de gemaakte afspraak uit het ouderschapsplan. De man draagt niet bij naar zijn draagkracht. De afspraak van partijen is daarom nietig. Daarom zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek en de kinderalimentatie vaststellen als een ‘eerste vaststelling’. De beantwoording van de vraag die in de beschikking van 20 juli 2020 is neergelegd, namelijk of er sprake is van een ingrijpende wijziging van omstandigheden, kan daarom achterwege blijven.

De rechtbank heeft hiervoor de hoogte van de kinderalimentatie berekend aan de hand van de wettelijke maatstaven. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de man met € 119 per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van de kinderen. De rechtbank zal de ingangsdatum bepalen op de datum van deze beschikking. Gelet op de financiële positie van beide partijen en hun schuldenlast, acht de rechtbank het onwenselijk als aan de zijde van de man nog een schuld ontstaat in de vorm van achterstallige alimentatie. De rechtbank zal daarom geen eerdere ingangsdatum vaststellen zoals verzocht door de vrouw.


 

VAKnieuws is een initiatief van en wordt u aangeboden door centrum permanente educatie.


VAKnieuws houdt u middels praktische en uitgekiende samenvattingen op de hoogte van belangrijke juridische ontwikkelingen. Al het vaknieuws wordt met uiterste zorg samengesteld. De samenstellers, makers en centrum permanente educatie zijn niet aansprakelijk voor enigerlei schade als gevolg van het gebruik van dit vaknieuws.