VAKnieuws

Verdeling aandelen uit de huwelijksgemeenschap

Nr: 26088 Gerechtshof Den Haag, 12-08-2026 ECLI:NL:GHDHA:2026:2651 Jurisprudentie Geschilbeslechting Huwelijksvermogensrecht 1:100 BW; 3:185 BW

Rechtsvraag

Wat is de waarde van de aandelen en hoe moeten ze worden verdeeld?

Overweging

De aandelen van de BV's van de man vallen in de huwelijksgemeenschap. Volgens de vrouw vertegenwoordigen de aandelen een aanzienlijke waarde, maar volgens de man zijn de aandelen waardeloos. Door de slechte administratie valt de waarde voor het hof niet goed vast te stellen. Het hof beslist dat de waarde om niet aan de vrouw worden toegedeeld. De man heeft aangegeven hier geen bezwaar tegen te hebben.

Lees verder
 

Internationale verhuiszaak

Nr: 26087 Gerechtshof Den Haag, 12-08-2026 ECLI:NL:GHDHA:2026:2652 Jurisprudentie Geschilbeslechting Gezag en omgang 1:253a BW

Rechtsvraag

Mag de moeder met de kinderen naar Frankrijk verhuizen?

Overweging

Het hof haalt de toetsingscriteria in verhuiszaken aan en maakt een belangenafweging. Het hof is van oordeel dat de moeder belang heeft bij de verhuizing, dat zij de verhuizing goed heeft doordacht en voorbereid en dat de verhuizing niet in strijd is met de belangen van de kinderen. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank waarin aan de moeder vervangende toestemming is verleend voor de verhuizing naar Frankrijk. 

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder

Al onze cursussen

Centrum Permanente Educatie biedt hoogwaardige juridische cursussen, afgestemd op de praktijk en verzorgd met enthousiasme en expertise.

Bekijken
 

Nietigheid en vervangende toestemming erkenning

Nr: 26092 Rechtbank Amsterdam, 11-08-2026 ECLI:NL:RBAMS:2026:8010 Jurisprudentie Geschilbeslechting Erkenning 1:204 SBW; 1:206 SBW; 1:204 BW

Rechtsvraag

Is de erkenning nietig? En zo ja, moet de man vervangende toestemming krijgen om de minderjarige te erkennen?

Overweging

De rechtbank oordeelt naar Surinaams recht dat de erkenning door de man nietig is, omdat de man de erkenning zonder toestemming van de moeder heeft uitgevoerd middels het vervalsen van haar handtekening. De rechtbank beoordeelt naar Nederlands recht of de man vervangende toestemming moet krijgen om de minderjarige te erkennen, en gelast een raadsonderzoek. 

Lees verder
 

Draagkracht gedetineerde

Nr: 26091 Gerechtshof Amsterdam, 11-08-2026 ECLI:NL:GHAMS:2026:2212 Jurisprudentie Geschilbeslechting Alimentatie 1:404 lid 1 BW

Rechtsvraag

Heeft de vader draagkracht om kinderalimentatie te betalen?

Overweging

De vader heeft in hoger beroep aangetoond dat hij een WIA-uitkering ontvangt en dat hij daardoor een minimale draagkracht heeft van € 50,- per maand. Daarnaast is het hof er ambtshalve mee bekend dat de vader sinds 14 januari 2026 in voorlopige hechtenis is genomen op verdenking van een niet nader genoemd - maar volgens zijn advocaat ernstig - strafbaar feit. Het is het hof bekend dat de WIA-uitkering na één maand hechtenis automatisch wordt stop gezet. Het hof gaat er daarom vanuit dat de vader vanaf 1 februari 2026 geen draagkracht meer heeft. Voor zover de vader in de afgelopen maanden meer kinderalimentatie heeft betaald dan het hof vastlegt, hoeft de moeder dat niet aan hem terug te betalen.

Lees verder
 

Omgangsregeling met grootouder

Nr: 26089 Rechtbank Rotterdam, 11-08-2026 ECLI:NL:RBROT:2026:9853 Jurisprudentie Geschilbeslechting Gezag en omgang 1:377a BW

Rechtsvraag

Zijn er redenen om omgang tussen de minderjarige en de grootmoeder te ontzeggen?

Overweging

De kinderrechter oordeelt dat er grond is om de omgang tussen de oma en de minderjarige te ontzeggen. De oma heeft wel family life met de minderjarige, omdat de moeder en de minderjarige langere tijd bij haar hebben gewoond. De oma heeft ook veel zorg gedragen voor de minderjarige. 

Door de verstoorde relatie tussen de oma en de moeder, is de kinderrechter van oordeel dat omgang met de oma ernstig nadeel zou kunnen opleveren voor de minderjarige. De moeder kan die omgang namelijk niet dragen. Daarnaast kan omgang tussen de oma en de minderjarige in de weg gaan staan in de band tussen de moeder en de minderjarige. 

De kinderrechter schrijft een bijzondere brief aan de minderjarige, die de moeder op latere leeftijd wanneer zij het geschikt acht, aan de minderjarige kan voorlezen of geven.

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Verdeling en bruidsgave

Nr: 26090 Rechtbank Gelderland, 06-08-2026 ECLI:NL:RBGEL:2026:6293 Jurisprudentie Geschilbeslechting Huwelijksvermogensrecht 1:100 BW; 3:185 BW

Rechtsvraag

Moet de man de bruidsgave nog aan de vrouw betalen?

Overweging

Partijen zijn voor 2018 in Nederland gehuwd. Op de verdeling van de huwelijksgemeenschap is het Nederlands recht van toepassing. Dat heeft dat tot gevolg dat zowel de vordering van de vrouw op de man ter zake van de bruidsgave in de (wettelijke algehele) huwelijksgemeenschap valt, als dat de schuld van de man aan de vrouw ter zake van de bruidsgave in die gemeenschap valt.  Naar Nederlandse recht is het niet mogelijk om door middel van een overeenkomst te bepalen dat een door de vrouw van de man te ontvangen bruidsgave buiten de gemeenschap van goederen van partijen valt. Indien partijen de door de vrouw te ontvangen bruidsgave van de wettelijke gemeenschap van goederen wilden uitzonderen, had het op hun weg gelegen om dit bij huwelijkse voorwaarden te bepalen. Dat hebben partijen niet hebben gedaan, waardoor partijen ingevolge art. 1:100 BW een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap hebben. Dat betekent dat ieder van partijen gerechtigd is tot de helft van de vordering van de vrouw op de man, maar ieder van partijen ook voor de helft de verplichting van de man aan de vrouw moeten dragen. Per saldo hebben partijen dan niks meer van elkaar te vorderen. Om die reden wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw af.

Lees verder
 

Voorzieningenrechter fungeert in kort geding als 'restrechter'

Nr: 26081 Rechtbank Oost-Brabant, 29-07-2026 ECLI:NL:RBOBR:2026:5547 Jurisprudentie Rechtseenheid Procesrecht 254 RV; 1:265f BW.

Rechtsvraag

Kan moeder zich tot de voorzieningenrechter wenden omdat zij het niet eens is met de door de GI opgestelde contactregeling?

Overweging

De voorzieningenrechter verklaart de moeder niet-ontvankelijk. Zij kan zich enkel in kort geding tot de voorzieningenrechter wenden als er geen andere snelle procedure open staat. Voor deze situatie staat de snelle procedure op grond van artikel 1:265f BW open. 

Lees verder
 

Dwangsom en proceskostenveroordeling

Nr: 26083 Gerechtshof Amsterdam, 28-07-2026 ECLI:NL:GHAMS:2026:2069 Jurisprudentie Geschilbeslechting Procesrecht 237 Rv

Rechtsvraag

Zijn er redenen om de vrouw een dwangsom en proceskostenveroordeling op te leggen?

Overweging

De vrouw heeft zich in de vaststellingsovereenkomst verplicht tot het overdragen en leveren van haar aandeel in de woning in Marokko aan de man. Vervolgens heeft zij zich jarenlang onthouden van meewerking aan die levering. De rechtbank heeft haar verplicht om mee te werken aan de overdracht en  levering en heeft bepaald dat de beschikking in de plaats komt van de handeling van de vrouw. Het hof voegt daar op verzoek van de man een dwangsom aan toe omdat de man in Marokko op problemen stuit bij de tenuitvoerlegging.   

Het hof veroordeelt de vrouw ook in de proceskosten. Hoewel in personen- en familierechtelijke procedures op grond van artikel 237 Rv de proceskosten tussen ex-echtgenoten doorgaans worden gecompenseerd, is het hof van oordeel dat de jarenlange hardnekkige weigering van de vrouw om over te gaan tot overdracht en levering van de woning terwijl zij hiertoe meermaals in gerechtelijke procedures verplicht is geoordeeld, een forfaitaire proceskostenveroordeling in beide instanties rechtvaardigt.

Lees verder
 

Voorlopige voorziening beperken omgang

Nr: 26085 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26-07-2026 ECLI:NL:GHARL:2026:4849 Jurisprudentie Rechtseenheid Procesrecht
Gezag en omgang
223 Rv

Rechtsvraag

Zijn er redenen om voor de duur van het geding in hoger beroep bij wijze van voorlopige voorziening het contact met de vader te beperken?

Overweging

Het hof wijst het verzoek van de moeder af. De zorgregeling is tot nu toe gewoon uitgevoerd. Het is niet in geschil dat de minderjarige het moeilijk heeft met de situatie tussen de ouders maar het staat niet vast dat dit komt door gedragingen van de vader. Het hof ziet het op dit moment als strijdig met het belang van de minderjarige om het contact te beperken, onder meer omdat hij dan ook de vaantie met zijn vader en vier halfbrusjes moet missen.

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Eenhoofdig gezag op verzoek Raad voor de Kinderbescherming

Nr: 26084 Rechtbank Rotterdam, 24-07-2026 ECLI:NL:RBROT:2026:9012 Jurisprudentie Geschilbeslechting Jeugdrecht 1:266 BW; 1:267 BW.

Rechtsvraag

Staat het beëindigen van het gezag van de vader in een redelijke verhouding tot het doel om de ontwikkelingsbedreiging van het kind weg te nemen?

Overweging

De rechtbank beëindigt op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming het ouderlijk gezag van de vader, zodat de moeder belast wordt met het eenhoofdig gezag. Er is een jarenlange strijd tussen de ouders waardoor het kind klem zit. Ondertoezichtstelling heeft geen verschil kunnen maken. Inmiddels is duidelijk dat hier niet sprake is van de situatie "waar er twee strijden hebben er twee schuld". De vader gaat niet alleen de strijd aan met de moeder maar ook met hulpverlening. Hij is wantrouwend naar de overheid en staat niet open voor andere visies dan die van hemzelf. Hij accepteert de moeder niet in het leven van het kind. Na schorsing van het gezag van beide ouders is het kind opgebloeid. De moeder kan wel het gezag houden en ondertoezichtstelling is niet meer nodig, omdat de moeder goed meewerkt met de hulpverlening en er ook geen zorgen zijn over de opvoedsituatie bij de moeder. Het recht op omgang wordt niet aan de vader ontzegd maar wel wordt aan hem een stappenplan opgelegd als voorwaarde voor het hervatten van contact met het kind. Dit stappenplan omvat onder andere psycho-educatie en psychologisch diagnostisch onderzoek.

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Duurzame ontwrichting huwelijk

Nr: 26086 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23-07-2026 ECLI:NL:GHARL:2026:4829 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Echtscheiding 1:151 BW; 3:34 BW.

Rechtsvraag

Is de vrouw in staat haar wil te bepalen met betrekking tot de echtscheiding?

Overweging

De man heeft aangevoerd dat de vrouw een psychische stoornis heeft en dat zij niet in staat is haar wil te bepalen. Hij denkt dat zij het verzoek tot echtscheiding heeft ingediend onder druk van haar familie. Hij wil dat het verzoek tot echtscheiding wordt afgewezen. Het hof stelt voorop dat uit het feit dat de vrouw in het verleden psychologische begeleiding had en nog steeds heeft, niet kan worden afgeleid dat er sprake is van een zodanige psychische stoornis dat zij niet in staat zou zijn om haar wil te bepalen, zoals bedoeld in artikel 3:34 BW. Het is het hof niet gebleken dat de vrouw niet in staat zou zijn haar wil te bepalen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de moeder ten tijde van het indienen van het verzoek tot echtscheiding of nadien leed of lijdt aan een geestelijke stoornis op grond waarvan zij niet in staat was om haar wil te bepalen. Of dat zij dat verzoek gedaan heeft onder invloed van bedreiging of misbruik van omstandigheden. Het hof is van oordeel dat de moeder voldoende heeft gesteld om aan te nemen dat het huwelijk duurzaam ontwricht is. 

 

Lees verder
 

Bruidsgave naar Iraans recht

Nr: 26080 Hoge Raad der Nederlanden, 17-07-2026 ECLI:NL:HR:2026:1293 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Huwelijksvermogensrecht
IPR
art. 14 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 en art. 10:6 BW.

Rechtsvraag

Brengt het enkele feit dat het Nederlandse recht geen khul echtscheiding kent, mee dat de bepalingen van het Iraanse recht over de khul echtscheiding terzijde kunnen worden geschoven bij de beoordeling van de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave?

Overweging

De Hoge Raad overweegt dat in cassatie vaststaat dat de rechten en verplichtingen van partijen ten aanzien van de bruidsgave worden beheerst door het Iraanse recht en oordeelt dat dit betekent dat de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave moet worden beoordeeld aan de hand van het Iraanse recht. Daartoe moet worden onderzocht welke betekenis naar Iraans recht toekomt aan de omstandigheid dat de Nederlandse rechter op verzoek van de vrouw, met toepassing van Nederlands recht, de echtscheiding tussen partijen heeft uitgesproken (zie hiervoor in 2.2.1), en de omstandigheid dat het Nederlandse recht geen khul echtscheiding kent. Voor de beoordeling van de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave kon het hof dan ook niet volstaan met zijn oordeel dat het Nederlandse recht geen khul echtscheiding kent.

De Hoge Raad merkt op dat na verwijzing moet worden onderzocht of de toepassing van het Iraanse recht op de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave leidt tot een resultaat dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde in de zin van art. 10:6 BW.

Lees verder