VAKnieuws 2020

sorteer op datum sorteer op nummer  
 
20082

Deskundigenonderzoek bij ondertoezichtstelling/uithuisplaatsing

Hoge Raad der Nederlanden, 29-05-2020 ECLI:NL:HR:2020:961
Jurisprudentie - Rechtseenheid
Procesrecht
810a lid 2 Rv; 1:255 BW; 1:265b BW
Rechtsvraag

Kan een ouder verzoeken om personen aan te merken als deskundigen in een ondertoezichtstellings- en uithuisplaatsingsprocedure terecht afgewezen, ook al ligt er geen ander deskundigenonderzoek waartegen het verzochte onderzoek zich zou kunnen richten?

Overweging

Volgens de tekst van art. 810a lid 2 Rv is de daarin aan een ouder toegekende bevoegdheid de benoeming van een deskundige te verzoeken, niet beperkt tot tegenonderzoek ten opzichte van een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming of een gecertificeerde instelling. Uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt echter dat de wetgever wel zodanig tegenonderzoek voor ogen heeft gehad. Met de invoering van de bepaling werd (alsnog) tegemoetgekomen aan de wens van de Tweede Kamer ouders de mogelijkheid te geven onderzoeksbevindingen van de Raad voor de Kinderbescherming gemotiveerd te weerspreken en aldus recht te doen aan het beginsel van  equality of arms . Art. 810a lid 2 Rv moet tegen die achtergrond worden uitgelegd. Uitgangspunt is dan ook dat een ouder om het in die bepaling bedoelde onderzoek kan vragen indien een door of in opdracht van de Raad voor de Kinderbescherming of de gecertificeerde instelling opgesteld onderzoeksrapport voorhanden is. Een uitleg waarbij een ouder nooit om een onderzoek kan vragen zolang niet een zodanig onderzoeksrapport ter tafel ligt, zou echter in sommige gevallen onvoldoende recht doen aan het beginsel van  equality of arms . Zo moet een ouder het standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming of de gecertificeerde instelling over de gronden voor en noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel waaraan geen onderzoeksrapport ten grondslag ligt, met toepassing van art. 810a lid 2 Rv kunnen weerspreken indien de desbetreffende instantie verder onderzoek niet noodzakelijk acht of om een andere reden daarvan afziet. Voor een onderzoek op verzoek van een ouder is uit een oogpunt van  equality of arms  (nog) geen plaats indien de Raad voor de Kinderbescherming of de gecertificeerde instelling onderzoek noodzakelijk acht, maar dat onderzoek nog niet heeft kunnen plaatsvinden of nog loopt. Ook indien de rechter ambtshalve opdracht geeft tot (nader) onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming (zie art. 810 lid 1 Rv), is voor een verzoek op de voet van art. 810a lid 2 Rv nog geen plaats zolang dat onderzoek niet is afgerond.

(zie ook http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:962)


 
20097

Pre pack en ontbinding

Hoge Raad der Nederlanden, 29-05-2020 ECLI:NL:HR:2020:954
Jurisprudentie - Rechtsontwikkeling
Ontslag en ontbinding
7:669 BW
Rechtsvraag

Onder welke vereisten valt een pre pack onder de richtlijn inzake overgang? Prejudiciele vragen.

Overweging

Moet art. 5 lid 1 van de Richtlijn zo worden uitgelegd dat aan de voorwaarde dat ‘de faillissementsprocedure of soortgelijke procedure onder toezicht staat van een bevoegde overheidsinstantie’ is voldaan, indien de overgang van (een deel van) de onderneming in een pre-pack voorafgaand aan de faillietverklaring wordt voorbereid en na de faillietverklaring wordt uitgevoerd en

( i) voorafgaand aan de faillietverklaring wordt geobserveerd door een beoogd curator en een beoogd rechter-commissaris, die zijn aangewezen door de rechtbank, maar die niet over wettelijke bevoegdheden beschikken,

(ii) de beoogd curator zich naar Nederlands recht voorafgaand aan de faillietverklaring moet laten leiden door de belangen van de gezamenlijke schuldeisers en door andere maatschappelijke belangen, zoals dat van het behoud van werkgelegenheid, en de beoogd rechter-commissaris hierop moet toezien,

(iii) de taken van de beoogd curator en de beoogd rechter-commissaris niet verschillen van die van de curator en de rechter-commissaris in faillissement,

(iv) de overeenkomst op grond waarvan de onderneming overgaat en die tijdens een pre-pack is voorbereid, pas gesloten en uitgevoerd wordt nadat het faillissement is uitgesproken,

( v) de rechtbank bij het uitspreken van het faillissement ertoe kan overgaan een ander dan de beoogd curator of de beoogd rechter-commissaris te benoemen tot curator of rechter-commissaris, en

(vi) voor de curator en de rechter-commissaris dezelfde eisen van objectiviteit en onafhankelijkheid gelden die gelden voor een curator en rechter-commissaris in een faillissement waaraan geen pre-pack is voorafgegaan en zij, ongeacht de mate van hun betrokkenheid voorafgaand aan de faillietverklaring, op grond van hun wettelijke taak gehouden zijn te beoordelen of de voorafgaand aan de faillietverklaring voorbereide overgang van (een deel van) de onderneming in het belang is van de gezamenlijke schuldeisers, en indien zij deze vraag ontkennend beantwoorden, te beslissen dat die overgang geen doorgang zal vinden terwijl zij steeds bevoegd zijn om op andere gronden, bijvoorbeeld omdat andere maatschappelijke belangen, zoals het belang van werkgelegenheid, zich daartegen verzetten, te beslissen dat de voorafgaand aan de faillietverklaring voorbereide overgang van (een deel van) de onderneming niet zal plaatsvinden?


 
20098

Redenen billijke vergoeding

Hoge Raad der Nederlanden, 29-05-2020 ECLI:NL:HR:2020:955
Jurisprudentie - Rechtsontwikkeling
Arbeidsovereenkomstenrecht
7:669 BW, 7:671b BW
Rechtsvraag

Welke motiveringseisen mogen gesteld worden aan toekenning van een billijke vergoeding?

Overweging

De rechter dient in de motivering van zijn oordeel over de billijke vergoeding inzicht te geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van die vergoeding hebben geleid. Het oordeel over de hoogte van de vergoeding moet begrijpelijk zijn, mede in het licht van het debat dat partijen over de vergoeding hebben gevoerd.

Het middel faalt waar het strengere motiveringseisen verdedigt. Het klaagt evenwel met succes dat de motivering van het hof, mede gelet op de hiervoor in 3.2.1 genoemde strekking van de billijke vergoeding van art. 7:683 lid 3 BW, en in het licht van het debat tussen partijen, ontoereikend is.

De werknemer heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij door het ontslag op staande voet loonschade heeft geleden. Uitgaande van de door het hof in aanmerking genomen periode waarin ontslag wegens ziekte niet mogelijk was en het loon van de werknemer in die periode (zie het slot van rov. 3.12.1), komt deze loonschade volgens het verzoekschrift tot cassatie neer op een bedrag van iets minder dan € 35.000,--. De werknemer heeft aangevoerd dat hij daarnaast in verband met gemiste pensioenopbouw schades heeft geleden van € 4.479,28 en € 13.444,26.

Het hof heeft in rov. 3.12.1 de loonderving van de werknemer tot uitgangspunt genomen. Het heeft in rov. 3.12.2 overwogen dat het rekening zal houden met de betekenis die de beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft voor de pensioenvoorziening van de werknemer. Gelet op deze uitgangspunten is zonder nadere motivering onbegrijpelijk dat het hof op grond van de overige in rov. 3.12.2 genoemde omstandigheden is uitgekomen op een billijke vergoeding van € 15.000,--. Dit klemt te meer nu uit de beschikking niet valt af te leiden hoe het hof die overige omstandigheden heeft gewaardeerd.


 
20100

Corona - stopzetting (deel) loon

Rechtbank Amsterdam, 29-05-2020 ECLI:NL:RBAMS:2020:2734
Jurisprudentie - Rechtsontwikkeling
Arbeidsovereenkomstenrecht
Rechtsvraag

Is de Corona crisis reden voor stopzetting van (een deel van) het loon?

Overweging

Voldoende aannemelijk is dat bij Dam door de buitengewone omstandigheden waarin zij nu verkeert, een onvoorziene, bedrijfseconomische noodsituatie aanwezig is. Dam heeft een zwaarwichtig belang dat in beginsel mee brengt dat van de medewerkers van Dam gevraagd kan worden om - in overleg - bepaalde arbeidsrechtelijke aanspraken op te schorten of zelfs helemaal prijs te geven. Echter, het eenzijdig en zonder nader overleg genomen besluit van Dam tot betaling van de 50% van het salaris brengt voor [eiser] een te grote inkomensachteruitgang mee, waardoor hij in financiële problemen komt. [eiser] is - zo is door Dam niet betwist - van zijn loon afhankelijk om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.

De wederzijdse belangen wegende kan van [eiser] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet verlangd worden dat hij over meerdere maanden met 50% opschorting van zijn salaris instemt, ook omdat niet vast staat wanneer Dam dan wel over voldoende middelen zou beschikken om de achterstand(en) in te lopen. 


 
20085

Zorgplicht van instellingen bij de uitvoering van ondertoezichtstellingen

Gerechtshof Amsterdam, 26-05-2020 ECLI:NL:GHAMS:2020:1339
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Jeugdrecht
23 Wet op de jeugdhulpverlening, 5 Wet op de jeugdzorg
Rechtsvraag

Heeft de gecertificeerde instelling haar zorgplicht geschonden bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling in de periode 1998-2009?

Overweging

Nee. Het hof constateert dat de William Schrikker Stichting (WSSjbjr) gedurende de uitvoering van de ondertoezichtstelling van [X] bij herhaling genoodzaakt is geweest om tussen verschillende kwaden te kiezen. WSSjbjr heeft zich bij deze keuzes telkens voldoende rekenschap gegeven van haar uit artikel 23 van de Wet op de jeugdhulpverlening en uit artikel 5 Wet op de jeugdzorg voortvloeiende wettelijke taak en dat bij die taak hoorde dat, waar het kon, zorggedragen moest worden voor een plaatsing thuis, of zo dicht mogelijk bij huis en voor een plaatsing die passend en duurzaam kon zijn en voldeed aan de eis dat zij voor de jeugdige de meest aangewezene was te achten. WSSjbjr heeft zich daarvoor steeds voldoende ingespannen. 

Wel heeft WSSjbjr (en daarmee [X]) beperkingen ervaren van de inrichting van het systeem van jeugdzorg gedurende de periode die hier in geding is. Deze beperkingen betroffen met name het gebrek aan beschikbaarheid van geschikte plaatsen waar een kind als [X] - dat een complexe ontwikkelingshistorie heeft en in zijn ontwikkeling een beeld laat zien dat niet onder één noemer valt te brengen - langdurig kan opgroeien. Zoals hiervoor al is overwogen, kan WSSjbjr daarvoor niet aansprakelijk gehouden worden.

WSSjbjr heeft binnen dit systeem bij het maken en uitvoeren van haar keuzes de op haar rustende bijzondere zorgplicht naar behoren nageleefd en heeft daarbij ook in voldoende mate voldaan aan zijn uit artikel 3, 9 en 20 IVRK voortvloeiende verplichtingen. Niet kan worden volgehouden dat WSSjbjr bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling het belang van [X] niet steeds een overweging van de eerste orde heeft laten zijn of onvoldoende heeft getracht de zorg voor hem te waarborgen. [X] heeft nog aangevoerd dat de rechtbank alle over hem gestelde diagnoses, alle plaatsingen en alle behandelingen ten onrechte niet (ook) als één geheel heeft bezien. Dit betoog faalt reeds omdat geen van de daarmee verband houdende beslissingen van WSSjbjr als onzorgvuldig kan worden aangemerkt. Voor zover [X] heeft willen aanvoeren dat de rechtbank aldus artikel 6 EVRM heeft geschonden, faalt dit betoog. 

Dat het geheel voor [X] zeer frustrerend heeft uitgepakt en het voelt alsof hem zijn jeugd is ontnomen, is invoelbaar en valt zonder meer te betreuren, maar is niet te wijten aan onrechtmatig handelen van WSSjbjr. Dat WSSjbjr, zoals [X] onder verwijzing naar een rapport van Defence for Children International heeft gesteld, desnoods een procedure tegen de Staat had moeten starten, bijvoorbeeld om een gewenste plek op school of in een pleeggezin af te dwingen, wijst het hof van de hand. Nog daargelaten of een dergelijke procedure voor [X] daadwerkelijk tot betere uitkomsten had geleid, reikt de bijzondere zorgplicht van WSSjbjr voor de aan haar zorg toevertrouwde minderjarigen niet zo ver.


 
20095

Wijziging van omstandigheden bij kinderalimentatie ondanks overeenkomst

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26-05-2020 ECLI:NL:GHARL:2020:4163
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Alimentatie
1:401 BW
Rechtsvraag

Dient onverkort te worden gehouden aan het ouderschapsplan nu uit artikel 8 daarvan blijkt dat de alimentatieregeling niet bij rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden?

Overweging

Nee. De contractsvrijheid van ouders bij afspraken over kinderalimentatie wordt begrensd door de dwingendrechtelijke regel dat de kinderalimentatie ten minste moet voldoen aan de wettelijke maatstaven. De rechter oordeelt over de afspraken tussen de ouders zelfstandig met inachtneming van de wettelijke maatstaven, zonder gebonden te zijn aan hetgeen de ouders onderling over de kinderalimentatie zijn overeengekomen.

In deze zaak is de kinderalimentatie vastgesteld bij overeenkomst tussen de ouders. Wijziging van die overeenkomst is op grond van artikel 1:401 BW onder meer mogelijk als zij door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (lid 1). Wanneer is vastgesteld dat de wijzigingsgrond zich voordoet, geldt dat de rechter zelfstandig oordeelt over de kinderalimentatie met inachtneming van de wettelijke maatstaven, zonder gebonden te zijn aan hetgeen de ouders onderling over die kinderalimentatie zijn overeengekomen. Omdat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van een wijzigingsgrond, zal het hof aan de hand van de regels omtrent behoefte en draagkracht beoordelen in hoeverre sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die een aanpassing van de geldende alimentatie rechtvaardigt.


 
20077

IPR: buitenlands huwelijksvermogensrecht en openbare orde-exeptie

Hoge Raad der Nederlanden, 15-05-2020 ECLI:NL:HR:2020:885
Jurisprudentie - Rechtseenheid
IPR
10:6 BW
Rechtsvraag

Is de toepassing van het Roemeense huwelijksvermogensrecht strijdig met de Nederlandse rechtsorde?

Overweging

Art. 10:6 BW bepaalt dat vreemd recht niet wordt toegepast, voor zover de toepassing ervan kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Zoals het hof in rov. 5.10-5.11 van zijn arrest heeft overwogen, staat de openbare orde slechts in uitzonderlijke gevallen aan de toepassing van buitenlands recht in de weg. Het gaat uitsluitend om die gevallen waarin het buitenlandse recht zelf, dan wel de toepassing daarvan in het concrete geval, onverenigbaar is met fundamentele beginselen van de Nederlandse rechtsorde.

Het hof is veronderstellenderwijs ervan uitgegaan dat de belastingschuld van [de man] naar Roemeens recht een privéschuld is en dat de Ontvanger volgens dat recht eerst moet trachten eventuele privégoederen van [de man] uit te winnen, alvorens hij de verdeling van de huwelijksgemeenschap kan vorderen. Het onderdeel moet in die (in cassatie niet bestreden) context worden beoordeeld.

Uit de door het hof aan zijn oordeel ten grondslag gelegde omstandigheden volgt niet dat toepassing van het Roemeense huwelijksvermogensrecht in dit concrete geval kennelijk onverenigbaar is met fundamentele beginselen van de Nederlandse rechtsorde. De sterke band van [de vrouw] en [de man] met Nederland op fiscaal, economisch en maatschappelijk gebied betreft de betrokkenheid van de Nederlandse rechtsorde bij het geschil met de Ontvanger. Echter, niet valt in te zien welk fundamenteel beginsel van de Nederlandse rechtsorde in het geding komt bij toepassing van het Roemeense huwelijksvermogensrecht. De omstandigheid dat de Ontvanger bij toepassing van dat recht wordt bemoeilijkt in de uitoefening van zijn invorderingstaak omdat dit hem mogelijk verplicht eerst in Roemenië verhaal te zoeken op privégoederen van [de man], alvorens hij verdeling van verdeling van de gemeenschap kan vorderen, en dat hij zich vervolgens slechts kan verhalen op hetgeen [de man] bij die verdeling wordt toebedeeld, raakt niet aan fundamentele beginselen van de Nederlandse rechtsorde.


 
20079

81 RO: verhouding hoofdzaak en voorlopige voorzieningen

Hoge Raad der Nederlanden, 15-05-2020 ECLI:NL:PHR:2019:1398
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Procesrecht
81 RO, 223 Rv, 1:404 BW
Rechtsvraag

Had het hof de stellingen uit het tweede verzoek om voorlopige voorzieningen - ingediend na de mondelinge behandeling in de hoofdzaak - moeten meenemen in de hoofdzaak?

Overweging

HR: verwerping beroep op grond van art. 81 lid 1 RO.

A-G: Nee. In de onderhavige zaak had in het hoofdgeding de mondelinge behandeling reeds vóór het indienen van het tweede verzoek om voorlopige voorzieningen plaatsgevonden. Blijkens het slot van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 juni 2018 heeft het hof partijen aan het eind van de mondelinge behandeling medegedeeld dat op 18 september 2018 een beschikking zal worden gegeven. 9  Na 28 juni 2018 waren alle reguliere proceshandelingen verricht en bevond de procedure zich derhalve “in staat van wijzen”. Op grond van art. 1.4.7 Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven konden na afloop van de mondelinge behandeling geen stukken meer worden overgelegd. Een vordering (verzoek naar analogie) op de voet van art. 223 Rv dient ertoe om voorlopige voorzieningen te treffen “voor de duur van het geding”. Het tweede verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen is bij het hof ingekomen op 26 september 2018, derhalve  na  de door het hof tijdens de mondelinge behandeling medegedeelde datum van 18 september 2018. Anders dan het onderdeel betoogt, had de vrouw er rekening mee  moeten  houden dat het hof kort na de tijdens de mondelinge behandeling medegedeelde datum een eindbeschikking zou geven. Dit betekent dat het tweede verzoek gelet op het tijdstip van indiening in de praktijk nauwelijks effect kon sorteren, althans niet als voorlopige voorziening.

Het onderdeel betoogt dat het tweede verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen voor het hof aanleiding had moeten zijn om het hoofdgeding ambtshalve te heropenen dan wel dat het hof dit verzoek had moeten opvatten als een verzoek om heropening van de behandeling van het hoofdgeding. Ik meen dat beide betogen falen, nu een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gewoonweg niet kan worden aangemerkt als een verzoek om een hoofdgeding dat in staat van wijzen verkeert, te heropenen. Indien een nieuw opgekomen feit of een nieuwe opgekomen omstandigheid volgens één van partijen aanleiding zou moeten geven om een geding dat reeds in staat van wijzen is, te heropenen, dan moet daartoe  in het hoofdgeding  een specifiek verzoek worden ingediend; een voorlopige voorzieningenprocedure is daartoe niet de aangewezen procedure. Zoals gezegd is het in beginsel aan de rechter overgelaten of hij, gelet op de inhoud van het verzoek, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige en voortvarende procesvoering, het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen aanstonds behandelt en beslist. Nu de hoofdzaak zich reeds in staat van wijzen bevond, kan m.i. niet worden gezegd dat er een verplichting bestond om dat verzoek direct te behandelen.


 
20087

Recht op vrije advocaatkeuze

Hof van Justitie Europese Unie, 14-05-2020 ECLI:EU:C:2020:372
Jurisprudentie - Rechtsontwikkeling
Arbeidsprocesrecht
Rechtsvraag

Hoe ver strekt het recht op vrije advocaatkeuze bij een rechtsbijstandsverzekeraar?

Overweging

Zo heeft het Hof met betrekking tot het begrip „administratieve procedure” als bedoeld in die bepaling voor recht verklaard dat dit begrip onder meer een procedure omvat die ertoe leidt dat een bestuursorgaan de werkgever vergunning verleent om de voor de rechtsbijstand verzekerde werknemer te ontslaan, alsook de fase van bezwaar bij een bestuursorgaan waarin dit orgaan een voor beroep in rechte vatbaar besluit geeft (zie in die zin respectievelijk arresten van 7 april 2016, Massar, C‑460/14, EU:C:2016:216, punt 28, en 7 april 2016, AK, C‑5/15, EU:C:2016:218, punt 26).

Hieruit volgt dat het begrip „gerechtelijke procedure” niet kan worden beperkt tot uitsluitend niet-administratieve procedures voor een gerecht in eigenlijke zin, en ook niet door een onderscheid te maken tussen de voorbereidende fase en de besluitfase van een dergelijke procedure. Elke fase die kan leiden tot een procedure bij een rechterlijke instantie, zelfs een voorafgaande fase, moet dus worden geacht onder het begrip „gerechtelijke procedure” in de zin van artikel 201 van richtlijn 2009/138 te vallen.


 
20086

Mate van weging van de mening van de minderjarige bij omgang

Gerechtshof Den Haag, 13-05-2020 ECLI:NL:GHDHA:2020:973
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Gezag en omgang
1:377a lid 1 BW
Rechtsvraag

Hoe dient de omgang tussen de vader en de 13-jarige minderjarige te worden bepaald nu partijen het eens zijn dat er contact moet zijn maar het niet eens zijn over de wijze waarop? Wat is de invloed van de mening van de minderjarige?

Overweging

Het hof is van oordeel dat de rechtbank het verzoek van de vader om alsnog te bepalen dat een omgangsregeling zal komen te gelden tussen de vader en de minderjarige, eventueel met een opbouwregeling, op de juiste gronden heeft afgewezen. Het hof neemt de gronden over en maakt deze - na eigen afweging - tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel leiden. Daarbij weegt voor het hof zwaar mee dat de minderjarige in het kindgesprek heeft verklaard dat hij emotioneel klaar is met de strijd tussen de ouders over hem. Naar het gevoel van de minderjarige hebben de rechtszaken niet zo veel opgeleverd en de minderjarige wil ook niet dat hij verplicht naar zijn vader toe zou moeten gaan. Hij verwacht dat er dan ook weer gedoe tussen zijn ouders zou kunnen komen. De minderjarige wil geen vaste afspraken voor contact met zijn vader en wil niet verplicht worden om naar de vader toe te gaan. Als hij een jaar of vijftien is en zelfstandig kan reizen, zou hij uit zichzelf wel een keer naar zijn vader willen gaan. De vader blijft wel gewoon zijn vader voor zijn gevoel. Dat verandert niet, ook niet nu hij hem niet ziet. Het hof betrekt in zijn oordeel voorts de verklaring van de bijzondere curator, inhoudende dat de minderjarige het fijn zou vinden als beide ouders hem ondersteunen bij de omgang, hetgeen thans niet het geval is. De minderjarige heeft het hier moeilijk mee. De discussie tussen zijn ouders is hem heel zwaar gevallen en hij wil nu een normaal leven kunnen leiden. Het hof is verder uit de stukken en het besprokene ter zitting gebleken dat de ouders nog immer niet met elkaar door één deur kunnen, en zij nog steeds niet in staat zijn om in onderling overleg tot een oplossing te komen die zij beiden in het belang van de minderjarige achten. Het hof is voorts gebleken dat de minderjarige het voorlopig wil laten zoals het is. Daarbij komt dat de vader graag contact wil met zijn zoon, maar dat hij zelf ook inziet dat een reguliere omgangsregeling nu niet mogelijk is. De minderjarige heeft feitelijk één keer per week contact met de vader via Skype. Dit bevalt goed. Al met al acht het hof een omgangsregeling zoals verzocht door de vader op dit moment niet in het belang van de minderjarige. Het hof acht het aannemelijk dat gedwongen contact tussen de vader en de minderjarige een negatieve weerslag op de minderjarige zal hebben. Gelet op de feitelijke gang van zaken met betrekking tot de contacten, zal het hof bepalen dat tussen de vader en de minderjarige één keer per week appcontact via Skype in plaats van Facebook Messenger zal plaatsvinden.


 
20094

Notariële samenlevingsovereenkomst en ontslagvergoeding als netto loon

Gerechtshof Den Haag, 12-05-2020 ECLI:NL:GHDHA:2020:1009
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Huwelijksvermogensrecht
7:900 BW
Rechtsvraag

Heeft de vrouw op grond van de samenlevingsovereenkomst aanspraak op de ontslagvergoeding die de man in maart 2014 van zijn werkgever heeft gekregen?

Overweging

Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen dient de samenlevingsovereenkomst uitgelegd te worden conform de Haviltex maatstaf. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. In de samenlevingsovereenkomst hebben partijen in artikel 2 lid 8 het inkomensbegrip gedefinieerd. In voormeld artikel gaat het over het netto arbeidsinkomen welk inkomen valt onder de heffing van de inkomstenbelasting. Eveneens wordt onder inkomen verstaan uitkeringen op basis van de sociale verzekeringswetten. Een ontslagvergoeding kan – mede bezien het inkomensbegrip zoals geformuleerd in de samenlevingsovereenkomst – worden aangemerkt als inkomen. De ontslagvergoeding die de man in maart 2014 van de [naam werkgever] heeft ontvangen dient aangemerkt te worden als nettoloon in de zin van de samenlevingsovereenkomst. 

Op grond artikel 2 van de samenlevingsovereenkomst dient de man het nettoloon aan te wenden voor de kosten van de gewone gang van de huishouding. Een ontslagvergoeding wordt veelal verstrekt om verlies van arbeidsinkomen – als gevolg van ontslag - te compenseren. In lid 6 van artikel 2 van de samenlevingsovereenkomst zijn partijen met elkaar overeengekomen dat hetgeen van hun netto-inkomsten niet is aangewend ter dekking van de kosten van de gewone gang van de huishouding zal worden verrekend. Uit lid 6 van artikel 2 volgt eveneens dat de verrekening betrekking heeft op de periode van samenleving en dat beide partijen daarvan het financiële voordeel dienen te genieten. 

De rechtsvraag die thans beantwoord moet worden is, of hetgeen niet is verteerd met betrekking tot de ontslagvergoeding op de peildatum van 31 december 2014, eveneens in de verrekening tussen partijen moet worden betrokken. Vaststaat dat de man in maart 2014 de ontslagvergoeding heeft gekregen en dat hij eind 2014 de gemeenschappelijke woning heeft verlaten. Naar het oordeel van het hof brengt een redelijke uitleg van artikel 2 lid 6 van de samenlevingsovereenkomst met zich mede dat het nog aanwezig saldo met betrekking tot de ontslagvergoeding niet in de verrekening dient te worden betrokken. De uitkering had betrekking op verlies van toekomstig arbeidsinkomen dat veroorzaakt werd door het ontslag bij de [naam werkgever] . Het feit dat de man al in december 2014 een nieuwe baan had doet niet af aan het karakter van de ontslagvergoeding. Voorts brengt een redelijke uitleg van het verrekenbeding met zich mede dat het moet gaan om een besparing die betrekking heeft op de periode dat partijen met elkaar samenleven. De grief van de vrouw treft dus geen doel.


Binnenkort:
Huwelijksvoorwaarden
 
20099

Verbeuren dwangsommen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12-05-2020 ECLI:NL:GHARL:2020:3686
Jurisprudentie - Rechtsontwikkeling
Arbeidsprocesrecht
7:669 BW
Rechtsvraag

Is werkgever dwangsommen verbeurd als gevolg van het niet geheel toelaten tot alle taken van het werk?

Overweging

Uit het voorgaande volgt dat het zich tot 6 mei 2019 niet voordoen van bepaalde taken en werkzaamheden van de functie van chef staalhal, wat volgens DBDG ook het geval is geweest, dan wel het tot 6 mei 2019 vanwege de toen nog bestaande gewoonte en afspraken door een ander verrichten van een bepaalde taak of werkzaamheid, niet betekent dat DBDG geen gehoor gaf aan het tegen haar gegeven gebod of daarmee te lang heeft gewacht.

De inspanningen van DBDG waren, geheel in lijn met het op 17 april 2019 door de kantonrechter gegeven gebod, volledig gericht op het feitelijk herstellen van de oude, inmiddels niet meer bestaande, functie van chef staalhal. Het daarbij gehanteerde tempo was voldoende in het licht van het gegeven dat met alle betrokkenen ( [E] , [B] , [appellant] ) afstemming over de aanpassing van de organisatie moest plaats vinden én [appellant] ermee akkoord is gegaan dat het daarop gerichte en daarvoor benodigde overleg op  6 mei 2019 zou plaats vinden. Het vonnis van 17 april 2019 bevat niets waaruit kan worden afgeleid dat essentieel was dat het herstel in het volledige takenpakket binnen 24 uur na betekening plaats vond.


 
20078

81 RO: ouderlijk gezag naar Pools recht en erkenning in Nederland

Hoge Raad der Nederlanden, 08-05-2020 ECLI:NL:PHR:2020:174
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Gezag en omgang
IPR
1:253a, 1:253n BW
Rechtsvraag

Heeft het hof terecht geoordeeld dat naar Pools recht de vader vanaf de geboorte van het kind – dat naast de Nederlandse ook de Poolse nationaliteit heeft – van rechtswege is belast met het gezag, hetgeen in Nederland moet worden erkend?

Overweging

HR: verwerping beroep op grond van art. 81 lid 1 RO.

A-G: De rechtbank heeft in rov. 3.7 van haar beschikking overwogen dat Nederland de volgens het Poolse recht van rechtswege ontstane gezagsverhouding van de vader over het kind dient te erkennen en dat dit betekent dat de vader  ten tijde van de geboorte van het kind  gezag over hem had. In deze overweging van de rechtbank ligt het oordeel besloten dat de vader van een kind naar Pools recht van rechtswege het ouderlijk gezag heeft vanaf de geboorte van het kind. De moeder heeft dit (impliciete) oordeel over de inhoud en uitleg van het Poolse recht in hoger beroep niet bestreden. Integendeel, de moeder heeft het oordeel van de rechtbank juist onderschreven. In nr. 13 (‘vaststaande feiten’) van haar beroepschrift heeft de moeder gesteld dat partijen naar Pools recht gezamenlijk het gezag hebben over de minderjarige en dat ingevolge de Poolse wetgeving (artikel 93 § 1 van het Poolse Wetboek voor personen- en familierecht (de  Kodeks rodzinny i opiekuńczy )) het ouderlijk gezag ontstaat op het ogenblik van de geboorte van een kind en toekomt aan beide ouders. Derhalve staat het oordeel van de rechtbank vast en dient in cassatie ervan te worden uitgegaan dat naar Pools recht de vader van rechtswege het ouderlijk gezag heeft vanaf de geboorte van het kind. Reeds om deze reden kunnen de klachten van het middel niet tot cassatie leiden.

Voor zover het middel mocht klagen dat het hof het Poolse recht heeft miskend, stuit de klacht af op art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO, waarin cassatie wegens schending van buitenlands recht is uitgesloten. Voor zover het middel een motiveringsklacht richt tegen de toepassing van het Poolse recht door het hof, stuit deze klacht eveneens af op art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO, omdat deze klacht zich niet laat beoordelen zonder daarbij ook de juistheid van het oordeel van het hof omtrent de inhoud en uitleg van het Poolse recht te betrekken. Nu de moeder in hoger beroep heeft erkend dat naar Pools recht de vader vanaf de geboorte van het kind van rechtswege het ouderlijk gezag heeft, is het oordeel van het hof overigens ook niet onbegrijpelijk gemotiveerd in het licht van het partijdebat. Het incidentele cassatieberoep faalt dus.


 
20069

Invloed wooncomponent op draagkracht kinder- en partneralimentatie

Gerechtshof Den Haag, 04-05-2020 ECLI:NL:GHDHA:2020:862
Jurisprudentie - Geschilbeslechting
Alimentatie
1:157 BW, 1:401 BW, 1:404 BW
Rechtsvraag

Wat zijn de financiële consequenties van het aan de man laten van de woonlasten van de voormalige woning – waarin de vrouw woont – op zijn draagkracht?

Overweging

Het inkomen uit arbeid van de man is thans niet in geschil. Het hof volgt hierin de rechtbank en gaat uit van een bruto jaarinkomen van 41.666,-. Nu ook de man aangeeft dat hij niet langer hobbymatig activiteiten verricht zal het hof er van uitgaan dat hij de extra inkomsten als hiervoor genoemd als winst uit onderneming geniet. De winst uit onderneming van de man stelt het hof over 2019, gelet op hetgeen hiervoor onder de behoefte is overwogen, op € 17.964,-. Dit is € 1.000,- minder dan in 2018, nu in 2018 de verhuur van de koelcel € 200,- per maand bedroeg en in 2019 € 100,- per maand. 

Voor wat betreft de winst uit onderneming houdt het hof verder geen rekening met een startersaftrek, nu op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting, onvoldoende vast is komen te staan dat de man aan het daarvoor geldende urencriterium voldoet. Evenals de rechtbank heeft het hof wel rekening gehouden met de MKB vrijstelling, nu hij hier als ondernemer wel recht op heeft. 

Het hof gaat voor de berekening van de draagkracht van de man voor kinderalimentatie uitsluitend uit van de situatie zoals deze ten tijde van de zitting in appel was. De vrouw bewoonde toen de echtelijke woning terwijl de man de hypothecaire woonlasten geheel betaalde. Weliswaar hebben partijen ter zitting de afspraak gemaakt dat de vrouw zo snel als mogelijk haar aandeel van de woning aan de man zal overdragen maar partijen hebben deze afspraak niet nader geconcretiseerd. 

Bij de berekening van de draagkracht van de man voor kinderalimentatie zal het hof dan ook rekening houden met de werkelijke hypotheekrente die de man betaalt en de aftrek die hij geniet. In de formule voor kinderalimentatie wordt vervolgens rekening gehouden met de lasten die de man betaald voor deze woning, naast de forfaitaire woonlast.

De man geniet een beperkte hypotheekrente aftrek omdat hij maar voor 50% eigenaar is van deze woning. Uit de stukken blijkt dat de hypotheekrente € 10.000,- bedraagt. Het hof zal bij de berekening van de draagkracht dan ook met een bedrag van € 5000,- rekening houden. Bij de draagkracht van de man wordt in de berekening geen rekening gehouden met de bijtelling van het EWF. De man heeft immers, nu de vrouw alleen het woongenot heeft van de woning, een aftrekpost voor betaalde partneralimentatie die gelijk is aan 50% van het EWF behorend bij zijn deel van de eigen woning. 

Het netto besteedbaar inkomen dat uit de berekening volgt is € 3.270,- per maand. 

Deze berekening wordt aan de beschikking gehecht.

Uit de berekening volgt dat het netto bedrag dat de man betaalt voor de hypotheek van de echtelijke woning is € 173,- per maand is. Vervolgens betaalt hij (niet aftrekbaar) aan hypotheeklasten voor de echtelijke woning een bedrag van € 416,- per maand (zijnde 1/12 deel van het niet aftrekbare bedrag van € 5000,-). In de berekening zal het hof aldus in redelijkheid en nu partijen hier niets over hebben aangevoerd, naast de forfaitaire woonlast rekening houden met de woonlasten die de man doorbetaalt ad € 173,- + € 416,- = € 589,- per maand. 

Gelet op de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum, die in hoger beroep niet in geschil is, rekent het hof met de formule van 2020 en niet zoals de rechtbank met de formule van 2019. Te meer nu uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de echtscheidingsbeschikking nog altijd niet in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven. 

De draagkracht van de man bedraagt alsdan 70% [ 3.270,- – (0,3 x € 3.270,- + € 975,- + € 589,-) = afgerond € 508,- per maand.


 

VAKnieuws is een initiatief van en wordt u aangeboden door centrum permanente educatie.


VAKnieuws houdt u middels praktische en uitgekiende samenvattingen op de hoogte van belangrijke juridische ontwikkelingen. Al het vaknieuws wordt met uiterste zorg samengesteld. De samenstellers, makers en centrum permanente educatie zijn niet aansprakelijk voor enigerlei schade als gevolg van het gebruik van dit vaknieuws.