VAKnieuws

Erkenning van op 12-jarige leeftijd in Eritrea gesloten huwelijk

Nr: 26003 Rechtbank Rotterdam, 08-01-2026 ECLI:NL:RBROT:2026:3 Jurisprudentie Rechtseenheid Algemeen
Procesrecht
10:31 BW en 10:32 BW

Rechtsvraag

Kan het huwelijk erkend worden nu het huwelijk in Eritrea is gesloten toen de vrouw 12 jaar oud was?

Overweging

De vrouw heeft de echtscheiding verzocht. De rechtbank moet eerst beoordelen of het huwelijk kan worden erkend. De rechtbank concludeert dat het huwelijk naar Eritrees recht rechtsgeldig is geworden doordat de vrouw en de man na haar meerderjarigheid getrouwd zijn gebleven. Doordat het huwelijk is gesloten toen de vrouw 12 jaar was, is het huwelijk in beginsel niet voor erkenning vatbaar. De rechtbank erkent het huwelijk alsnog omdat de vrouw op meerderjarige leeftijd voor de Nederlandse burgerlijke stand onder ede heeft verklaard dat zij was gehuwd met de man. Daaruit maakt de rechtbank op dat de vrouw op dat moment, terwijl zij al meerderjarig was, het huwelijk erkend wilde zien.

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Ambtshalve beslissing contactregeling

Nr: 26004 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23-12-2025 ECLI:NL:GHARL:2025:8520 Jurisprudentie Rechtseenheid Jeugdrecht 1:265f lid 2 BW

Rechtsvraag

Kan het hof de contactregeling beëindigen terwijl de moeder in hoger beroep juist om een ruimere contactregeling verzoekt?

Overweging

Het kind staat onder toezicht en is uit huis geplaatst. In eerste aanleg is een contactregeling vastgelegd waarbij de moeder het kind eens per acht weken maximaal een uur kan zien onder begeleiding. De moeder komt daartegen in hoger beroep. Zij wil een ruimere regeling. Gelet op het verweer van de GI, waar nieuwe feiten en omstandigheden uit blijken, maakt het hof gebruik van de ambtshalve bevoegdheid uit artikel 1:265f BW om een regeling vast te stellen die het hof noodzakelijk vindt in het belang van het kind. En die regeling houdt in dat er voorlopig geen enkel contact plaatsvindt, totdat de moeder voldoet aan door de GI te stellen voorwaarden.

Cursussen binnenkort:

Lees verder

Al onze cursussen

Centrum Permanente Educatie biedt hoogwaardige juridische cursussen, afgestemd op de praktijk en verzorgd met enthousiasme en expertise.

Bekijken
 

Screening pleeggezin

Nr: 26002 Hoge Raad der Nederlanden, 19-12-2025 ECLI:NL:HR:2025:1948 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Jeugdrecht 392 Rv; 5.1 Jeugdwet; 1:247 BW en 1:248 BW

Rechtsvraag

Vraag 1 

Is het, gelet op het in de tussenbeschikking van 16 juli 2024 ten aanzien van het toepasselijke verdragsrecht en het wettelijk kader overwogene, mogelijk om een kind toch in een pleeggezin te plaatsen als geen pleegzorgscreening heeft plaatsgevonden, die screening niet positief is of wanneer de pleegzorgaanbieder tot de slotsom komt dat de plaatsing grote veiligheidsrisico's voor een kind met zich brengt en daarom geen verantwoordelijkheid voor die plaatsing wil dragen?

Vraag 2 

De rechter constateert dat in de huidige voogdijregeling een effectief rechtsmiddel om geschillen over de uitvoering van de voogdij aan de rechter voor te leggen, ontbreekt. Moet in geval van een zodanig geschil de rechter naar analogie art. 1:253a dan wel 1:377a BW toepassen, of is sprake van een zodanig hiaat in de huidige voogdijregeling dat dit de rechtsvormende taak van de rechter overstijgt en de wetgever in dit hiaat moet voorzien?

Overweging

Beantwoording vraag 1: De Hoge Raad oordeelt kort gezegd dat een negatieve uitkomst van de screening van het pleeggezin door de pleegzorgaanbieder niet als zodanig in de weg staat aan plaatsing van het kind bij dat gezin. De uitkomst van de screening zal voor de gecertificeerde instelling bij de bepaling van de verblijfplaats van het kind en voor de rechter bij het beslissen op het verzoek tot het verlenen of verlengen van een machtiging uithuisplaatsing wel een rol spelen maar ook andere informatie kan een rol spelen. De GI en de rechter moeten de veiligheid van het kind voorop stellen. 

Beantwoording vraag 2: De wet biedt voor de ouders zonder gezag geen regeling met betrekking tot geschillen over de uitvoering van de voogdij. Dat is geen hiaat in de wet waar de rechter in zou moeten voorzien.

 

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

X-registratie

Nr: 26001 Hoge Raad der Nederlanden, 19-12-2025 ECLI:NL:HR:2025:1959 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Algemeen 392 Rv; 8 EVRM; 393 lid 8 Rv

Rechtsvraag

De rechtbank Noord-Nederland heeft prejudiciële vragen gesteld over de mogelijkheid van wijziging en/of aanvulling van de geslachtsregistratie naar een non-binaire geslachtsregistratie, onder verwijzing naar de eerdere prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van  4 maart 2022 (ECLI:NL:HR:2022:336).

Overweging

Wederom ziet de Hoge Raad af van beantwoording van de prejudiciële vragen, omdat er nog geen wetgeving over non-binaire en/of geslachtsneutrale geslachtsregistratie bestaat en de Hoge Raad in de ontwikkelingen sinds de prejudiciële beslissing van 4 maart 2022 geen aanleiding ziet om nu anders te beslissen. 

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Verdeling aandelen uit de huwelijksgemeenschap

Nr: 26006 Gerechtshof Den Haag, 17-12-2025 ECLI:NL:GHDHA:2025:2756 Jurisprudentie Geschilbeslechting Huwelijksvermogensrecht 1:100 BW; 3:185 BW

Rechtsvraag

Hoe moeten de aandelen verdeeld worden en tegen welke waarde?

Overweging

In de ontbonden huwelijksgemeenschap vallen de aandelen in drie vennootschappen. De rechtbank heeft deze aandelen aan de man toegedeeld tegen een waarde van  € 4.675.925,- onder de verplichting de helft van de waarde aan de vrouw te voldoen. De man komt daar tegen op in hoger beroep. Hij vindt dat de aandelen geen waarde hebben omdat de vennootschappen flinke schulden hebben. Een van de vennootschappen is failliet verklaard. De man verzoekt onder meer primair om de aandelen aan de vrouw toe te delen tegen een waarde van nul euro. De vrouw is het daar niet mee eens en vindt dat de bestreden beschikking op dat punt moet worden bekrachtigd, en dat bij vernietiging van de beschikking alsnog een deskundigenonderzoek moet worden gelast naar de waarde van de aandelen en de omvang van de schulden, en de vraag of die door de vennootschappen kunnen worden terugbetaald.

Het hof deelt de aandelen toe aan de vrouw tegen een waarde van nul euro, onder de vermelding dat de vrouw als zij enig aandeelhouder is, zelf kan laten onderzoeken of de man als DGA wanbeleid heeft gevoerd en of er nog geld in de vennootschappen zit.

Lees verder
 

Gezamenlijk gezag gelijktijdig met vervangende toestemming erkenning

Nr: 25121 Hoge Raad der Nederlanden, 05-12-2025 ECLI:NL:HR:2025:1853 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Erkenning
Gezag en omgang
1:204 BW; 1:253c BW

Rechtsvraag

Kan de rechter bij de verlening van vervangende toestemming tot erkenning van een kind, gelijktijdig het gezamenlijk gezag over dat kind toekennen?

Overweging

Het hof heeft aan de man vervangende toestemming verleend tot erkenning van het kind, en daarbij direct ook onder opschortende voorwaarde van inschrijving van die erkenning in de registers van de burgerlijke stand, bepaald dat de man samen met de moeder van het kind het ouderlijk gezag zal uitoefenen. 

De moeder klaagt in cassatie dat het hof niet had kunnen beslissen over het gezag, omdat op grond van  artikel 1:253c lid 1 BW een verzoek tot toekenning van al dan niet gezamenlijk gezag over een kind alleen kan worden gedaan door de tot het gezag bevoegde ouder van het kind. De moeder betoogt dat zolang het kind niet is erkend, er geen tot gezag bevoegde ouder is, en het verzoek tot toekenning van al dan niet gezamenlijk gezag niet kan worden gedaan en niet inhoudelijk kan worden behandeld.

De Hoge Raad oordeelt dat de wet er niet aan in de weg staat dat een ouder die vervangende toestemming tot erkenning verzoekt, gelijktijdig een verzoek doet over het ouderlijk gezag. De rechter zal wel eerst het verzoek betreffende de erkenning moeten beoordelen. Daarnaast moet bij toewijzing van beide verzoeken voorkomen worden dat er gezamenlijk gezag tot stand komt terwijl de erkenning niet daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dat kan door de vervangende toestemming tot erkenning in een tu ssenbeschikking toe te wijzen, of zoals het hof heeft gedaan met een opschortende voorwaarde.

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Beëindiging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing na vier jaar

Nr: 25124 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 02-12-2025 ECLI:NL:GHARL:2025:7674 Jurisprudentie Geschilbeslechting Jeugdrecht Artikel 1:255 BW, 1:265b BW en 1:265c BW

Rechtsvraag

Is er nog grond voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing?

Overweging

De minderjarige woont al vier jaar in een pleeggezin. Volgens de vorige GI had de minderjarige zijn perspectief bij de pleegmoeder. De pleegmoeder is ernstig ziek en de minderjarige kan daar niet lang meer blijven. De nieuwe GI heeft positieve ervaringen met de moeder en ziet geen zorgen rondom het contact en haar opvoedvaardigheden meer. De nieuwe GI wil een nieuw perspectiefonderzoek uitvoeren, maar is daar door interne omstandigheden nog niet aan toe gekomen. 

Het hof vernietigt de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. De minderjarige kan volgens het hof weer bij de moeder wonen. De ondertoezichtstelling wordt praktisch al langere tijd niet meer uitgevoerd en de GI heeft niet duidelijk kunnen maken waarom overplaatsing naar een ander pleeggezin de voorkeur heeft boven terugplaatsing bij de moeder.

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Motiveringsplicht Wvggz zaken

Nr: 25123 Hoge Raad der Nederlanden, 28-11-2025 ECLI:NL:HR:2025:1798 Jurisprudentie Rechtseenheid Wvggz 6:4 lid 1 Wvggz

Rechtsvraag

Moet een kortdurende verlenging, onder aanhouding van de beslissing voor het overige uitgebreid worden gemotiveerd?

Overweging

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank bij het verlen(g)en van een machtiging tot verplichte zorg altijd moet motiveren  dat voor de vormen van verplichte zorg waarvoor de machtiging wordt verleend, is voldaan aan de criteria voor en het doel van verplichte zorg. Daarbij geldt dat de rechter mag volstaan met een verwijzing naar de medische verklaring en de overige aan het verzoek ten grondslag liggende stukken indien daaruit voldoende duidelijk blijkt dat is voldaan aan de criteria voor en het doel van de verplichte zorg. Dit geldt ook als de machtiging slechts voor korte duur wordt verlengd onder aanhouding van de beslissing over de verdere verzochte duur.

Lees verder
 

Betrokkene gehoord in onjuiste taal

Nr: 25122 Hoge Raad der Nederlanden, 28-11-2025 ECLI:NL:HR:2025:1809 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Wvggz Art. 5:8 lid 1 Wvggz; art. 5:17 lid 3 Wvggz; art. 6:4 Wvggz; art. 5 EVRM

Rechtsvraag

Voldoet het onderzoek van de psychiater aan de wettelijke maatstaven?

Overweging

Uit het systeem van de Wvggz, in het bijzonder uit art. 5:8 lid 1 Wvggz in verbinding met art. 5:17 lid 3 Wvggz en art. 6:4 Wvggz, volgt, mede gelet op art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM, dat geen zorgmachtiging mag worden verleend indien de medische verklaring die ten grondslag ligt aan het daartoe strekkende verzoek niet voldoet aan de uit de wet voortvloeiende eisen. De rechtbank moet ambtshalve onderzoeken of aan de wettelijke vereisten is voldaan.

De psychiater heeft betrokkene tijdens het onderzoek laten bijstaan door een Somalische tolk. Betrokkene zou daar zelf om gevraagd hebben. Betrokkene spreekt echter Dari en komt niet uit Somalië. Daardoor staat onvoldoende vast of betrokkene is gehoord in een taal die hij begrijpt. De Hoge Raad vernietigt de beschikking.

Lees verder
 

Samenhang echtscheiding en nevenverzoeken

Nr: 25125 Gerechtshof Amsterdam, 25-11-2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:3143 Jurisprudentie Geschilbeslechting Echtscheiding 827 Rv

Rechtsvraag

Mocht de echtscheiding worden uitgesproken onder aanhouding van de beslissing op de nevenverzoeken?

Overweging

De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en de beslissingen op de nevenverzoeken aangehouden. De vrouw komt daartegen in hoger beroep. Zij is ernstig ziek en terminaal. Zij stelt dat zij er daarom belang bij heeft dat de echtscheiding pas wordt uitgesproken wanneer gelijktijdig kan worden beslist op de nevenverzoeken. De man stelt dat hij juist belang heeft bij het direct uitspreken van de echtscheiding, omdat de vrouw terminaal is. 

Het hof oordeelt dat  door de vrouw onvoldoende bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd, waardoor de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen zou moeten worden hersteld door tezelfdertijd te beslissen op die verzoeken.

Lees verder
 

Hoger beroep tegen schorsing tenuitvoerlegging

Nr: 25126 Gerechtshof Amsterdam, 25-11-2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:3140 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Alimentatie
Procesrecht
438 lid 3 Rv

Rechtsvraag

Heeft de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van de beschikking over de kinder- en partneralimentatie terecht geschorst in afwachting van het hoger beroep tegen die beschikking?

Overweging

De voorzieningenrechter heeft de tenuitvoerlegging van de beschikking over de kinder- en partneralimentatie geschorst in afwachting van het hoger beroep tegen die beschikking. 

De vrouw is in hoger beroep gegaan tegen het vonnis van de voorzieningenrechter. Het hof oordeelt, anders dan de voorzieningenrechter, dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat hij in een noodsituatie komt als de tenuitvoerlegging niet wordt geschorst. Dat hij in loondienst een lager inkomen heeft dan toen hij als zzp'er werkte betekent niet per se dat hij niet aan zijn onderhoudsverplichtingen kan voldoen. De man moet zijn noodsituatie aantonen, onder meer door inzicht te verschaffen in zijn vermogenspositie.

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Wvggz: opstellen eigen plan van aanpak

Nr: 25115 Hoge Raad der Nederlanden, 21-11-2025 ECLI:NL:HR:2025:1736 Jurisprudentie Rechtseenheid GGZ art. 5:4 lid 2 onder a en c Wvggz jo. art. 5:5 lid 1 Wvggz; 6:2 lid 3 Wvggz

Rechtsvraag

Is de officier van justitie niet-ontvankelijk als hij de betrokkene niet in de gelegenheid heeft gesteld een eigen plan van aanpak te maken? En is een medische verklaring vereist indien de rechter de betrokkene in de gelegenheid stelt een eigen plan van aanpak te maken?

Overweging

De Hoge Raad oordeelt dat het feit dat de officier van justitie de betrokkene niet voor het indienen van het verzoek in de gelegenheid heeft gesteld een eigen plan van aanpak te maken en zich daarbij te laten bijstaan door familieleden, niet leidt tot niet-ontvankelijk. De Wvggz verbindt geen sanctie aan het niet voldoen aan deze informatieplicht uit artikel  5:4 lid 2, aanhef en onder a respectievelijk c, Wvggz. 

In casu heeft betrokkene alsnog zelf een plan van aanpak ingediend.  Een dergelijk geval moet op één lijn worden gesteld met het in art. 6:2 lid 3 Wvggz bedoelde geval waarin de rechter de betrokkene in de gelegenheid stelt zelf een plan van aanpak op te stellen. Op grond van artikel 5:8 Wvggz moet dan een nieuwe medische verklaring van een onafhankelijke psychiater worden opgesteld ter beoordeling van het plan van aanpak. Dat is in casu niet gebeurd. De verklaringen van de sociaalpsychiatrisch verpleegkundige en de casemanager ter zitting volstaan daartoe niet.  De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank.

Lees verder