VAKnieuws

Bruidsgave naar Iraans recht

Nr: 26080 Hoge Raad der Nederlanden, 17-07-2026 ECLI:NL:HR:2026:1293 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Huwelijksvermogensrecht
IPR
art. 14 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 en art. 10:6 BW.

Rechtsvraag

Brengt het enkele feit dat het Nederlandse recht geen khul echtscheiding kent, mee dat de bepalingen van het Iraanse recht over de khul echtscheiding terzijde kunnen worden geschoven bij de beoordeling van de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave?

Overweging

De Hoge Raad overweegt dat in cassatie vaststaat dat de rechten en verplichtingen van partijen ten aanzien van de bruidsgave worden beheerst door het Iraanse recht en oordeelt dat dit betekent dat de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave moet worden beoordeeld aan de hand van het Iraanse recht. Daartoe moet worden onderzocht welke betekenis naar Iraans recht toekomt aan de omstandigheid dat de Nederlandse rechter op verzoek van de vrouw, met toepassing van Nederlands recht, de echtscheiding tussen partijen heeft uitgesproken (zie hiervoor in 2.2.1), en de omstandigheid dat het Nederlandse recht geen khul echtscheiding kent. Voor de beoordeling van de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave kon het hof dan ook niet volstaan met zijn oordeel dat het Nederlandse recht geen khul echtscheiding kent.

De Hoge Raad merkt op dat na verwijzing moet worden onderzocht of de toepassing van het Iraanse recht op de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave leidt tot een resultaat dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde in de zin van art. 10:6 BW.

Lees verder
 

Goud in de kluis: stelplicht en bewijslast

Nr: 26079 Hoge Raad der Nederlanden, 17-07-2026 ECLI:NL:HR:2026:1292 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Huwelijksvermogensrecht
Procesrecht
150 Rv

Rechtsvraag

Wie draagt de bewijslast van de stelling dat de man over het goud beschikt?

Overweging

De vrouw verzoekt om afgifte door de man van (de helft van) het goud aan haar, althans vergoeding van de waarde daarvan. Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv moet de vrouw de feiten stellen en, zo nodig, bewijzen die kunnen leiden tot dit door haar ingeroepen rechtsgevolg. Het is dus aan de vrouw om te stellen en, zo nodig, te bewijzen, dat de man over het goud beschikt. De vrouw heeft in dit verband gesteld dat de man de beschikking over het goud heeft; hij heeft het volgens haar uit de kluis gehaald en onder zijn beheer genomen. Tegenover deze stelling van de vrouw heeft de man aangevoerd dat hij het goud in de echtelijke woning bij de vrouw heeft achtergelaten. Dit betoog van de man is een betwisting van het door de vrouw aan haar verzoek ten grondslag gelegde feit dat de man de beschikking over het goud heeft. Het oordeel van het hof dat de bewijslast van het betoog van de man over het goud bij hem ligt, geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 

Lees verder

Al onze cursussen

Centrum Permanente Educatie biedt hoogwaardige juridische cursussen, afgestemd op de praktijk en verzorgd met enthousiasme en expertise.

Bekijken
 

Beloning bewindvoerder

Nr: 26078 Hoge Raad der Nederlanden, 17-07-2026 ECLI:NL:HR:2026:1277 Jurisprudentie Rechtseenheid Curatele, bewind en mentorschap 1:447 lid 1 BW; art. 3 Regeling beloning.

Rechtsvraag

Heeft een bewindvoerder recht op vergoeding voor werkzaamheden in verband met een verhuizing van de rechthebbende?

Overweging

Uit de toelichting over art. 3 lid 5, aanhef en onder b, Regeling beloning volgt dat een bewindvoerder recht heeft op een adequate beloning voor werkzaamheden die hij moet verrichten met betrekking tot een verhuizing van de rechthebbende als er geen mentor is die de verhuizing kan regelen. Met de hiervoor genoemde uitgangspunten die aan de Regeling beloning ten grondslag liggen, strookt dat de bewindvoerder steeds recht heeft op de beloning van art. 3 lid 5, aanhef en onder b, Regeling beloning, als de rechthebbende verhuist en er geen mentor is om de verhuizing voor de rechthebbende te regelen. Gelet op de keuze van de wetgever voor een forfaitair systeem dat eenvoudig is te hanteren, is daarbij niet van belang of de rechthebbende zelf in staat is de verhuizing te regelen. 

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Perspectiefbesluit

Nr: 26077 Conclusie AG, 10-07-2026 ECLI:NL:PHR:2026:729 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Jeugdrecht 1:265c BW

Rechtsvraag

Welke ruimte bestaat er voor een rechterlijke toetsing van het perspectiefbesluit in het kader van een procedure tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing (art. 1:265c lid 2 BW)? 

Overweging

De AG is van oordeel dat de uitspraak in HR 1 september 2023 zo moet worden begrepen dat bij de beoordeling van een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing enkel ruimte bestaat voor een beoordeling van het tijdelijke opgroeiperspectief van de minderjarige, voor de duur van de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Het rechterlijke oordeel over het opgroeiperspectief van de minderjarige beperkt zich in dat geval tot de duur van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en zegt nog niets over de vraag waar de minderjarige structureel zal opgroeien. De vraag naar het structurele opgroeiperspectief van de minderjarige hoort niet thuis in een procedure op grond van art. 1:265c lid 2 BW, maar in een procedure tot gezagsbeëindiging op grond van art. 1:266 lid 1 sub a BW.

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Economisch eigendom

Nr: 26076 Conclusie AG, 10-07-2026 ECLI:NL:PHR:2026:721 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Huwelijksvermogensrecht 1:94 BW

Rechtsvraag

Kan economisch eigendom tot een huwelijksgemeenschap behoren?

Overweging

De A-G concludeert dat ‘economische eigendom’ als zodanig geen goed is in de zin van art. 3:1 BW en daarom kan het als zodanig niet in een huwelijksgemeenschap vallen. Dit sluit echter niet uit dat een recht dat ontleend wordt aan een rechtsverhouding tussen de eigenaar – dus in juridische zin – en de belanghebbende wél als goed wordt gekwalificeerd. Vorderingsrechten zijn vermogensrechten als bedoeld in art. 3:6 BW, en daarmee goederen als bedoeld in art. 3:1 BW die dus in de gemeenschap van goederen kunnen vallen (art. 1:94 lid 2 BW). 

Lees verder
 

Behoeftigheid bij verblijf zonder verblijfsvergunning

Nr: 26075 Hoge Raad der Nederlanden, 10-07-2026 ECLI:NL:HR:2026:1248 Jurisprudentie Geschilbeslechting Alimentatie 1:392 BW

Rechtsvraag

Heeft de vrouw zonder verblijfsvergunning een verdiencapaciteit?

Overweging

Sinds de echtscheiding heeft de vrouw geen geldige titel van verblijf in Nederland. Haar verzoek om een verblijfsvergunning is afgewezen. Zij mag haar beroep in Nederland afwachten. Het hof heeft overwogen dat de vrouw zonder verblijfsvergunning niet mag werken, maar vervolgens aan haar wel een verdiencapaciteit toegekend gelijk aan het minimumloon, ook gedurende de periode waarin zij haar beroep in Nederland afwacht. De Hoge Raad acht dit een onbegrijpelijk oordeel. 

Lees verder
 

Stelplicht en bewijslastverdeling

Nr: 26074 Hoge Raad der Nederlanden, 10-07-2026 ECLI:NL:HR:2026:1219 Jurisprudentie Geschilbeslechting Huwelijksvermogensrecht
Procesrecht
Alimentatie
843a (oud) BW; 150 Rv

Rechtsvraag

Op wie rust de bewijslast over het al dan niet bestaan van een bankrekening in Tsjechië op naam van de vrouw?

Overweging

De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof op drie onderdelen. De Hoge Raad acht het oordeel van het hof dat op de man de bewijslast rust ten aanzien van zijn stelling dat de vrouw nog een bankrekening met saldo heeft in Tsjechië. Ook acht de Hoge Raad het oordeel van het hof dat het 843a (oud) BW-verzoek van de man onvoldoende gespecificeerd is onbegrijpelijk.

Daarnaast heeft het hof op verzoek van de man geoordeeld dat de aflossing op de huwelijkse schulden volledig in mindering wordt gebracht op zijn draagkracht voor de kinderalimentatie, maar daarbij opgenomen dat dit betekent dat de man geen regresvordering meer heeft op de vrouw. Met deze beslissing is het hof volgens de Hoge Raad buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. 

 

Lees verder
 

Vereiste stukken bij verzoek tot wijziging van een zorgmachtiging

Nr: 26073 Hoge Raad der Nederlanden, 26-06-2026 ECLI:NL:HR:2026:1047 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling GGZ 8:12 Wvggz

Rechtsvraag

Moet bij een verzoek tot wijziging van een bestaande zorgmachtiging alle "oude" documentatie worden overgelegd?

Overweging

Bij een verzoekschrift tot wijziging van een zorgmachtiging als bedoeld in art. 8:12 lid 5 Wvggz dienen, naast de in art. 8:12 lid 3 Wvggz vermelde stukken, de bestaande zorgmachtiging en de stukken die daaraan ten grondslag hebben gelegen, te worden overgelegd, voorzien van een actualisering daarvan met het oog op de vormen van verplichte zorg waarop het wijzigingsverzoek ziet. Ook wanneer wordt verzocht een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel te wijzigen door deze aan te vullen met bepaalde vormen van verplichte zorg, zullen de bestaande machtiging en de stukken die daaraan ten grondslag hebben gelegen, voorzien van een actualisering daarvan, noodzakelijk zijn om het verzoek te kunnen beoordelen en dienen die stukken dus te worden overgelegd. 

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Stelplicht behoefte en behoeftigheid

Nr: 26069 Rechtbank Midden-Nederland, 25-06-2026 ECLI:NL:RBMNE:2026:3782 Jurisprudentie Geschilbeslechting Alimentatie
Procesrecht
1:392 lid 2 BW; 150 Rv.

Rechtsvraag

Kan voor de onderbouwing van een alimentatieverzoek verwezen worden naar de stukken uit de voorlopige voorzieningen procedure?

Overweging

De rechtbank wijst het nevenverzoek tot partneralimentatie af. Voor de onderbouwing van haar behoefte en behoeftigheid heeft de vrouw in haar verzoekschrift verwezen naar beschikking en de stukken in de procedure over de voorlopige voorziening. Die maken geen onderdeel uit van de echtscheidingsprocedure.

Lees verder
 

Raadsonderzoek bij voorlopige voorziening

Nr: 26062 Rechtbank Rotterdam, 16-06-2026 ECLI:NL:RBAMS:2026:6078 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Procesrecht
Gezag en omgang
821 Rv; 810 Rv.

Rechtsvraag

Kan een raadsonderzoek al bij voorlopige voorziening worden gelast?

Overweging

De rechtbank gelast bij de eindbeslissing op de voorlopige voorzieningen al een raadsonderzoek, rekening houdend met de lange wachttijden bij de rechtbank voor de behandeling van de bodemprocedure en de lange wachttijden bij de raad voor de kinderbescherming.

Lees verder
 

Minderjarige maakt gemotiveerd bezwaar tegen contactherstel met zijn vader

Nr: 26067 Gerechtshof Amsterdam, 16-06-2026 ECLI:NL:GHAMS:2026:1623 Jurisprudentie Geschilbeslechting Gezag en omgang 1:253a BW; 1:377a BW.

Rechtsvraag

Is contact(herstel) met de vader in het belang van de minderjarige?

Overweging

Het hof oordeelt dat contact(herstel) niet in het belang van de minderjarige is. De minderjarige heeft gemotiveerd en consequent aangegeven dat hij op dit moment geen contact wil met zijn vader. Het hof overweegt dat gelet op de leeftijd van de minderjarige, er belang moet worden gehecht aan zijn mening. Het hof stelt vast dat de vader herhaaldelijk handelt op een manier die niet in het belang van de minderjarige is, onder meer door onverwachts bij zijn school te staan en zich bedreigend uit te laten over de hond, de moeder en de stiefvader van de minderjarige. De vader moet inzicht krijgen in de gevolgen van zijn handelen en uitlatingen voor de minderjarige.

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Erkenning huwelijk

Nr: 26063 Rechtbank Noord-Nederland, 12-06-2026 ECLI:NL:RBNNE:2026:2355 Jurisprudentie Rechtseenheid IPR
Procesrecht
Echtscheiding
815 lid 5 Rv; 10:31 BW; 2.8 en 2.10 Wet BRP

Rechtsvraag

Mag de rechter de BRP volgen bij het vaststellen van het al dan niet bestaan van een huwelijk?

Overweging

In de BRP staat vermeld dat partijen gehuwd zijn. De vrouw heeft geen bewijs van het huwelijk kunnen overleggen en tegenstrijdig over de huwelijkssluiting verklaard. De rechter heeft het huwelijk in een eerdere procedure niet erkend. In deze procedure vindt de ambtenaar van de burgerlijke stand dat de rechter het huwelijk wel had moeten erkennen, omdat het huwelijk is vermeld in de BRP en die vermelding op grond van verklaringen onder ede tot stand is gkeomen.

De rechtbank oordeelt dat de bevoegdheid om vast te stellen of sprake is van een (voor erkenning vatbaar) huwelijk uiteindelijk bij de rechter ligt en niet bij het college of (een door het college gemandateerde) gemeentelijk ambtenaar, omdat het hier gaat om de toepassing van materieel recht op een concreet geschil – en dat is naar het stelsel van de wet een rechterlijke taak.

De gemeentelijke ambtenaar registreert rechtsfeiten aan de hand van akten en brondocumenten, maar neemt daarmee geen bindend materieelrechtelijk oordeel over de geldigheid of erkenning van het huwelijk in de zin van het familierecht. De BRP is een basisregistratie met "authentieke gegevens", geen constitutief register: de vermelding van een huwelijk in de BRP is een zwaarwegende administratieve aanwijzing, maar geen rechterlijk oordeel over het bestaan of de rechtsgeldigheid van dat huwelijk. In procedures waarin het huwelijk rechtsgevolgen heeft (echtscheiding, afstamming, gezag, verblijfsrecht, sociale zekerheids- of belastingrechtelijke vragen) is het daarom de rechter die zelfstandig moet beoordelen of van een rechtsgeldig en voor erkenning vatbaar huwelijk sprake is. 
Lees verder