VAKnieuws

Opzettelijk verzwegen goederen

Nr: 26021 Gerechtshof Amsterdam, 17-02-2026 ECLI:NL:GHAMS:2026:367 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Huwelijksvermogensrecht 3:194 lid 2 BW

Rechtsvraag

Kan artikel 1:394 lid 2 BW van toepassing zijn als de andere deelgenoot wel op de hoogte was van het bestaan van het verborgen goed?

Overweging

Het hof overweegt als volgt. Uit artikel 3:194 lid 2 vloeit niet voort dat de deelgenoot aan wie het aandeel van de andere deelgenoot wordt verbeurd met het bestaan van het verzwegen goed compleet onbekend moet zijn. Naar het oordeel van het hof geldt artikel 3:194 lid 2 BW juist onder omstandigheden als hier gegeven, ten aanzien van goederen waarvan de andere deelgenoot -in dit geval de man- het bestaan tot op zekere hoogte kent, maar het goed niet in zijn macht heeft en de precieze omvang niet kan kennen. In de onderhavige zaak vormt het door de vrouw meerdere keren ontkennen van de aanwezigheid van contant geld in de kluis in combinatie met haar passieve houding als deelgenoot bij het verkrijgen van openheid over de inhoud van de kluis omstandigheden die maken dat artikel 3:194 lid 2 BW van toepassing is, ook nu de man wist van aanwezigheid van contant geld in de kluis.

Lees verder
 

Peildatum waarde woning

Nr: 26020 Gerechtshof Amsterdam, 17-02-2026 ECLI:NL:GHAMS:2026:385 Jurisprudentie Geschilbeslechting Huwelijksvermogensrecht 3:182 BW; 1:100 BW

Rechtsvraag

Naar welke peildatum moet in de verdeling de waarde van de woning bepaald worden?

Overweging

Partijen hebben in 2018 bij het hof een schikking bereikt over de wijze van verdeling van de woning. Die hebben zij niet volledig uitgevoerd. In 2024 is de woning nog steeds niet verdeeld. De man heeft de woning verkocht en de notaris heeft de helft van de overwaarde in depot gelaten. In geschil is de vraag of de vrouw recht heeft op de helft van de overwaarde anno 2024 of dat zij recht heeft op de helft van de overwaarde anno 2018. Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank dat de vrouw recht heeft op de helft van de overwaarde anno 2018. Partijen hebben immers in 2018 al afspraken gemaakt over de verdeling en de vrouw heeft nadien ook geen kosten betaald voor de woning en geen gebruiksvergoeding verzocht. Partijen hebben zich gedragen alsof de woning in 2018 al verdeeld was.

Lees verder

Al onze cursussen

Centrum Permanente Educatie biedt hoogwaardige juridische cursussen, afgestemd op de praktijk en verzorgd met enthousiasme en expertise.

Bekijken
 

Verhuisvergoeding bewindvoerder

Nr: 26022 Rechtbank Oost-Brabant, 13-02-2026 ECLI:NL:RBOBR:2026:1060 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Curatele, bewind en mentorschap artikel 1:447 lid 1 BW juncto artikel 3 lid 5 sub b van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren

Rechtsvraag

Heeft de bewindvoerder recht op een verhuiskostenvergoeding als de bewindvoerder enkel administratieve werkzaamheden heeft verricht rondom de verhuizing?

Overweging

De kantonrechter is van oordeel dat de bewindvoerder enkel aanspraak kan maken op de forfaitaire verhuiskostenvergoeding indien werkzaamheden zijn verricht in het kader van de verhuizing die niet onder de standaard jaarbeloning vallen. Oftewel: er moeten andere werkzaamheden zijn gesteld en verricht dan (de standaard) administratieve werkzaamheden. Uit de door de bewindvoerder gegeven opsomming blijkt hier niet van. Er bestaat daarom geen recht op de forfaitaire verhuiskostenvergoeding. De kantonrechter zal dan ook het beloningsverzoek afwijzen.

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Ouderlijk gezag niet ter vrije bepaling ouders

Nr: 26024 Rechtbank Rotterdam, 12-02-2026 ECLI:NL:RBROT:2026:1883 Jurisprudentie Rechtseenheid Gezag en omgang 1:251a BW

Rechtsvraag

Kunnen de ouders afspreken dat een van het met het eenhoofdig gezag belast zal worden?

Overweging

Het ouderlijk gezag staat niet ter vrije bepaling van partijen. Het ouderlijk gezag omvat namelijk niet alleen het recht maar ook de plicht tot verzorging en opvoeding van het kind. De ouders kunnen dus niet in het ouderschapsplan overeenkomen dat de vrouw met het eenhoofdig gezag belast zal worden en dat de man er aan zal meewerken om dit te bewerkstelligen. De rechtbank toetst of is voldaan aan een van de gronden uit artikel 1:251a BW maar is van oordeel dat daar niet aan is voldaan. Het hof wijst het verzoek om de vrouw met het eenhoofdig gezag te belasten daarom af.

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Toepassing Syrisch huwelijksvermogensrecht

Nr: 26023 Rechtbank Rotterdam, 12-02-2026 ECLI:NL:RBROT:2026:1651 Jurisprudentie Geschilbeslechting Huwelijksvermogensrecht
IPR
Huwelijksvermogensverdrag 1978

Rechtsvraag

Moeten de eigendommen bij helfte worden verdeeld?

Overweging

De vrouw wil dat de goederen en het vermogen bij helfte worden verdeeld. Maar het Syrisch huwelijksvermogensrecht is van toepassing. Het Syrisch recht kent geen algehele gemeenschap van goederen. De inboedel moet bij helfte worden verdeeld en partijen moeten beiden de helft van de schulden betalen.

Lees verder
 

Beleggingsleer bij vergoedingsrechten

Nr: 26019 Gerechtshof Den Haag, 04-02-2026 ECLI:NL:GHDHA:2026:180 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Huwelijksvermogensrecht 1:87 BW

Rechtsvraag

Moet het vergoedingsrecht naar aanleiding van de aflossing op een schuld worden berekend aan de hand van de beleggingsleer op grond van artikel 1:87 lid 2 sub a BW of 1:87 lid 2 sub b BW?

Overweging

In de parlementaire geschiedenis staat vermeld dat in het geval van een vergoedingsrecht dat is ontstaan naar aanleiding van een aflossing op een geldlening die is aangegaan ten behoeve van de koop van een woning, de beleggingsleer ex artikel 1:87 lid 2 sub a BW moet worden toegepast. In dat geval moet de hoogte van het vergoedingsrecht worden berekend als volgt: (hoogte aflossing/waarde woning bij aangaan woning) x waarde woning bij verzilveren vergoedingsrecht. 

Het Hof Den Haag wijkt in deze zaak van de parlementaire geschiedenis is, en beslist dat de hoogte van het vergoedingsrecht volgens de letter van de wet moet worden berekend ex 1:87 lid2 sub b BW, als volgt: (hoogte aflossing/waarde woning op het moment van aflossing) x waarde woning bij verzilveren vergoedingsrecht. Het hof oordeelt dat wat in de parlementaire geschiedenis is overwogen afwijkt van de wettekst en niet juist is, en tot een onredelijke uitkomst leidt. Het hof verwijst naar het artikel van prof. mr. P.C. van Es, ‘Huwelijksvermogensrechtelijk beleggen met voorkennis’, in: J.H.M. ter Haar e.a. (red), Met grootse passen door het recht. Footprints in law (Ars Notariatus nr. 183), Deventer: Wolters Kluwer 2024/7.

Lees verder
 

Wagonstelsel, openbare orde exceptie en uitleg Iraans recht

Nr: 26014 Hoge Raad der Nederlanden, 30-01-2026 ECLI:NL:HR:2026:126 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Huwelijksvermogensrecht
IPR
art. 13 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 juncto art. 1:115 lid 1 BW

Rechtsvraag

Welk huwelijksvermogensrecht is van toepassing op het huwelijksvermogen van partijen? En hoe moet dat worden uitgelegd?

Overweging

Partijen zijn gehuwd in Iran en op dat moment had de vrouw enkel de Iraanse nationaliteit. De man had de Nederlandse nationaliteit. In de huwelijksakte is een voorwaarde opgenomen luidende dat de vrouw bij echtscheiding op initiatief van de man, aanspraak maakt op de helft van zijn vermogen mits zij zich goed en niet onzedelijk heeft gedragen. Het hof heeft geoordeeld dat paritjen dus zijn gehuwd met huwelijkse voorwaarden en dat het wagonstelsel daarom niet van toepassing is. Het Iraans huwelijksvermogensrecht geldt voor het tijdens het hele huwelijk opgebouwde vermogen.

Partijen hebben ter zitting bij de rechtbank een rechtskeuze gemaakt voor het Nederlands recht. De Hoge Raad oordeelt dat deze rechtskeuze niet aan het vormvereiste van een notariële akte voldoet. Het hof is daar terecht aan voorbij gegaan.

Het hof heeft geoordeeld dat de voorwaarde dat de vrouw zich goed en niet onzedelijk heeft gedragen, in strijd is met de Nederlandse openbare orde. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft getoetst aan de openbare orde exceptie, ook al hebben partijen daar geen grieven over aangevoerd. De openbare orde exceptie is van openbare orde.

Het hof laat wat er overblijft van de huwelijkse voorwaarden, dat de vrouw in dat geval zonder voorwaarden aanspraak maakt op de helft van het vermogen van de man, verder buiten toepassing omdat  de ratio van de oorspronkelijk door partijen gesloten huwelijkse voorwaarden is gelegen in de beschermingsgedachte en de bedoeling dat de vrouw bij het einde van het huwelijk door echtscheiding voldoende financieel verzorgd moet achterblijven, en dat het in strijd is met deze ratio indien de vrouw nu een onvoorwaardelijk recht zou hebben (gekregen) op het vermogen van de man; hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat een onvoorwaardelijke verdeling bij helfte van het vermogen in Iran in de praktijk bijna nooit voorkomt. Ten slotte heeft het hof overwogen dat, nu de huwelijkse voorwaarden van partijen voor het overige geen bepalingen ten aanzien van verrekening van vermogen inhouden, het Iraans wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen geldt.

De Hoge Raad oordeelt dat deze uitleg van het Iraans recht, mede in het licht bezien van het IJI-advies, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. De Hoge Raad verwijst de zaak naar een ander hof met de opdracht aan het hof  om aan de hand van het toepasselijke Iraanse recht te bepalen in hoeverre de vrouw een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak kan ontlenen aan de huwelijkse voorwaarden in het geval dat de gewraakte bepaling wegens strijd met de Nederlandse openbare orde buiten toepassing blijft. Dit betekent dat het hof moet onderzoeken op welke wijze naar Iraans recht moet worden omgegaan met de omstandigheid dat een gedeelte van een tussen partijen overeengekomen clausule in de huwelijkse voorwaarden (bijvoorbeeld wegens partiële nietigheid van die clausule) buiten toepassing blijft.

Lees verder
 

Terugbetalingsverplichting bij wijziging partneralimentatie

Nr: 26013 Hoge Raad der Nederlanden, 30-01-2026 ECLI:NL:HR:2026:132 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Alimentatie 1:401 BW; 1:402 BW

Rechtsvraag

Moet de alimentatieplichtige die terugbetaling wil, inzichtelijk maken wat hij aan partneralimentatie heeft betaald?

Overweging

De Hoge Raad herhaalt de eerder door de Hoge Raad geformuleerde regels met betrekking tot het wijzigen van alimentatie met ingang van een datum die is gelegen voor de datum van de beschikking. De Hoge Raad vult daar nu op aan:

Indien de rechter een eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage verlaagt met ingang van een tijdstip dat is gelegen vóór de datum van zijn uitspraak en de onderhoudsplichtige in verband daarmee verzoekt om terugbetaling van hetgeen de onderhoudsgerechtigde in de voorafgaande periode te veel heeft ontvangen, moet de rechter aan de hand van de hiervoor in 3.3 weergegeven regels beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen laatstgenoemde in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds heeft uitgegeven. Aan die beoordeling staat niet in de weg dat de onderhoudsplichtige geen of onvoldoende inzicht heeft gegeven in hetgeen hij in de voorafgaande periode daadwerkelijk heeft betaald.

Lees verder
 

Adoptie

Nr: 26017 Rechtbank Gelderland, 23-01-2026 ECLI:NL:RBGEL:2026:561 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Afstamming en adoptie 1:198 sub e BW

Rechtsvraag

Kan de verzoekster het kind adopteren terwijl doordat zij geregistreerd partner is van de moeder van het kind,  de huidige regelgeving meebrengt dat verzoekster van rechtswege het ouderschap zou kunnen verkrijgen?

Overweging

De rechtbank wijst het verzoek tot adoptie toe omdat aan alle wettelijke voorwaarden voor adoptie is voldaan. De verzoekster en de moeder hebben toegelicht dat zij kiezen voor de weg van adoptie omdat dit in sommige landen beter wordt erkend dan het juridisch ouderschap van de niet-dragende moeder door erkenning. De rechtbank acht dit een gerechtvaardigd belang.

Lees verder
 

Kindgesprek

Nr: 26018 Rechtbank Noord-Nederland, 23-01-2026 ECLI:NL:RBNNE:2026:150 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Procesrecht
Gezag en omgang
artikel 12 IVRK; artikel 809 Rv

Rechtsvraag

Moet de rechter de kinderen van 7 en 9 jaar horen?

Overweging

De rechter heeft besloten de kinderen niet uit te nodigen voor een kindgesprek. Het zijn erg kwetsbare kinderen van zeven en negen jaar oud  die veel spanning ervaren over hun perspectief. Met name deze rechtszaak is voor hen beladen. De kinderen zijn op de hoogte gesteld van de datum van de mondelinge behandeling en denken dat de rechter dan zal bepalen of zij wel of niet bij de vader gaan wonen. In deze situatie zou een gesprek of een uitnodiging voor een gesprek een ongewenste druk op de kinderen leggen, die wellicht menen dat de uitkomst van de zaak afhankelijk is van wat zij zeggen. De rechter vindt het daarom in strijd met het belang van de kinderen om hen voor een gesprek uit te nodigen en verwijst naar ECLI:NL:HR:2013:1084. Daarbij weegt de rechter mee dat de kinderen al een stem in deze procedure hebben doordat zij door de raadsmedewerker zijn gesproken en dat het participatierecht van kinderen tot doel heeft hen een stem te geven in de beslissingen die over hen worden genomen, en niet is bedoeld om aan waarheidsvinding te doen ten behoeve van een belanghebbende.

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Intended family life

Nr: 26015 Gerechtshof Den Haag, 21-01-2026 ECLI:NL:GHDHA:2026:54 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Gezag en omgang 8 EVRM

Rechtsvraag

Is de man ontvankelijk in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling?

Overweging

De man is de biologische vader van het kind, en er is nog nooit contact geweest tussen de man en het kind. Het kind is dertien jaar oud. Het hof oordeelt dat er geen sprake is van family life in de zin van artikel 8 EVRM. H et hof beoordeelt daarom of sprake is van bijkomende feiten en omstandigheden, bestaande uit een duurzaam gebleken wens tot contact (intended family life), op grond waarvan het alsnog zou moeten onderzoeken of het belang van de minderjarige bij dat contact gebaat is. Het hof oordeelt dat daar geen sprake van is. De man heeft onvoldoende gesteld, en de vrouw heeft gemotiveerd betwist, dat er sprake is geweest van een vrijwillige gezamenlijke intentie tot het krijgen van een kind. De man heeft de vrouw mishandeld en is daarvoor veroordeeld. De vrouw is gevlucht toen zij er achter kwam dat zij zwanger was. De twee pogingen die de man in de afgelopen dertien jaar heeft gedaan om contact met het kind te krijgen, acht het hof onvoldoende.

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Met erflater getrouwde verzorgende kan geen erfgenaam zijn

Nr: 26008 Hoge Raad der Nederlanden, 16-01-2026 ECLI:NL:HR:2026:62 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Erfrecht 4:59 BW; 4:60 BW

Rechtsvraag

Maakt voor de vraag of de echtgenote  als beroepsbeoefenaar op het gebied van de individuele gezondheidszorg in de zin van art. 4:59 BW moet worden aangemerkt, nog uit of zij al dan niet BIG-geregistreerd was?

Overweging

De Hoge Raad oordeelt dat het voor de vraag of de echtgenote een beroepsbeoefenaar in de zin van artikel 4:59 BW was, niet uit maakt of zij BIG-geregistreerd was. De Wet BIG geeft aan dat een BIG-registratie voorwaarde is voor het voeren van bepaalde titels en het uitoefenen van bepaalde zorgtaken, maar het is niet zo dat een BIG-registratie een voorwaarde is voor het mogen uitoefenen van een beroep in de individuele gezondheidszorg.

De echtgenote kan niet van de erflater erven omdat zij de erflater heeft verzorgd gedurende de ziekte waaraan hij overleden is.

Cursussen binnenkort:

Lees verder