VAKnieuws
AdoptieRechtsvraagKan de verzoekster het kind adopteren terwijl doordat zij geregistreerd partner is van de moeder van het kind, de huidige regelgeving meebrengt dat verzoekster van rechtswege het ouderschap zou kunnen verkrijgen? OverwegingDe rechtbank wijst het verzoek tot adoptie toe omdat aan alle wettelijke voorwaarden voor adoptie is voldaan. De verzoekster en de moeder hebben toegelicht dat zij kiezen voor de weg van adoptie omdat dit in sommige landen beter wordt erkend dan het juridisch ouderschap van de niet-dragende moeder door erkenning. De rechtbank acht dit een gerechtvaardigd belang. |
|
Machtiging tot uithuisplaatsing afgewezenRechtsvraagIs het noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid om uit huis geplaatst te worden? OverwegingDe rechtbank wijst het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een netwerkpleeggezin (familie van de vader) af. De crisissituatie bij de moeder is voorbij. De moeder en de minderjarige staan niet achter de uithuisplaatsing. Daarnaast woont het netwerkpleeggezin 30 kilometer bij de school en sport van de minderjarige vandaan, waardoor de negatieve effecten van de beoogde uithuisplaatsing niet opwegen tegen de verwachte positieve effecten. Tot slot kan het in deze casus, waarin veel strijd is tussen de ouders, juist nadelig zijn dat naar een netwerkpleeggezin is gezocht. Cursussen binnenkort:Al onze cursussenCentrum Permanente Educatie biedt hoogwaardige juridische cursussen, afgestemd op de praktijk en verzorgd met enthousiasme en expertise. Bekijken |
|
Voorlopige voorziening vervangende toestemming om kind uit de VS terug te laten kerenRechtsvraagKan de rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening beslissen dat het kind naar Nederland moet terugkeren? OverwegingDe moeder is met toestemming van de vader met de kinderen op vakantie gegaan naar de Verenigde Staten maar is daar vervolgens gebleven. Het toeristenvisum van de moeder en kinderen is inmiddels verlopen, en ICE heeft al bij hen aan de deur gestaan. Het risico op een deportatieprocedure, met mogelijke traumatische gebeurtenissen, is aanwezig. De rechtbank verleent aan de vader bij wijze van voorlopige voorziening vervangende toestemming om kind 3 naar Nederland te laten reizen. De rechtbank acht het in dit geval niet in het belang van het kind om een teruggeleidingsprocedure in de Verenigde Staten af te wachten, en acht zich in de gegeven omstandigheden bevoegd om te beslissen. Cursussen binnenkort: |
|
Man woont samen als ware hij gehuwdRechtsvraagWoont de man samen als ware hij gehuwd? Moet de man de kosten van het detectivebureau betalen? Is de man onrechtmatig geobserveerd? OverwegingDe man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw partneralimentatie aan hem moet betalen. De vrouw heeft van haar zoon gehoord dat de man samenwoont met zijn vriendin. Zij laat gedurende vijf maanden observaties uitvoeren door een detectivebureau. Op grond van de observaties, komt de rechtbank tot de conclusie dat de man samenwoont als het ware hij gehuwd. Hoewel de man en zijn vriendin ieder een eigen woning hebben, is er sprake van wederzijdse verzorging. De rechtbank bepaalt ook, op verzoek van de vrouw, dat de man de kosten van het detectivebureau van € 12.769,97 moet betalen. De rechtbank oordeelt dat aan de voorwaarden van artikel 6:96, tweede lid, aanhef en onder b, BW is voldaan. De man maakt geen aanspraak op een schadevergoeding wegens onrechtmatig uitgevoerde observaties. Er zijn geen observaties geweest in situaties, waarin de alimentatiegerechtigde er aanspraak op moet kunnen maken onbevangen zichzelf te zijn en het rapport beperkt zich tot de waarneming van die gedragingen die relevant zijn voor de beoordeling van de samenwoning in de zin van artikel 1:160 BW. Cursussen binnenkort: |
|
Gezamenlijk gezag met stiefouderRechtsvraagGeldt de eis dat de moeder drie jaar met het eenhoofdig gezag belast moet zijn voordat zij kan verzoeken naast haar ook haar nieuwe partner met het ouderlijk gezag te belasten, onverminderd als de vader van het kind is overleden? OverwegingDe moeder en de stiefvader zijn al samen sinds de zwangerschap van het kind, en de stiefvader heeft al vanaf de geboorte voor het kind gezorgd. De moeder verzoekt de stiefvader naast haar met het ouderlijk gezag over het kind te belasten. Artikel 1:253t BW eist (onder meer) dat de moeder ten minste gedurende drie jaar met het eenhoofdig gezag belast moet zijn geweest. Aan die eis is niet voldaan. De rechtbank gaat aan deze eis voorbij omdat de vader is overleden. Cursussen binnenkort: |
|
AdoptieRechtsvraagKan adoptie worden toegestaan wanneer de verzoekers niet voldoen aan het vereiste dat zij drie jaar moeten hebben samengewoond? OverwegingDe rechtbank overweegt dat op grond van artikel 3 van het IVRK de belangen van het kind voorop moeten staan. De rechtbank acht de adoptie vanwege alle omstandigheden in het belang van het kind, en gaat daarom voorbij aan het vereiste dat de verzoekers tenminste drie jaar moeten hebben samengewoond. Verzoekers hebben niet samengewoond en gaan waarschijnlijk ook niet samenwonen. |
|
Verschil lidstaat en derde staat bij bevoegdheid Brussel II-bisRechtsvraagIs de Nederlandse rechter bevoegd inzake nog onbesliste verzoeken die bij de Spaanse rechter aanhangig zijn? OverwegingDe beslissing van de Spaanse rechter heeft betrekking op de ouderlijke verantwoordelijkheid en valt daarmee binnen het materieel toepassingsgebied van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (hierna: Brussel II-bis). Op grond van artikel 8 lid 1 Brussel II-bis komt ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegdheid toe aan de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Op het moment dat de verzoeken bij de Spaanse rechter zijn gedaan, had [de minderjarige] zijn gewone verblijfplaats nog in Spanje. Dit wordt door de moeder ook niet betwist. Wel stelt zij dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] gedurende de procedure in Spanje is gewijzigd naar Nederland. Zij stelt dat de Spaanse rechter daardoor niet langer bevoegd was om nog te beslissen over de daar voorliggende verzoeken. De moeder verwijst in dat kader naar een uitspraak van het Hof van Justitie met kenmerk C-572/21, CC tegen VO. Zij verzoekt voor recht te verklaren dat de Spaanse rechtbank op 29 juni 2021 en/of het Spaanse Gerechtshof op 25 maart 2022 onbevoegd waren om te oordelen over het ouderlijk gezag en/of de omgangsregeling. De rechtbank wijst dit verzoek van de moeder af. Uit de door de moeder genoemde uitspraak van het Hof van Justitie blijkt dat een rechterlijke instantie van een lidstaat op grond van de Verordening Brussel II-bis bevoegd is om te oordelen over een geding inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid indien het kind zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft op het tijdstip van het aanhangig maken van het geding. De rechterlijke instantie verliest die bevoegdheid wanneer de gewone verblijfplaats van het kind tijdens het geding wordt overgebracht naar het grondgebied van een derde staat die partij is bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag. In die zaak ging het om een kind waarvan de gewone verblijfplaats van Zweden (een lidstaat) wisselde naar Rusland (een derde staat). Nu het in de procedure over [de minderjarige] gaat om een wisseling van Spanje naar Nederland, beiden lidstaten , is de door de moeder genoemde uitspraak niet van toepassing op de situatie van [de minderjarige] . De Spaanse rechter is de bevoegdheid niet verloren door de verhuizing van [de minderjarige] naar Nederland. De Verordening Brussel II-bis garandeert de erkenning van een uit een andere lidstaat afkomstige beslissing. De rechtbank stelt dan ook vast dat partijen op grond van de uitspraak van de rechtbank in Spanje van 29 juni 2021, bekrachtigd bij vonnis van het Spaanse Gerechtshof van 25 maart 2022, gezamenlijk het gezag uitoefenen over [de minderjarige] . Cursussen binnenkort: |
|
GGZ: beroep op wilsbekwaamheidRechtsvraagIs betrokkene wilsbekwaam ten aanzien van zijn weigering van verplichte zorg? OverwegingDe rechtbank zal allereerst ingaan op het verweer van de advocaat van betrokkene met betrekking tot de wilsbekwaamheid van betrokkene. Artikel 2:1, lid 6, van de Wvggz bepaalt dat de wensen en voorkeuren van de betrokkene ten aanzien van de verplichte zorg worden gehonoreerd, tenzij:
Uit de toelichting op deze bepaling volgt dat zogeheten wilsbekwaam verzet moet worden gerespecteerd, indien de psychische stoornis van de patiënt alleen een aanmerkelijke kans op schade voor de betrokkene zelf veroorzaakt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 februari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:123) overwogen dat het voorgaande betekent dat indien de betrokkene tijdens de procedure tot het verlenen van een zorgmachtiging een voldoende toegelicht bezwaar maakt tegen de voorgestelde verplichte zorg en de situaties als bedoeld in art. 2:1 lid 6, aanhef en onder b, Wvggz zich niet voordoen, de rechter dient te beoordelen of de betrokkene wilsbekwaam is. Dit betekent dat de rechtbank pas toekomt aan een beoordeling van de wilsbekwaamheid als: - er een voldoende toegelicht bezwaar is gemaakt tegen de voorgestelde verplichte zorg èn - er geen sprake is van een situatie als in bedoeld in artikel 2:1 lid 6 Wvggz. In dit geval is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een voldoende toegelicht bezwaar tegen de afzonderlijke vormen van verplichte zorg. Weliswaar is er bezwaar gemaakt tegen een aantal vormen van verplichte zorg, maar betrokkene heeft niet nader onderbouwd waarom deze vormen van zorg in haar specifieke geval niet nodig zouden zijn. Zo heeft betrokkene ten aanzien van de verplichte medicatie enkel naar voren gebracht dat zij deze zal gebruiken als de arts dat nodig vindt. De rechtbank kan dit niet kwalificeren als een voldoende toegelicht bezwaar. De rechtbank komt daarom niet toe aan een beoordeling van de wilsbekwaamheid. |
|
Bepalen netto besteedbaar gezinsinkomen bij inkomen verdiend in het buitenlandRechtsvraagHoe dient het netto besteedbaar gezinsinkomen worden berekend bij een belastingplicht in het buitenland? OverwegingNiet ter discussie staat dat de vrouw geen inkomsten had en het netto besteedbaar gezinsinkomen aldus gevormd wordt door het inkomen van de man. De man is belastingplichtig in [het buitenland] . Blijkens de door de vrouw overgelegde [buitenlandse] belastingaanslag ( [buitenlandse naam] ) over het jaar 2018 had de man een bruto inkomen van € 312.408. Dit inkomen staat tussen partijen niet ter discussie. Partijen verschillen wel van mening over de hoogte van de te heffen belastingen in [het buitenland] , hetgeen relevant is voor de berekening van het netto inkomen van de man. De vrouw heeft onder verwijzing naar de [buitenlandse] belastingaanslag over het jaar 2018 gesteld dat de belastingheffing in 2018 € 88.602 bedroeg. De man heeft gesteld dat de vrouw van een te laag belastingtarief uitgaat en heeft gesteld dat rekening gehouden moet worden met een heffing van € 100.259 (van een belastingvrije voet, via 14% en 30% naar het hoogste tarief van 41%). Hij heeft verder aangevoerd dat er rekening gehouden moet worden met de loonheffing in Nederland van €9.483 in 2018. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de man niet overeenkomt met hetgeen in de [buitenlandse] belastingaanslag over het jaar 2018 valt af te leiden. In deze aangifte staat immers dat er een bedrag van € 88.602 aan belasting is ingehouden. Uit de door de man overgelegde salarisafrekening van december 2018 blijkt ook niet dat de man in het jaar 2018 in Nederland loonbelasting moest betalen. De rechtbank zal de vrouw dan ook volgen in haar standpunt en uitgaan van een belastingheffing van € 88.602. Het netto besteedbaar gezinsinkomen bedroeg in 2018 dan ook € 223.806 per jaar (€ 312.408 -/- € 88.602), zijnde € 18.650,50 per maand. Cursussen binnenkort: |
|
Spanningsveld tussen contractsvrijheid en kinderalimentatieRechtsvraagZijn de contractuele afspraken over de kinderalimentatie – waarbij de man geen kinderalimentatie hoeft te betalen omdat partijen gelijk netto besteedbaar inkomen hebben en verblijfsoverstijgende kosten delen – nietig? OverwegingKortom: de afspraken die partijen maken zijn niet zonder meer geldig, maar de rechter mag hier ook niet zomaar van afwijken. Als de rechter na eigen onderzoek vaststelt dat rekening is gehouden met de behoefte van de kinderen en de draagkracht van partijen, en er dus niet is gecontracteerd in strijd met de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 1:404 BW, kunnen de afspraken in stand worden gelaten. De rechtbank merkt hierbij op dat deze regels er zijn om ervoor te zorgen dat kinderen niet tekort komen als gevolg van de afspraken tussen hun ouders. (...) Uit het voorgaande blijkt dus dat de kinderen tekort worden gedaan door de gemaakte afspraak uit het ouderschapsplan. De man draagt niet bij naar zijn draagkracht. De afspraak van partijen is daarom nietig. Daarom zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek en de kinderalimentatie vaststellen als een ‘eerste vaststelling’. De beantwoording van de vraag die in de beschikking van 20 juli 2020 is neergelegd, namelijk of er sprake is van een ingrijpende wijziging van omstandigheden, kan daarom achterwege blijven. De rechtbank heeft hiervoor de hoogte van de kinderalimentatie berekend aan de hand van de wettelijke maatstaven. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de man met € 119 per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van de kinderen. De rechtbank zal de ingangsdatum bepalen op de datum van deze beschikking. Gelet op de financiële positie van beide partijen en hun schuldenlast, acht de rechtbank het onwenselijk als aan de zijde van de man nog een schuld ontstaat in de vorm van achterstallige alimentatie. De rechtbank zal daarom geen eerdere ingangsdatum vaststellen zoals verzocht door de vrouw. Cursussen binnenkort: |
|
Slapend dienstverband en informatieverplichtingRechtsvraagHoe ver reikt de informatieverplichting van de werkgever in het kader van slapende dienstverbanden in het zicht van pensionering? OverwegingZo [gedaagde] [eiser] in of omstreeks maart 2019 naar aanleiding van zijn verzoek om de eindafrekening al niet deugdelijk had moeten informeren, had zij dat zeker na 8 november 2019, toen de Xella-uitspraak door de Hoge Raad werd gedaan, moeten doen. Zij had daarna contact met [eiser] moeten opnemen teneinde te verifiëren wat hij met zijn verzoek om een eindafrekening beoogde, een einde van het dienstverband met uitbetaling van de transitievergoeding of niet. Gegeven het verzoek om de eindafrekening kan het verweer van [gedaagde] dat [eiser] , anders dan zijn collega, niet expliciet om beëindiging van de arbeidsovereenkomst en uitbetaling van de transitievergoeding heeft verzocht niet slagen. Bovendien, [eiser] was met de e-mail van zijn gemachtigde van 18 november 2019, daags voordat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigde door het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, op tijd, net op tijd. Zo [gedaagde] al niet eerder, zoals hiervoor overwogen, [eiser] juist had moeten informeren en/of contact met hem had moeten zoeken had zij zeker direct op de mail van 18 november 2019 positief moeten reageren. Dat daarin een reactie termijn was opgenomen die lag na datum pensionering, en dus na einde dienstverband van rechtswege was op zijn zachtst gezegd onhandig. [gedaagde] kan zich daar in dit concrete geval, tegen de achtergond als hiervoor geschetst, evenwel in redelijkheid niet op beroepen. Dat die e-mail van de gemachtigde van [eiser] die dag niet door [gedaagde] gelezen is komt voor haar rekening en risico. De e-mail was immers tijdig door haar ontvangen. |
|
Afspraken over wijze van ontbinding van partnerschapRechtsvraagKunnen partijen afspraken maken over de wijze van ontbinding van het geregistreerde partnerschap? OverwegingDe rechtbank stelt vast dat partijen een obligatoire overeenkomst met elkaar hebben gesloten, als gevolg waarvan de bepalingen uit boek 3 BW van toepassing zijn. Daarbij is van belang dat een overeenkomst die door de inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de openbare orde nietig is. Wanneer sprake is van strijd met een dwingende wetsbepaling leidt dit tot nietigheid van de rechtshandeling (artikel 3:40 BW). Partijen hebben in de overeenkomst opgenomen dat zij de ontbinding van het geregistreerd partnerschap gaan regelen binnen één maand nadat de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten. Hiermee brengen partijen een beperking aan op de wettelijke grondslag voor ontbinding van het geregistreerd partnerschap. De rechtbank is van oordeel dat dit in strijd is met de openbare orde, op grond waarvan deze bepaling nietig is. Cursussen binnenkort: |
